Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (3)

Dōjō (plaats voor de praktijk)

Letterlijk: “plaats voor de weg”, vandaar ook klooster, seminarie, lokaal voor bijeenkomsten waar de Dharma onderricht wordt en waar gelegenheid tot praktijk bestaat. In deze laatste betekenis verwijst het naar een lokaal a. dat kleiner is dan een tempel (tera, ji), b. dat niet bestendig is.

De oorspronkelijke Shin-gemeenschappen hadden geen tempel, maar kwamen bijeen in huizen van leken die wat aangepast werden zodat de aanhangers er konden vergaderen. In de vroege periode van de Jōdo-Shinshū, wanneer er nog geen eigen tempels gebouwd waren, kwamen de aanhangers in dergelijke dōjō’s bijeen om te luisteren naar de woorden van een leraar en om er gezamenlijk de nembutsu te beoefenen.

Als oudste tempel geldt het mausoleum dat Shinrans dochter Kakushin-ni, samen met haar echtgenoot Zennen (1272) liet oprichten boven het graf van de Shōnin.

 

Ekō (overdracht)

Sanskr. parināma , Chin. Hui-hsiang. Het is de overdracht van de verworven verdiensten.

Volgens het Mahāyāna-Boeddhisme kan elke karmische verdienste, gewekt door gelijk welk wezen, overgedragen (overgewenteld) worden naar een of meerdere of zelfs alle wezens, telkens met het inzicht het verwezen lijken van de Verlichting door alle wezens zonder onderscheid te begunstigen.

Zo zal een bodhisattva immers de ‘volmaaktheden’ (pāramitā’s) niet enkel beoefenen met het oog op het vervolmaken van zijn eigen morele en spirituele karakteristieken, maar ook en zelfs hoofdzakelijk voor het bevorderen van de Verlichtingskarakteristiek bij de andere wezens. Het begrip ekō vindt dan ook zijn oorsprong in deze bodhisattva-traditie, waarin religieuze praktijken ondernomen worden niet ten voordele van zichzelf, maar hoofdzakelijk ten gunste van andere wezens zonder onderscheid. De diepe wens of ‘gelofte’ van de bodhisattva beoogt de geestelijke verheffing van de wezens, wat traditioneel overeenkomt met het ‘uittreden uit geboorte-en-dood’. Daarom is het vanzelfsprekend dat de bodhisattva zijn verwezenlijkingen deelt met de andere wezens.

Toch houdt dit mede-delen, deze ‘overdracht van verdiensten’ geen enkele vorm van zelf-opoffering in zoals men menselijkerwijze zou verwachten, want ekō is voor hem een daad van mededogen volbracht in een niet-dichotomisch denken en voelen, waarin geen onderscheid bestaat tussen “schenker” en “ontvanger”.

In de meeste Boeddhistische scholen betekent ekō het richten (reoriënteren) van de verdiensten verworven door de volgeling die de karmisch gunstige (Sanskr. Kausalya, Pali kusala) praktijken met resultaat beoefent, naar het verwezenlijken van de Verlichting voor hemzelf zowal als voor de andere wezens.

In de traditionele Reine-Landscholen (en ook in de Reine-Landpraktijken van andere scholen), die in hun praktijken geconfronteerd worden met de moeilijkheden verbonden aan het bodhisattva-pad, kreeg ekō de betekenis van verdienste-overdracht niet van zichzelf naar andere wezens, maar naar het bereiken van geboorte in het Reine Land, waar dan de Uiteindelijke Verlichting kan verwezenlijkt worden, om dan, vanuit dit Reine Land naar de lijdenswereld terug te keren om er voor het heil van alle wezens te werken.

Shinran Shōnin bekeek de ekō-problematiek evenwel vanuit een geheel ander standpunt. Voor hem ligt de bron van alle heilsactiviteit bij Amida. Het is vanuit Amida als middelpunt dat de geestelijke vibratie uitstraalt die wij kennen als ‘overdracht van verdiensten’. Die overdracht begint bij Amida’s oneindige verdienste en straalt vandaar uit over alle wezens; ze vertrekt dus niet bij de wezens met de uitgesproken bedoeling het nirvāna te verwezenlijken. Shinran ziet ekō bijgevolg uitsluitend afkomstig van Amida en niet van de mens.

Dit is het consequent doortrekken van het tariki (Ander-Kracht)-motief. Daarom gebruikt Shinran de term ekō om aan te duiden dat de verdienste-overdracht enkel verloopt vanuit de Boeddha naar de gelovige toe. In Kyō-Gyō-Shin-Shō I,1 geeft Shinran zijn interpretatie van dit principe. De verdienste ligt gebundeld in de Naam, die daardoor de meest werkzame en doeltreffend agens wordt om de wezens naar Verlichting te voeren. Het is daarom dat men zegt dat de nembutsu (en dus shinjin dat in ons de verwezenlijking van de nembutsu is) ons geschonken wordt door de Ander-Kracht.

