De Plaats Van Shinran Shōnin In Het Boeddhisme (5)

Geheel in overeenstemming met de geest, zij het misschien ook niet helemaal met de formulering van zijn geliefd leraar Hōnen, heeft Shinran Shōnin zich tot het uiterste ingespannen voor en ingelaten met de Nembutsu, maar dan ook in alle aspecten waarin deze tevoorschijn getreden is vanuit de traditionele leringen van de Reine-Landscholen.

In deze optiek heeft hij dan ook van zeer nabij, in een close-reading die ons heden nog met verbazing en verwondering vervult, onderzocht al wat zijn Indische, Chinese of Japanse voorgangers ooit gezegd hadden over de inhoud, de vorm en de uitwerking van de Nembutsu.

De neerslag van dit intense onderzoek vinden we in zijn hoofdwerk Kyō Gyō Shin Shō. Dit reusachtige werk van bij de 600 000 tekens werd waarschijnlijk in een eerste vorm gegoten in het jaar 1224, toen Shinran 52 jaar oud was en hij nog in de noordelijke provincies van Japan vertoefde. Maar het is duidelijk dat hij dit werk steeds is blijven aanvullen en bijschaven tot enkele jaren vóór zijn dood in 1262.

De bedoeling van de Kyō Gyō Shin Shō kennen we uit de woorden van de Shōnin zelf: aantonen dat zijn visie van de doctrine volkomen conform is met het geheel van de Boeddhistische traditie, ook in die punten waarover de gevestigde schriftgeleerden onvermijdelijk moesten struikelen (dat ‘struikelen’ had jaren tevoren de verbanning van Hōnen en van Shinran, en zelfs enkele terdoodveroordelingen uitgelokt!).

Ook het feit dat het werk in het Chinees opgesteld is, wijst overduidelijk op die bedoeling. Het Chinees was toen nog de academische taal van de literaten. Tot het lagere volk wendde men zich in het Japans. Men kan deze situatie vergelijken met de positie van het Latijn in onze Westerse wereld of die van het Sanskriet in India.

Men herinnere zich hierbij evenwel het feit dat de verkondiging van de Nembutsu-gedachte hoofdzakelijk onder de minder-geletterden begonnen was; dat Shinran van zijn verbanning in het Noorden gebruik had gemaakt om zijn opvattingen te verspreiden onder de boeren- en vissersbevolking en dat zijn trouwste aanhang jarenlang in die ondankbare streken vertoefde.

Met de opstelling in het Chinees van dit polemisch werk, viseerde hij dan ook de intellectuele priesterklasse van de kloosters van Nara, van Hiei-zan en van Koya-san. Meteen ook de elitaire strekking van het hof-Boeddhisme.

Niet dat Shinran een sociaal agitator was: zijn activiteit is enkel spiritueel. Maar hij was afgestapt van de opvatting dat de Leer van de Boeddha enkel binnen het bereik van de ‘wijzen’ en van de ‘begaafden’ lag. Zijn Boeddhisme was een Boeddhisme binnen het bereik van iedereen. En het is deze stelling die hij onderstreepte in zijn polemiek.

Het boek bestaat uit zes hoofdstukken, grotendeels bestaande uit citaten, omlijst door snedige persoonlijke samenvattingen en conclusies. De opeenvolging van de hoofdstukken verduidelijkt de religieuze gang en geeft een logische opeenvolging van stadia weer. Zo komt het dat de Kyō Gyō Shin Shō inderdaad geheel het ‘programma’ van Shinran omvat, waardoor hij

1 aantoont hoe hij volledig past in de Boeddhistische leer, maar ook

2 situeert in hoeverre hij apart is en in welke punten hij weet afgescheiden te zijn van de conventionele gedachten gang.

Deze zes hoofdstukken zijn achtereenvolgens 1) de Leer, 2) de Praktijk, 3) het Vertrouwen, 4) de Verwezenlijking, 5) de Ware Boeddha en het Ware Reine Land, 6) de Schijnbare Boeddha en het Schijnbare Reine Land.

