Hoe De Boeddha Het Zag (9)

Pessimisme of hoop?

 

We hebben hiervóór gezien dat, vermits alles in de wereld onderworpen is aan actie, het uiteindelijk normaal is dat er veranderingen optreden. En aangezien er dan ook steeds een onophoudelijke stroom van veranderingen is, zullen de steeds wisselende oorzaken en omstandigheden ook weer steeds nieuwe veranderingen verwekken. Maar dat gebeurt zonder dat er rekening gehouden wordt met hetgeen wij, mensen, ‘goed’ of ‘slecht’ noemen.

Deze “karmische dynamiek” gaat onafgebroken door, overal waar leven is, waar wezens of dingen of zelfs gedachten of gevoelens zijn. En deze karmische dynamiek is gewoon wat wij ‘het bestaan’ noemen.

Het bestaan is een ononderbroken verschijnen en verdwijnen, niet om één of andere mysterieuze reden, zomaar uit zichzelf noch per toeval, noch door de wil van één of andere boosaardige of welwillende godheid, - maar door een natuurwet die maakt dat verschillende structuren van oorzaak en gevolg het leven telkens weer “zo” maken.

Het Boeddhisme leert dat het leven één is en dat, daarbij vergeleken, de wezens slechts secundair zijn. In veel andere religies neemt men een tegengesteld standpunt aan: daar primeren de wezens. Daar zijn wezens die definitief geboren worden en die definitief sterven in een onherroepelijke éénmaligheid.

Denken we b.v. aan de monotheïstische godsdiensten: Jodendom, Christendom, Islam, drie takken van één zelfde loot. Dààr wordt de mens geboren met een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel. De dood is de fatale scheiding van lichaam (dat vergaat en tot stof terugkeert) en de ziel, die bestemd, geroepen of gedoemd is in alle eeuwigheid te blijven leven.

In het Hindoeïsme is de opvatting over de ziel verschillend: daar is de ziel niet enkel onsterfelijk, wat een ‘ontstaan’ van de ziel veronderstelt, maar eeuwig en onveranderlijk, een vonk die ooit ontsnapt is uit een grote wereldziel (Brahman) en die zich in deze lijdenswereld achtereenvolgens “kleedt” in verschillende levens, om geleidelijk-aan spiritueel rijker te worden en uiteindelijk weer in de “wereldziel” opgenomen te worden. Dat is dus “re-incarnatie” in de ware zin van het woord: een eeuwige “ziel” die verschillende levens doorloopt.

Het Boeddhisme kent geen God, en ook geen ziel, toch niet in de zin die aan dat woord gegeven wordt in de monotheïstische godsdiensten of in het Hindoeïsme, d.i. een ‘ziel’ als iets dat blijvend is, onsterfelijk of eeuwig, een onveranderende metafysische eigenheid. Men zou een Boeddhistische ‘ziel’ wèl kunnen vergelijken met de ‘ziel’ die men kent in de psychologie, als een geheel van psychische kenmerken en activiteiten van de mens. Meer niet: een psychologische ziel, geen metafysische! Het Boeddhisme kent slechts het leven dat de verschillende vormen van het leven aanneemt volgens de werking van oorzaken en omstandigheden.

Hierdoor verschilt natuurlijk de boodschap van de Boeddha fundamenteel van zo goed als alle andere religieuze stelsels waarin een “ziel” centraal staat. Er kan dus in het Boeddhisme niet echt sprake zijn van ‘reïncarnatie’. Vaak hoort men dit woord vermelden in verband met het Boeddhisme, maar dat komt dan enkel voort uit een radicaal verkeerde aanpak van het probleem.

Geleerden en vorsers hebben voor ons het verleden van onze planeet Aarde onthuld. Daardoor weten we met zekerheid dat er in vroegere tijdperken levensvormen bestaan hebben die we nu niet meer aantreffen: dinosaurussen, mammoets, sabeltijgers, om maar enkele van die héél talrijke soorten te noemen, zijn nu van de aardbodem verdwenen. De geleerden weten ons ook te vertellen dat telkens de klimaat- en voedselomstandigheden veranderden, ook fauna en flora veranderde. Werd een bepaald voedsel voor een bepaalde dierensoort zeldzamer, dan konden die dieren moeilijker en moeilijker overleven. Tot ze uitstierven en door andere soorten vervangen werden. Maar het verdwijnen van een levende dierensoort betekent nog niet het verdwijnen van het leven zelf!

