I-Gyo:  de Gemakkelijke Weg

Nāgārjuna, de grote filosoof van het Mahāyāna, onderscheidde in de leer van de Boeddha, twee verschillende heilswegen:

- de ene moeilijk, pijnzaam, langdurig, als een afmattende tocht over land, rotsen, woestijnen, moerassen: het PAD DER WIJZEN, waarop de wezens, elk enkel bouwend op eigen kracht, met eigen middelen, streeft naar de verwezenlijking van de Dharma;

- de andere, kalm en gemakkelijk, eenvoudig, als een tocht over rustig water, het PAD VAN HET REINE LAND, veilig geborgen in de Boeddha-boot.

Latere denkers hebben het Pad der Wijzen ook de weg van de Eigen Kracht geheten, in tegenstelling tot de Weg van de Ander-Kracht waarin de adept vertrouwensvol inhaakt op de natuurlijke heilskracht van het Oneindige en Absolute Boeddhaschap. Daarvoor zet hij zijn eigen berekeningen opzij en laat hij de verwezenlijking van zijn heil over aan de Verlichting zelf, zoals een akker zich open legt aan de heilzame werking van het zonnelicht.

In tegenstelling tot de veeleisende, ingewikkelde morele, meditatieve en rituele praktijken vereist voor al wie het Pad der Wijzen wil bewandelen, - en waarin dan ook uiteindelijk enkel de “Wijzen” kunnen slagen - is de beoefening van het Pad van het Reine Land bij bepaling eenvoudig. De ‘hoofdpraktijk’ is hier het gedenken van de Boeddha door het uitspreken van Zijn Naam. Met de ervaring der tijden en de evolutie der dingen, werd dit gedenken/uitspreken steeds meer centraal en …  gemakkelijk.

En precies hier zit het scharniervlak van het Reine Land-Boeddhisme. De discipline, de meditatie- en wijsheidspraktijken eigen aan de scholen van het Pad der Wijzen, staan vreemd tegenover het leven van alledag voor de mensen van alledag. Het Pad der Wijzen vereist de strenge, harde innerlijke en uiterlijke discipline van de kloostermuren.

De geschiedenis leert ons evenwel dat het hechten aan discipline en riten a.h.w. onvermijdelijk want menselijk de innerlijke beleving van de leer tot verstarring en verdroging voert. Hoe de aandacht van monniken en nonnen steeds meer toegespitst geraakt op wat het middel is - en het eigenlijke doel, het nirvāna, in de vergeethoek geraakt. De geschiedenis leert ons hoe zedelijkheidsvoorschriften uitmondden in casuďstiek, hoe het steeds maar intellectueel overwegen uitliep in prutserige speculaties en woordgegoochel.

Zowel het Boeddhisme als het Christendom geven hiervan ettelijke voorbeelden die beslist niet tot het mooiste uit hun spirituele historiek behoren.

Kloosterdiscipline vereist een gesloten organische structuur en schept daarvoor elitaire gedragingen. De kloof tussen ‘leek’ en ‘geestelijke’ wordt groter. De bhikshu, de bonze, de eerwaarde voelt zich eindeloos verheven boven de gewone sterveling, net zoals de Farizeeër boven de tollenaar uit het Evangelie. Zo’n onderscheid leidt tot een echt gevoel van standenverschil. In het Japan van de 8ste, 9de eeuw, waarin de wonderbaarlijk mooie tempels en pagodes van Nara ontstonden, bestond de bevolking van de kloosters in hoofdzaak uit leden van aristocratische families…

Dat Nara-Boeddhisme boog zich paternalistisch over de onwetende dommerik enkel maar om hem aan te sporen braaf te leven, om hem troost te schenken bij lijden en overlijden…  vaak dan ook tegen een bescheiden vergoeding…

In deze situatie kwam verandering door de doorbraak van het Reine Land-Boeddhisme. Dank zij een Eenvoudige Praktijk, die van de Nembutsu, kon de geest van de Leer van de Boeddha uit de kloosters uitbreken en als ware Grote Mededogen voor alle wezens zich verbreiden over alle volkslagen. Ook de minst begaafde! Door de Nembutsu werd het Boeddhisme beleving voor ieder Boeddhist.

