Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (2) - Ekō 15, september 1981 - © 2003 jikōji

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (2)

Akugō (karmisch onheil)

De werking van het onheilzame karma, de directe oorzaak van het lijdensbestaan. De dagelijkse handelingen zijn bezoedeld door blinde begeertes en door fundamentele onwetendheid. Daarom geven ze aanleiding tot lijden onder al zijn vormen. Akugō wordt heel vaak gekoppeld aan onwetendheid (mumyō-akugō) en aan begeerte (bonnō-akugō) en wijst aldus naar de diepe wortels van het onheilzame karma, gekneld in het samsārisch bestaan. Door de eeuwenlange (als het niet langer is…) herhaling en doordat de wezens eraan gewoon worden, is dit karmische onheil zodanig in de menselijke leef- en denkpatronen vastgegroeid, dat het praktisch onmogelijk is zich van dit lijden los te wrikken, ook niet door het conventionele zedelijke gedrag of door de diverse spirituele praktijken. De triade zedelijk gedrag-wijsheid-meditatie die de essentie van het Edele Achtvoudige Pad uitmaakt, is zeker in deze ‘verworden tijden’ (mappō) slechts voor zeer weinigen toegankelijk in die mate dat ze naar opheffing van het lijden voert. De hoofdbedoeling van Amida’s heilgelofte is evenwel deze situatie volledig om te keren en het samsārisch lijden om te zetten in volkomen verlichting.

 

Bonnō (verblinding-passie)

Deze samengestelde term doelt op alle bewuste of onbewuste krachten die iemand voortdrijven, in vreugde zowel als in leed, tot handelen, spreken, denken, voelen op dergelijke manier dat voor hemzelf en/of voor anderen mentaal, emotioneel, spiritueel of lichamelijk ongemak, kwelling, frustratie, smart of verdriet te scheppen.

Alhoewel het Boeddhisme de verschillende verschijningsvormen van het lijden detailleert en analyseert, toch zijn ze alle geworteld in het hooghartige, starre vasthouden aan een egoïstisch of egocentrisch “zelf” dat aan de basis ligt van het bestaan in betrekkelijkheid.

Krijgen we inzicht in deze innerlijke situaties, dan stellen we vast dat geheel het menselijke bestaan in feite niets anders is dan één grote ineenvlechting van “verblinding-passie”. Het verlangen ‘zijn eigen leven te leiden’, eigen aan het onverlichte wezen, is de meest markante manifestatie van bonnō, ook al is vaak de bewuste oppervlakte van het wezen anders. Zelfs zeer verheven gevoelens ontsnappen niet aan ‘verblinding-passie’. Voorbeeld: de moederliefde wordt meestal en terecht afgeschilderd als de minst-zelfzuchtige vorm van liefde; dat belet echter niet dat de moeder bekommert is om HAAR kind.

Daartegenover staat dat wie met geheel de inzet van zijn wezen de rol en de inbreng van ‘verblinding-passie’ in zijn bestaan geconstateerd heeft, ook al is hij niet bij machte het ‘ware, werkelijke en oprechte leven’ te leiden, toch al gegrepen is door de kracht van Amida’s Oorspronkelijke Gelofte.

 

Button (Boeddha’s welwillendheid)

Samentrekking van butsu + on. Het Chinese on komt hier overeen met het Sanskriet krta dat meestal door ‘welwillendheid’ vertaald wordt. Als technisch-boeddhistische term, komt hij evenwel overeen met de samenstelling krtajña (Pali: kataññu) d.i. de dankbaarheid die oprijst bij de vaststelling dat iemand een weldaad bewezen heeft. Button verwijst bijgevolg zeer duidelijk naar het diepe gevoel van dankbaarheid dat de volgeling overstelpt ten opzichte van Amida’s Oorspronkelijke Gelofte.

Hoe groot ook de menselijke verblinding, zijn onwetendheid en zijn egocentrisme moge zijn, toch is Amida’s Gelofte-Kracht nog groter. Zij zet de menselijke zwakheid in sterkte en vertrouwen om. Onze dankbaarheid hiervoor is button.

 

Daihi (het grote mededogen)

Is de Chinese tegenhanger van het Sanskriet mahā-karunā. Met lette erop ‘mededogen’ niet te verwarren met ‘medelijden’. Het kan algemeen omschreven worden als een diepgaand, begrijpend gevoel voor de ellende en het lijden van anderen, vergezeld van de wil deze ellende en dit lijden te verhelpen of te verlichten; het is een bewust-zijn van de tragedie die de wereld meemaakt en dat samengaat met een actieve, maar zelf-loze tederheid ten opzichte van de lijdende wezens.

Toch is deze omschrijving, boeddhistisch bekeken, niet volkomen dekkend voor karunā en zeker niet voor mahā-karunā of daihi. Bovenstaande omschrijving is immers gebaseerd op het sterke onderscheid gemaakt tussen subject en object van het mededogen, een onderscheid dat courant gemaakt wordt in onze conventionele (en zeker Westerse) denkpatronen.

Het boeddhistische mededogen overtreft immers elke discriminatie, niet enkel tussen de diverse lijdende wezens, maar ook niet tussen wie het mededogen ‘geeft’ en wie het ‘ontvangt’ (niet-dichotomisch mededogen).

Aan de basis van daihi ligt dan ook de gedachte dat geen onderscheid kan gemaakt worden tussen ‘zelf’ en ‘ander’, en dat iemands persoonlijke tragedie meteen ook de tragedie van elk wezen afzonderlijk en van alle wezens gezamenlijk is.