Het leven is telkens voortgegaan. En daar zijn wij nu het levende bewijs voor.

Dat het leven telkens weer andere vormen aangenomen heeft, zich “gekleed” heeft in diverse gestalten, die de ene uit de andere voortgekomen zijn, dat noemt men de biologische evolutie. Het leven kan zelfs vormen aangenomen hebben die ontsnappen aan ons menselijk begrijpen; ook dat is toch mogelijk!

En men mag veronderstellen dat zolang oorzaken en omstandigheden gunstig zullen blijven voor het leven (d.i. dat er activiteit is), dit leven ook zal blijven voortstromen: hier of elders.

Betekent dat dan echt dat wij vastgeklonken zijn in een uitzichtloze keten van oorzaken en gevolgen, als aan een noodlot waartegen wij machteloos zijn. Anders gezegd: dat onze wil helemaal niet vrij is, maar geconditioneerd, zodanig dat we ons enkel kunnen gedragen als een soort machines, automatisch en geprogrammeerd door het ‘Karma’?

Het zou absurd zijn de Karma-Wet op deze simplistische manier te interpreteren. De Boeddha leert ons dat onze wil vrij KAN zijn. Het al dan niet vrij zijn van onze wil is een zaak die wijzelf in handen hebben. Althans theoretisch. Of wij het praktisch aankunnen… dat is een ander probleem, een individueel probleem.

En die ‘vrije’ wil van ons speelt mee in het karmische samenspel van gevolg-en-oorzaak. Deze vrije wil van ons, zegt de Boeddha, kan zelfs doorslaggevend zijn in dat karmische samenspel.

In de Karma-Wet spelen wij als volwaardige elementen mee. Onze rol hierin staat in functie van de richting die onze wil inslaat. Deze wil heeft niet alleen uitwerking op onszelf, nu of later, maar ook op de wezens naast ons (onze “naasten” die het Christendom ons leert lief te hebben) en zelfs op de wezens die in ruimte en tijd verder van ons verwijderd zijn (en die de Boeddha ons leert even lief te hebben als onze “naasten”). Doordat wij niet bij machte zijn alle in de wereld werkzame wilsrichtingen te kennen en te bepalen, zijn wij ook nooit bij machte te voorspellen hoe, waar of wanneer een gevolg van een bepaalde actie geconcretiseerd wordt.

Enkel de Oneindige Boeddha, in zijn Volkomen Verlichting, is bij machte de precieze gang van oorzaak en gevolg op kaart te brengen. In zijn Boeddhaschap doorgrondt hij blijvend (d.i. buiten ruimte en tijd) de diepste waarheid van het leven.

Die waarheid heeft hij als Gautama Buddha noch verbloemd noch opgesmukt. Het Boeddhisme is beslist geen verpozend vertelseltje waarin wij prettig in zaligheid geloven om heerlijk van te dromen “nog even vóór het slapengaan”.

De waarheid zoals de Boeddha die bekend gemaakt heeft, is noch optimistisch noch pessimistisch. Deze waarheid stijgt immers uit boven onze menselijke waardebepalingen, standpunten en opvattingen, want heel die boel van standpunten en stellingnames, levenshoudingen en houdingen tegenover het leven zijn zelf in een voortdurende verandering.

Daarentegen is Boeddha’s bevonden waarheid (zijn Wijsheid) onveranderlijk. En daardoor kunnen wij er onvoorwaardelijk op vertrouwen.

Zelfs als ons geleerd wordt ons nergens aan te hechten, toch moeten we blijven streven naar die waarheid, om in het leven dat wij hier en nu leiden (en lijden!) vrede en geluk te vinden, wat vrede en geluk ook al weten we hoe relatief die zijn…

Daarbij - ook al is het misschien niet voor vandaag of morgen - kunnen wij dan de ware vrede van de Verlichting beleven… en zelf Boeddha worden.

Dat is een objectief op misschien toch niet àl te verre termijn…

Maar eerst moeten wij het leven in zijn volle EEN-heid leren zien.

En zo héél gemakkelijk is dat toch ook weer niet!

(wordt voortgezet)

Ekō 17
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home