Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (4)

Gedatsu (bevrijding)

Sansk. vimoksa, Chin. chieh-t’o.

Verlossing, emancipatie, het bevrijd worden uit de kring van geboorte, lijden en dood (samsāra, sheng-ssu, shōji), uit onwetendheid en uit de hindernissen (klesa) om tot de Verlichting te komen. De bevrijding leidt naar de toestand waarin het wezen niet langer door dualistisch denken gebonden is, maar de dingen In hun absolute, ware natuur (zo-heid) ziet; vandaar dat gedatsu ook vaak gebruikt wordt als synoniem voor Nirvāna of Reine Land.

Gensō ekō (terugkeer-overdracht)

Zie ook ekō. Chin. huan-hsiang hui-hsiang.

De verdienste-overdracht in de “terugkeer”-modus: het terugkeren naar deze wereld van verdorvenheid (sahāloka) na het verwezenlijken van de Verlichting door de Geboorte in het Reine Land. Immers, naar de Mahāyāna-lering, rust de Volkomen Verlichte niet in zelftevredenheid in zijn nirvāna-toestand, maar keert hij in actieve vorm terug naar deze wereld van geboorte-en-dood om er te werken aan het heil van de andere wezens. Dit is bovendien een illustratie van de Mahāyāna-filosofie (Mādhyamika) van het overschrijden van het dichotomisch, discursieve denken: voor de Verlichte is nirvāna = samsāra.

Gi (werkzaamheid, zelfwerkzaamheid)

Deze term heeft verschillende bijbetekenissen: reden, zin, verrechtvaardiging, principe.

Shinran gebruikt gi om twee tegengestelde realiteiten aan te duiden:

(1)       de mentale, emotionele, volitionele werking van de onverlichte menselijke geest (beheerst door eigen-kracht = jiriki) om Amida’s Oorspronkelijke Gelofte te begrijpen; daarom kan de term hier weergegeven worden door ‘zelf-werkzaamheid’.

(2)       de grenzeloze werkzaamheid van Amida’s Oorspronkelijke Gelofte (aan de mens kenbaar als Ander-Kracht = tariki), die de met passies en verdwazing vervulde mens Wijsheid en mededogen ingeeft; opgevat als ‘ware werking’.

Zo komt het dat de paradoxale zin “mu-gi o motte gi to su”, die kan vertaald worden als “niet-werking is werking”, d.i. “geen zelf-werking is de ware werking’, inhoudt dat waar geen ego-gerichte activiteiten meer zijn, de ware werking van Amida’s Mededogen merkbaar wordt.

Gō (handeling)

Sansk. karma, Chin. Yeh.

Naar D. T. Suzuki, kan de Boeddhistische opvatting van de karma-wetmatigheid als volgt kort omschreven worden: elke handeling, in goede of in slechte zin, begaan of in de geest bedacht, blijft werkzaam, leeft potentieel of effectief in de wereld van denken en doen. Deze geheimzinnige morele energie is belichaamd in en emaneert uit elke daad, elke gedachte, elk gevoel. Wanneer de tijd er rijp voor is, ontkiemt deze virtuele daad en komt hij tot leven.

In de Reine Landscholen heeft zich de vraag gesteld hoe verklaard kan worden dat de werking van het karma opgeheven wordt door de Geboorte in het Reine Land. Het antwoord hierop kan op twee niveaus gegeven worden:

(1)       populair: het karma van de enkeling wordt overgenomen door Amida, door de totale spirituele overgave van de enkeling aan het Oneindige Mededogen. Het is dan een druppel water die bij de grote oceaan komt.

(2)       filosofisch: het karma is een samsarische wetmatigheid en zodoende enkel werkzaam In het bereik van geboorte-en-dood. Karma heeft geen nirvāna-aspect. Het karma is bijgevolg een relatief verschijnsel en in de meest strikte zin slechts een illusie (zie o.a. Nāgārjuna of Prajnāpāramitā-hridayasūtra; een andere illustratie hiervan is het probleem van ‘de geboorte der zangvogels’ in de Amida-kyō).

Sommige commentatoren hebben onderscheid gemaakt tussen:

- in-gō: begonnen karma, algemeen gevolg (soho), collectief karma (kyōgō);
- man-gō: vervuld karma, afzonderlijk gevolg (beppo), individueel karma (fu-kyōgō).

Toch wordt tussen beide geen fundamenteel verschil gezien. Zie ook akugō.