Dit niet-dichotomische mededogen wordt geleid door prajñā, een wijsheid die het conventionele denken en voelen transcendeert en zich beweegt op het vlak van een niet-discriminerende waarneming (nirvikalpajñāna). De band tussen mededogen en deze transcendentale wijsheid is zo nauw, dat beide verschijnen als slechts twee aspecten van de éne essentie van de Boeddha van het Oneindige licht en leven.

Iconografisch wordt het Grote Mededogen voorgesteld door Bodhisattva Avalokiteshvara. (Chin. Kuan-yin, Jap. Kanzeon of Kannon, Tib. Chenrezi).

 

Dai hō kai (Grote Schatten-Oceaan)

Eén van de vele benamingen gebruikt voor de Zo-heid. In de boeddhistische filosofie staat ‘zo-heid’ (tathāta) voor de absolute, ultieme, kenmerkloze realiteit. De ‘zo-heid’ is evenwel niet zomaar een abstract begrip noch een werkhypothese. Het is de werkelijkheid in haar ware gedaante en in haar ware worden.

De ‘zo-heid’ is dan ook verschillend van het begrip “Eenheid”, die alle verschillen ontkent, en van het begrip “Identiteit” die de individualiteit van de wezens ontkent.

De ‘zo-heid’ als leven, als dynamiek, wordt daarom ook gezien als een oceaan vol waardevolle schatten, waarin eenheid, identiteit en ook veelheid simultaan en equivalent existentieel en potentieel aanwezig zijn, zoals de vele golven van de oceaan aanwezig zijn in het éne water.

Deze metafoor wordt vaak door Shinran gebruikt als beeld van de grenzeloze, expansieve en niet-discriminerende natuur van Amida’s wijsheid en mededogen. Deze natuur wordt a.h.w. gebundeld in de Naam (myōgō), zodat zij vatbaar geworden is voor de menselijke geest, die verloren loopt in zijn samsārisch bestaan. Het is door de Naam dat de mens de mogelijkheid geboden wordt tot de ‘zo-heid’ te ontwaken. De Naam is, psychologisch gezien, het raakvlak tussen menselijke geest en zo-heid, een raakvlak dat bereikbaar is en waardoor de zo-heid in haar absolute waarheid binnen het bereik van de karmisch gebonden wezens komt te liggen.

 

Dōgyō, ook Dōbō (mede-volgeling)

Dit woord wordt gebruikt om allen aan te duiden die gemeenschap hebben in hun streven naar verlichting en daarom samen het Pad van de Leer bewandelen.

In het Shin-Boeddhisme heeft deze term echter een nog sterkere betekenis gekregen: ‘mede-volgeling’ is hier immers elk wezen dat deelneemt aan Amida’s mededogen dat niemand uitsluit. Daarom wijst dōgyō ook op het sterke gevoel van gebondenheid tussen de wezens onderling.

In het bijzonder weerspiegelt dōgyō het omverwerpen van alle beperkingen en afsluitingen die in het traditionele Boeddhisme tussen de verschillende categorieën opgetrokken waren: monniken/nonnen/leken, leerlingen/meesters, veel verdienste/weinig verdienste, enz.

Shinran zelf verklaarde wat dit betreft dat hij noch monnik noch leek was, en ook dat hij zelf geen enkele discipel had: hij noemde iedereen zijn ‘mede-volgelingen’.

 

Edo (bezoedeld land)

Deze wereld, samsāra, van onverlichte wezens wordt gekenmerkt en bezoedeld door een misvormd denken en zelf-gericht voelen. Hierdoor staat hij in direct contrast tot het Reine Land.

Traditioneel wordt de ‘bezoedelde wereld’ beschreven als bestaande uit drie domeinen: dat van de zinnelijke lusten (kāmadhātu), dat van de vorm (rūpadhātu) en dat van de vormloosheid (arūpadhātu).

Een andere onderverdeling wijst op de zes ‘velden van wedergeboorte’: het rijk van de hellewezens, het rijk van de hongergeesten, het rijk van de dieren, het rijk van de demonische machten, het rijk van de mensen en het rijk van de goden.

Vermits alle onverlichte wezens aan lijden in deze zes rijken onderworpen zijn, wordt de lijdenswereld in het Sanskriet ook wel saha (Jap. shaba) = verduring geheten.

Genshin, zesde patriarch van de Jōdo-Shinshū en typisch vertegenwoordiger van de vroege Nembutsu-leer, had voor de Reine-Landlering volgende slogan gelanceerd: “Verwerp edo, zoek het Reine Land”. Deze formulering vooronderstelt echter een onherroepelijk dualisme tussen beide begrippen, wat natuurlijk doctrinaal niet overeenstemt met de equivalentie samsāra = nirvāna , die toch aan de basis ligt van Nāgārjuna’s stelsel van de leer van het Midden, de Mādhyamika, die zo doorslaggevend is geweest voor de latere ontwikkelingen van het Boeddhisme.

Shinran gaf aan Genshins slogan een andere interpretering in existentiële en niet-dualistische zin. Hij beklemtoonde het transcenderende aspect van de diepe vertrouwensvolle overgave (shinjin) in het hier-en-nu samsārische bestaan, in het alledaagse leven van de doodgewone mens. Waar Genshin nadruk legt op het feit dat de gelovige op zijn sterfbed onthaald wordt door de Boeddha die hem het Reine Land invoert; voor Shinran is het stervensmoment voor de shinjin-mens meteen ook de verwezenlijking van de Volkomen Verlichting met de uitdoving van de karmische factoren. Voor hem is shinjin een nirvānisch element in samsāra dat op het stervensmoment tot volle ontplooiing komt. 

Ekō 15
Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home