Voor de eenvoudigen, voor de dwazen, voor de zondaars, de boeren, de vissers, de slagers, de ongeletterden, de zwakkelingen. Het Boeddhisme voor de gewone, doodgewone mens.

En wie van ons is geen gewone, doodgewone dwaze zwakkeling?

Het is geen pretje dat te moeten toegeven. Elk van ons vindt zichzelf toch wel een held, een fantast, een feniks… een heilige. Zijn wij er niet van overtuigd dat we de moeilijkste praktijken met een vingerknip baas kunnen?

Maak iets voor de mens maar moeilijk, dan heeft hij de gelegenheid zich groot te voelen: groter dan de anderen.

Toen Columbus Amerika ontdekt had, heeft men hem de eenvoud van die onderneming verweten.

De mensen hebben het zo graag moeilijk.

Als je zegt dat iets gemakkelijk zal zijn, hebben ze er gewoonlijk geen oor voor, want dan is het immers niet meer zo vleiend-interessant.

En de Nembutsu is zo gemakkelijk: Namu Amida Butsu. Een klein kind kan het je nazeggen namoe-amida-boetsoe. Met enkele gemakkelijk te onthouden lettergrepen ben je d’r van af. Je moet heus geen bolleboos zijn. Als je Namu Amida Butsu zegt, heb je niks speciaals verricht. Echt niet om trots op te zijn. Iedereen kan het.

En toch… En toch…

De Nembutsu is feitelijk zoals heel de Leer van de Boeddha: ontzettend complex, ingewikkeld als je hem intellectueel wil benaderen en uitrafelen. Geheel de subtiele filosofie van Hīnayāna, Mahāyāna, Mantrayāna kan je erbij halen. Je kan erover blijven piekeren, er dikke boeken over lezen of schrijven. Kijk: de verklaring klopt uiteindelijk. Intellectueel ‘klopt’ de Nembutsu inderdaad. Je kan ‘m ‘verklaren’. Maar de bedoeling is niet een mooi intellectueel oeuvre te breien, er een ‘denkgebouw’ van te maken. Want als je het bij dergelijke exclusief ‘denken’ houdt, dan ‘klopt’ de Nembutsu niet meer in je hart.

Want de Nembutsu op zichzelf is niets. Een formule, een vocalisatie.

Namu Amida Butsu wordt de Nembutsu (= het gedenken/uitspreken), de Myōgō (= de Naam als vector van de Gelofte-Kracht van de Verlichting) enkel wanneer hij spontaan opwelt, de ‘onbeheerste’ uiting van het Diepe Vertrouwen (shinjin) is. En Shinjin heeft niets meer te maken met morele, sociale, intellectuele, emotionele capaciteiten, omstandigheden, criteria te maken.

En dŕt maakt de zaak ineens heel wat moeilijker, want de “praktijk” is weliswaar gemakkelijk, maar shinjin is moeilijk: het moeilijkste dat er is, zegt Shinran Shōnin. En vóór hem wist men het ook al, want het staat al te lezen in de Lalita-Vistara en in de Mahāvastu.

Maar shinjin is niets spectaculairs, zelfs al is het moeilijk. Shinjin gebeurt diep in je, vaak zonder dat je het zelf weet. Het is een diep binnen-in werken en geen opzienbarend mirakel, geen revelante meditatie, geen verheven ascese. Shinjin is het meest innerlijke van de mens in confrontatie met het meest subtiele. De stille ontmoeting met het eindeloze onmeetbare onkenbare. Zonder symbolen, zonder riten, zonder woorden, zonder iets, zonder niets…

Hierover valt dan ook helemaal niet meer te praten.

Want dit is het verborgene van onszelf, dat onzegbare raakvlak tussen mens en Boeddha, tussen samsāra en nirvāna.

Namu Amida Butsu

Ekō 17

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home