Deze zes hoofdstukken staan in een zeer nauw verband met zes verschillende aspecten die men aan de Nembutsu toekennen kan.

Het eerste aspect is dat van de Nembutsu als vertegenwoordigend element, als samenbundeling van geheel het onderricht gegeven door de historische Boeddha Gautama zowel als door de talloze meditatieve Boeddha’s en Bodhisattva’s uit de Mahāyāna-Schriftuur.

Dit onderricht is mens-gericht. Het is immers de Boeddha zelf die tot de mensen gaat. De legende geeft dat goed weer in het verhaal van de eerste weken na de Verlichting van de Boeddha.

Op het overwegen van de moeilijkheid van zijn Leer, twijfelde de Boeddha eraan of het wel zin zou hebben zijn bevindingen uit te dragen tot de mensen. Dit met zijn goddelijk oog ziende, daalde Brahmā uit zijn hemel neer en smeekte de Verhevene zijn Leer toch bekend te maken voor het heil van de wezens. Waarop de Boeddha uit diep mededogen voor de wezens, de toestand van de mensheid onderzocht en besloot zijn Leer toch uit te dragen voor diegenen die slechts weinig stof op de ogen hebben. Ook overwoog hij daarbij de diverse mogelijkheden en middelen alle wezens elk naar hun aard en aanleg te onderrichten.

Hij wil zich daarom eerst begeven naar zijn vroegere leraars, maar die zijn overleden. Dan gaat hij naar de vijf metgezellen die hem in de steek gelaten hebben toen hij zijn zware ascetische praktijken opgaf.

(naar Majjhima Nik. 1,168)

 

Ook in de bekende parabel van de smalle weg tussen de twee rivieren, vermeld bij T’an-luan (opgenomen in ekō 14) gaat de roep tot de mensen uit van de Boeddha. Het is trouwens vanzelfsprekend dat vanaf het ogenblik dat gesteld wordt dat het Mededogen het dynamische aspect van het Boeddhaschap is, de werkzaamheid van de heilskracht van de Boeddha uitgaat en zich tot de mens richt.

Bovendien zijn alle scholen van het Boeddhisme dooraderd door de gelijkstelling van Boeddha en L    eer. Het verschijnen in ruimte en tijd van de historische Boeddha heeft slechts zin door het verkondigen van de Leer. Ook in de Pāli-kanon wijst de Boeddha erop dat na hem de Leer blijft.

De Mahāyāna-filosofie heeft deze consequentie tot een uiterste doorgetrokken en maakte van de leer zelfs het Absolute Lichaam van het Boeddhaschap (Dharmakāya).

Deze Dharmakāya is het onverwoordbare, vorm- en kleurloze, tijd- en maatloze, kenmerkloze (= lege, sūnya) lichaam van de Boeddha. Hier is de onpersoonlijke Boeddha meteen ook de Heilswetmatigheid geworden. Deze ‘kosmische’ wetmatigheid, omgezet in het menselijke, betrekkelijke systeem, is de Leer.

De Leer is immers de stem van de Boeddha. En de mens is geroepen om deze stem te beantwoorden. Eén vorm van dergelijke menselijke antwoorden op de lering ontsproten uit het Boeddhaschap drukt zich historisch (d.i. getransponeerd in een stelsel van tijd/ruimtelijke coördinaten) uit in de vloed van leerredenen, voorschriften, commentaren, interpreteringen en verhandelingen die alle als voorwerp de traditionele sūtra’s hebben. Dit menselijke antwoord stroomt zonder ophouden: zolang de mens heilsgedachten koestert, blijft deze vloed zich in menselijke termen uitdrukken.

De Nembutsu praktijk is het menselijke antwoord op de roep van de Boeddha.

Ekō 17
De Plaats Van Shinran Shōnin In Het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home