Bangladesh: Boeddhistenvervolging

Eén van de hoofdfactoren in het verdwijnen van het Boeddhisme uit zijn Indische geboorteland, waren de invallen van Islamlegers. Dat hier godsdienstige en materiële motieven samengingen, is vanzelfsprekend. Hoe die invallen en plunderingen verliepen, lezen we het best bij de Islam-historici. Ziehier als voorbeeld een kort citaat uit MINHAJU-S SIRAJ (naar Elliot, The History of India as told by its own Historians, Calcutta 1952):

Met grote kracht en durf drong Muhammad Bakhtiyar door tot aan de poort van de burcht (N.B. de universiteit van Uddandapura) en nam bezit van de plaats. Overvloedige buit viel in de handen van de overwinnaars. De meeste inwoners van die plaats waren kaalhoofdige brahmanen (= Boeddhistische monniken). Ze werden allen omgebracht. Een grote hoeveelheid boeken werd daar gevonden en toen de gelovigen (= de Muslim) ze zagen, zochten ze iemand om hun de inhoud ervan te verklaren, maar allen waren dood.

Of uit IBN ASIR:

De stad werd belegerd tot het uiterste en Allah overmeesterde ze nog datzelfde jaar. De bevolking kreeg het verbod de Buddha, wiens beeld de Muslim verbrandden, te vereren. Sommige inwoners werden verbrand, de anderen met het zwaard neergeveld.

Deze droeve historische feiten komen terug in het geheugen bij het horen van de berichten uit Bangladesh, één van de armste landen ter wereld, dat zich niettemin de luxe van een religieuze vervolging kan veroorloven. De feiten begonnen in 1980 naar de buitenwereld door te dringen. In augustus 1981 kregen ze bevestiging; van een stopzetting van de vervolgingen is nog geen bericht ontvangen.

Ziehier wat van die feiten die bekend werden.

De Republiek Bangladesh is een officieel Moslemland; de meeste van de 80 miljoen inwoners zijn aanhangers van de Islam, maar er zijn eveneens kleine religieuze minderheden: zo leven er in Bangladesh een 500 000 Boeddhisten, de meesten ervan in de heuvelstreek van Chittagong (de Chittagong Hill Tracts), door de Britten in 1900 erkend als niet behorend tot de Indische ethnie. De inwoners zijn verwant aan de Khmers en aan de Mongolen en belijden reeds sedert lange eeuwen het Boeddhisme. Na de onafhankelijkheid van Bangladesh in 1971 werden de maatregelen die de landbouwers van de Chittagong-streek beschermden tegen inplantingen van de Moslem-Indiërs, ingetrokken en wordt het vruchtbare land overstroomd door inwijkelingen uit de overbevolkte vlakte, zodat de oorspronkelijke bewoners van de streek beroofd worden van hun economische bestaansmogelijkheden.

Maar er is nog erger. De regering van Bangladesh voert hier een intense politiek van islamisering. De boeddhistische heuvelbewoners worden gedwongen hun ‘heidens’ geloof af te zweren en zich tot de Islam te bekeren. Wie weigert wordt onderworpen aan zware lichamelijke en psychische martelingen. De tempels worden geplunderd, de monniken, voor zover ze niet konden vluchten naar India of Birma, worden gedood of gemarteld. Onder hen is Agrawansa Mahathero, die naar India kon vluchten en nu vanuit Calcutta een hulpcomité voor vluchtelingen animeert.

De regering heeft in het heuvelland nu een troepenmacht van bij de 75 000 man (leger, politie en militie) ingeplant met de opdracht zonder verwittiging te vuren op weerbarstige Boeddhisten.

Op 15 maart 1981 meldde The Observer dat tussen 10 en 22 december 1980 8 000 mensen door het leger neergeschoten werden. Op 10 december 1980 overvielen legereenheden zeven dorpen in het Harina-dal; de meeste mannelijke inwoners werden neergeschoten, vrouwen en meisjes verkracht en nadien verkocht aan bordelen. Oogst, voorraden, runderen en geiten werden in beslag genomen. 500 gezinnen die naar de nabije Indiase deelstaat Mizoram wilden vluchten, werden door de grenspolitie teruggedreven en men neemt aan dat alle vluchtelingen hierbij omgekomen zijn. Een 12 à 15 duizend leden van de Chakma-stam werden onder de meest futiele beschuldigingen in kampen geïnterneerd in onmenselijke omstandigheden.

De reacties hiertegen in de wereld zijn sporadisch en schuchter. De grote organisaties, met de mond vol grote woorden van vrede en eenheid en broederliefde, moeten die mond angstvallig dichthouden. Er werden protestbrieven gezonden aan het secretariaat van de UNO, aan Amnesty International, aan W.C.R.P., aan andere internationale instellingen, aan de grote kranten, persagentschappen, radio- en tv-zenders.

Wie moreel of financieel wil helpen: C.H.T. Fund Committee , Ven. Agrawamsa Mahathero, 86/4 C S N. Banerjee Road, Calcutta – 700 014 India.

Ekō 17

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home