Go-gyaku (de vijf zware vergrijpen)

Sansk. panca-ānantarya-karmāni, Chin. wu-ni

De meeste oudere teksten geven de volgende lijst van vijf zware vergrijpen waardoor men onherroepelijk voor de hellenwereld bestemd wordt:

1. mātri-ghāta (gaimo): moedermoord
2. pitri-ghāta (gaifu): vadermoord
3. arhad-ghāta (gai-arakan): moord op een Arahant
4. samgha-bheda (hasō): onenigheid zaaien in de Gemeenschap
5. tathāgatasyântike dusta-citta-rudhirôtpādana (akushin shutsu Busshin ketsu): met kwade bedoelingen opzettelijk het bloed van een Boeddha doen vloeien.

In een latere tekst, die beslist van een clericalistische inslag getuigt, de Mahā-styaka-niganthaputra-nirdesāsūtra (Chin. Ta sa-che ni-kan-tzu so-shuo ching, Jap. Sassha Nikenji shosetsu kyō, in 10 delen, vertaald door Bodhiruci), vindt men volgende lijst:

1. het vernielen of verbranden van tempels, stupa’s, sutra’s, beelden
2. het belasteren van de Leer van de Çrāvaka’s, Pratyekabuddha’s en Mahāyāna
3. priesters of monniken beletten te pratikeren, of ze vermoorden
4. één van de vijf zware vergrijpen begaan
5. kwade handelingen verrichten zonder vrees voor vergelding.

Er dient aan herinnerd te worden in dit verband, dat het Christelijk begrip “zonde” geen gelijkwaardig Boeddhistisch equivalent heeft. Goed en kwaad zijn karmisch gebonden handelingen die heilzaam of onheilzaam zijn, d.i. leidend tot heiIzame of tot onheilzame gevolgen. Het nirvāna is echter de niet-dichotomische toestand, waarin noch goed noch kwaad kunnen bestaan en bijgevolg “zonde” als gebod of verbod, geen rol speelt. ‘Beloning van het goede’ en ‘bestraffing van het kwade’ liggen vervat in de karmische wetmatigheid, die een samsarisch verschijnsel Is.

De Grote Sukhāvatīvyūha-sūtra (Dai Kyō) vermeldt in de 18de Gelofte dat wie één van de 5 zware vergrijpen begaan heeft, uitgesloten is uit de Gelofte. Volgens T’an-luan (hierin gevolgd door Shinran) betekent deze uitsluiting een rem, een ernstige vermaning: wie deze vijf vergrijpen begaat, is in principe onbekwaam ware oprechtheid, onvoorwaardelijke overgave en verlangen naar het Reine Land in zich te ontwikkelen. Maar wie de zware vergrijpen begaan heeft en hun verdorvenheid inziet, die wordt wèl geboren, zij het maar op grond van de Meditatie-sūtra en van de Amida-kyō, waarin bevrijding en Geboorte ook voor de meest verdorven wezens beloofd wordt.

Gōhō (karmisch gevolg, vrucht van handeling)

Sansk. vipāka.

Elke handeling (karma) die we verrichten, zij het met het lichaam, in woord of in de geest, brengt automatisch haar specifieke gevolgen voort: ‘goede’ daden veroorzaken ‘goede’ vruchten, ‘slechte’daden verwekken ‘slechte’ vruchten. Het karma is werkzaam in de relatieve wereld van geboorte-en-dood, terwijl de Nembutsu de manifestatie is van het nirvanische (absolute) Boeddhaschap. Daarom staat de Nembutsu ook buiten de karmische wetmatigheid. In zekere zin echter worden karmische gevolgen a.h.w. gecompenseerd door de verdiensten inherent aan de Nembutsu.

Gojoku (de vijf verwordingen)

Sansk. pānca-kasāya, Chin. wu-cho, ook Jap. goshi, Chin. wu-tzu.

De 5 bevlekkingen, smetten, verwordingen, onreinheden zijn het die van de lijdenswereld een moeilijke omstandigheid maken om met enige kans op slagen de Boeddhistische praktijken te beoefenen met het oog op Verlichting. Deze morele, geestelijke en fysische verwordingen nemen toe met de tijd die verstrijkt t.o.v. het tijdstip waarop de historische Boeddha de Leer verkondigde.

Algemeen worden vijf volgende verwordingen vermeld:

1. kalpa-kasāya: verwording wat het tijdsgebeuren betreft (b.v. natuur     rampen, oorlog, hongersnood, enz.)
2. drsti-kasāya: verwording van het geestelijke inzicht betreft (b.v. het opkomen van complexe speculatieve filosofische systemen en nihilistische attitudes)
3. klesa-kasāya: verwording wat het zedelijk gedrag betreft (onwetendheid, vernielzucht, hoogmoed, minderwaardigheidscomplex, onoprechtheid e.d.m.)
4. sattva-kasāya: verwording van het fysische en psychische bestaan (b.v. vermindering van de lichamelijke en geestelijke capaciteit, neiging tot egoïsme, verwaarlozing van de andere wezens)
5. āyu-kasāya: verwording van het leven (b.v. groeiende ontevredenheid met het leven, het gevoel zijn bestaan nutteloos te leiden, enz.)

