Hoe De Boeddha Het Zag (8)

Een groot stuk van de wijsheid bestaat erin het slechte en het goede in ons bestaan precies op dezelfde wijze te aanvaarden.

Het slechte en het goede knnen aanvaarden!

Zonder onverschillig te worden, zonder weg te vluchten in passiviteit en immobilisme. En in die geest van welwillende gelijkmoedigheid moeten we ook l het mogelijke ondernemen om in de situaties in en rondom ons in de mate van onze vermogens verbetering aan te brengen. Overal waar onze beperkte krachten zoiets ook maar enigszins mogelijk maken, waar ook slechts de geringste kans op slagen bestaat. En als we eens extra-moedig zijn: ook daar waar onze geest ons duidelijk zegt dat we toch zullen falen.

En wanneer we dan voor een mislukking komen te staan, laten we niet te veel jammeren. En zeker niet ergens een schuldige zoeken: noch de medemens noch de maatschappij noch n of andere godheid of duivel. Noch onszelf: echt, we zijn niet belangrijk genoeg. Misschien kunnen we er wel het karma bijhalen, maar dr is slechts weinig kans dat dit ons verder helpt. Als we ons slachtoffer van het karma voelen, dienen we dat gevoel te overstemmen door het feit dat we ook scheppers van karma zijn.

Meestal echter zien we niet verder dan het tipje van onze eigen neus, dan wanneer we voor een juist begrip het leven breeduit, zonder ego zouden moeten kunnen bekijken: doorheen de ogen van de Verlichte.

In plaats van onze tijd en woordenvloed te verspillen aan weeklagen en beschuldigen, doen we er beter aan eens een grote schoonmaakbeurt te houden in onze manieren van denken.

Een eerste stap zou kunnen zijn de dingen en het leven dat de dingen aan elkaar bindt, te zien in hun fundamentele EEN-heid: we beginnen dan enig begrip te krijgen van het feit dat heel het leven een ingewikkeld ineengestrengeld kluwen is. Alles eindeloos in mekaar gevlochten, in een in tijd-en-ruimte oneindige onderlinge afhankelijkheid.

We hebben elkaar nodig, Op elk moment heeft iedereen in zijn bestaan iedereen en alles nodig. Heel het heelal is betrokken bij de minste van onze behoeften.

Alles in en rondom ons (en dit cht in de allerbreedste zin) bestaat enkel in interrelatie en interpenetratie. Want de dingen en de wezens bestaan niet naast elkaar: ze hebben met elkaar de meest diverse maar ook de meest essentile betrekkingen, ze doordringen mekaar, ze overlappen mekaar, ze weerspiegelen mekaar. Zoals de dingen en wezens bestaan, bestaan ze ook in elkaar.

Men kan proberen dat uit te leggen via een vergelijking met een spinneweb. Komt er ergens een vlieg in terecht, dan lopen de trillingen over het ganse net tot in de verste hoeken.

Of werp een steen in het water en kijk hoe de trilgolven breder en breder uitlopen; waar een wal of een oever is, daar worden ze weerkaatst en vormen een ingewikkeld patroon van vormen en bewegingen.

Tussen u en mij bestaan er geen grenzen. Ik heb u nodig, u hebt mij nodig. Wat u raakt, raakt ook mij. Niemand kan zich in absoluutheid van de anderen afsluiten, zelfs al bouwt hij de hoogste wallen rondom zijn afzondering. In elk van ons woont de hele wereld. En elk van ons woont in heel de wereld en in elk ding van deze hele wereld.

Ekō 16
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home