De dynamiek van dit onfeilbare gebeuren komt voort uit Amida’s Grote Mededogen (dai-hi, mahākarunā) en verwekt een cirkelvormige beweging: “uittredend” en “terugkerend”. Vandaar ook dat Shinran spreekt van twee modi van ekō als schenking van Amida:

- enerzijds ōsō-ekō, de uittredende verdienste-overdracht, want uittredend uit geboorte-en-dood, waardoor geboorte in het Reine Land veroorzaakt wordt. Deze modus (of fase) ligt begrepen in de leer (kyō, nI. de ware betekenis van de Grote Sūtra), in de Praktijk (Gyō = Amida’s Naam, de nembutsu), in de Overgave (shin = het diepe, oprechte vertrouwen) en in de Verlichting (shō = de ‘toestand’ van nirvāna waargeworden in het Reine Land).

- anderzijds gensō-ekō, de terugkerende verdienste-overdracht: terugkerend naar geboorte-en-dood, waardoor de ‘gelovige’ die nu in Boeddhaschap en Ander-Kracht participeert, in één of andere vorm, gedaante, kracht of potentie in de gelofte-kracht terugkeert naar de wezens die lijden in de sahālokadhātu , deze hier-en-nu wereld van beperkingen en eindigheden, om ze uit hun lijden te bevrijden.

Maar beide modi van ekō zijn gelijkelijk manifestaties van Amida’s mededogen en heiIswerking.

 

Eshin (omkering van het gemoed)

De ommekeer van het gemoed, de wenteling van kwaad naar goed, vandaar ook gebruikt als synoniem voor ‘berouw’. In de Jōdo-Shinshū, verwijst deze term naar innerlijke bekering van zelf-kracht naar Ander-Kracht.

Eshin wordt daarmee het ervaren van de radicale omkering teweeggebracht door de werking van de Ander-Kracht, waarbij het middelpunt van het ‘wezen’, het illusoire ego, geïnverseerd, opgegeven en verlaten wordt. Op deze wijze geeft de gelovige zichzelf geheel over aan de heiIswerking van Amida’s Oorspronkelijke Gelofte.

 

Fukashigi (het conceptuele denken overtreffend)

Wordt courant vertaald als ‘onvatbaar’, ‘onbegrijpbaar’ e.d.m. Betekent dat iets niet kan doorgrond worden door middel van het conventionele denkpatroon, ons ‘normale’ conceptuele, discursieve denken.

Nochtans valt het begrip fukashigi binnen het vattingsvermogen van de mens in de zin dat hij zich kan voorstellen dat iets fukashigi is. Maar dat besef zegt niets over aard, diepte of omvang van fukashigi. Vandaar dan ook voor deze term de secundaire betekenis van “ofschoon iets kan gekend worden, is deze kennis geen gevolg van intellectuele analyse”.

 

Futaiten (niet-terugvallend)

Sanskr. avinivartanīya , Chin. Pu-t’ui-chuan (ook hitsujo, Chin. Pi-ting). Niet-terugvallend in de wereld van illusie. Wordt gelijkgesteld met de toestand van “definitieve verzekering”. Wie zichzelf onvoorwaardelijk en volledig overgeeft aan de nembutsu geschonken door Amida, heeft de zekerheid het Boeddhaschap te verwezenlijken en niet langer door eigen passies aan het lijdensbestaan gekluisterd te zijn. Deze zekerheid wordt verkregen op het moment van shinjin, wat inhoudt dat de ‘gelovige’ ingetreden is in de ‘Oceaan van Amida’s Oorspronkelijke Gelofte’, waarmee “de lange nacht van geboorte-en-dood aan het ochtendgloren toe is”.

Shinran Shōnin drukte deze toestand dan ook uit als door Amida omarmd en nooit meer losgelaten. Het is de intrede in de gemeenschap van de waarlijk verzekerden (van geboorte in het Reine Land). Dit is het stadium van het niet-terugvallen (avaivartika), een term oorspronkelijk gebruikt voor de vooruitgang van de bodhisattva op zijn pad ter Verlichting, die niet meer kan terugvallen omdat hij een niet-dichotome zo-heid verwezenlijkt heeft (d.i. dat hij de andere oever bereikt heeft) en dit ondanks het feit dat hij toch nog blijft leven in een dichotoom ingestelde wereld.

Shinran voegt hierbij dat de ‘waarlijk verzekerden”, d.i. zij die shinjin verwezenlijkt hebben, in feite gelijk zijn aan de toekomstige Boeddha Maitreya, maar ook aan de Tathāgata. De ‘wereld van illusie’ waaraan de futaiten definitief ontkomen is, is niet enkel de wereld van geboorte-en-dood, maar verwijst eveneens naar de twee ‘lagere’ Voertuigen: dat van de Hoorders (Srāvaka-yāna, in de meeste teksten gelijkgesteld met de doctrines van de 18 scholen van het Hīnayāna), en dat van de Voor-Zichzelf-Boeddha’s (Pratyekabuddha-yāna). De ‘gelovige’ wordt ernstig gemaand tegen terugvallen in deze twee voertuigen, vermits de beoefenaars ervan, die Verlichting zoeken voor zichzelf zonder zich om de andere wezens te bekommeren, niet in overeenstemming zijn met de mededogende en universele Boeddha-geest.

Ekō 16
Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home