Deze vijf verwordingen zijn nauw met elkaar verbonden, vloeien in elkaar over, overlappen elkaar.

Gokuraku (Geluksland)

Sansk. Sukhāvatī

Gokuraku is de meest letterlijke vertaling van de Sanskriet-term, als aanduiding van Amida’s Boeddha-land (zie ook Anraku-koku). Werd als vertaling van sukhāvatī voor het eerst gebezigd door Kumārajīva in zijn vertaling van de Amida-kyō (begin 5de E.). De term wordt evenwel niet gebruikt in de aan Samghavarman toegeschreven vertaling van de Dai Kyō, die toch de meest gebezigde versie is (en determinerend in Jōdo-Shū en Jōdo-Shinshū). Shinran gebruikt deze term nergens buiten enkele citaten. Zijn voorkeur ging blijkbaar naar andere, krachtigere en beeldrijkere vertalingen, zoals Land van Vreugde (Anraku-koku), Reine Land (Jōdo), Land van Vrede (Annyō), Land van Onmetelijk Licht (Muryō Kōmyō Do). Toch is Gokuraku een zeer populaire term geworden, die in heel wat Chinese en Japanse spreekwoorden voorkomt.

Gomon (vijf poorten)

Chin.: wu-men. Ook gonen-mon (Chin. wu-nien-men).

Deze vijf poorten zijn de praktijken waardoor de gelovige zich Geboorte in het Reine Land kan verzekeren, zoals vermeld in Vasubandhu’s “Verhandeling over het Reine Land” (Jōdo-ron, Chin. Ch’ing-t’u lun), werk dat hoofdzakelijk geïnspireerd is op de Dai Kyō. Hōnen stelde dit werk voor als canoniek voor de Reine Landschool; ook T’an-luans commentaar op de Jōdo-ron werd door Shinran hoog aangeslagen.

De vijf praktijken zijn:

1. (li-pai, raihai) - het toevlucht nemen in de Boeddha van het Onmeetbare Licht: de Poort van Huldiging, gemanifesteerd in de buiging vóór het Boeddhabeeld, devotiehandeling van het lichaam.
2. (tsan-t’an, sandan) - het luidop prijzen van de Boeddha: de Poort van de Lofbetuiging, gemanifesteerd in het uitspreken van Boeddha’s Naam, devotiehandeling van de mond.
3. (tso-yüan, sagan) - het verlangen naar de Geboorte in het Reine Land: de Poort van het Streven, gemanifesteerd in de gemoedsattitude, een geesteshouding.
4. (kuan-ch’a, kanzatsu) - de beschouwing van Amida en zijn Reine Land: de Poort van de Meditatie, de geestesconcentratie ter verwerving van inzicht en wijsheid.
5. (hui-hsiang, ekō) - de overdracht van de verdiensten: de Poort van het Grote Principe, de praktijk van mededogen ten gunste van alle wezens.

Als ‘vruchten’ van deze vijf poorten vermeldt de tekst:

1. de Toegang (tot de Verlichting, zonder terugvallen in de onwetendheid)
2. de Vergadering vervoegen (nl. die van de wijzen en verlichten)
3. het Binnentreden in het huis (de rust en de vreugde terug thuis te zijn)
4. het Zitten in de kamer (alsof men nooit was weg geweest)
5. het Spelen in de tuin (de terugkeer naar de wereld van lijden en onwetendheid, om alle wezens te bevrijden in volkomen vrijheid van geest en werking).

Gonke (de geïncarneerden)

In de algemeen-Boeddhistische optiek (b.v. in Saddharmapundarīka-sūtra) slaat de term terug op het oneindig aantal verschillende vormen die de Boeddha aanneemt om de Leer te verkondigen aan de ontelbare diverse wezens met de bedoeling ze te bevrijden uit hun onwetendheid.

Shinran gebruikt deze term echter meer speciaal (gonke no nin = uit mededogen geïncarneerd, zie o.a. het voorwoord van Kyō Gyō Shin Shō) voor de personages betrokken bij het koninklijke familiedrama te Rajagriha (Devadatta, Vaidehī, Ajātasatru, Bimbisāra) dat de aanleiding wordt tot de Meditatie-sūtra. Zij vervullen elk een rol die aan de basis ligt van de verkondiging van Amida’s heiIsweg. Die protagonisten van het verhaal, geklemd in de greep van hun karmische erfenis, worden er tot geschikte middelen om Amida’s Mededogen aan de wereld te verkondigen: zo worden ze de ‘geïncarneerden” in de zin dat ze door hun bestaan zelf tot manifestaties van het Grote Mededogen worden.

Ekō 18
Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home