Editoriaal - Amida: De Aanwezigheid

Vaak wordt de vraag gesteld, wie of wat die Amida dan toch wel is.

Het is dan goed te proberen een aanvaardbare, rationele, slikbare definitie uit te dokteren. Maar het is en blijft toch moeilijk uiteen te zetten dat Amida in feite geen “wezen”, geen “zijn” is, zelfs geen absoluut zijnde.

Boeddhistisch bekeken is immers ook het begrip “zijn” slechts een voorlopig, relatief begrip.

Maar als Amida dan geen “zijn” is, wat “is” hij dan?

Feitelijk is, filosofisch gezien, de vraag naar een “zijn” van Amida een betekenisloze vraag. Die vaststelling zal allicht niemand tevreden stellen…

Men heeft bovendien goed te stellen dat Amida eigenlijk zoiets is als een “kracht”, iets als een “kosmische energie” die spontaan, uit zichzelf, natuurlijk en noodzakelijk (in het vakjargon van de filosofen) werkzaam is… zowat de totaliteit, de resultante van alle heilzame krachten die van de dingen en de wezens uitgaan,… de Verlichting zelf, het nirvāna… toch blijven al die bepalingen en omschrijvingen zowat staan aan de rand van hetgeen waarover het eigenlijk gaat. En die definities, die benaderingen zeggen toch niet rechtstreeks iets dat ons in ons diepste wezen kan roeren.

Dat is een probleem waarmee de ernstige Boeddhist vaak jaren te worstelen heeft. Soms wordt het “begrijpen van Amida” een soort koan, een probleem zonder ‘normale’ oplossing dat men in de Rinzai-Zen-school gebruikt om het intellect er zijn tanden op te laten stukbijten.

Amida is als begrip erg moeilijk te benaderen; het komt ons voor als iets mysterieus, onvatbaars, verreweg, ontzettend intellectueel.

Maar in de dagelijkse realiteit der dingen, waar zit die Amida (god? Wezen? droom? boeddha? energie? concept? fata morgana? absolute essentie? Verlichting?) dan wel?

En hoe komt het dat de heiligen uit de Jōdo-Shinshū-traditie, die dwaze eenvoudige zielen die de myōkōnin zijn, het altijd maar over Amida hebben, als was hij de vader des huizes, de buurman (‘het Reine Land is de deur naast de mijne’…), die ander-ik steeds zo nabij-nabij dat je zijn smaak op je lippen proeft…

Namu Amida Butsu
is altijd met mij en ik met hem

zelfs bij ‘t werk Namu Amida Butsu
zelfs bij ‘t schrijven van rekeningen
Namu Amida Butsu

(Saichi Asahara)

Proberen we dan maar het zo te stellen dat Amida, die toch het Oneindige Boeddhaschap is, intellectueel gezien weliswaar ver-af, in het schier onbegrijpelijke, subtiele, sublieme, voor ons voorlopig althans nog onvatbare gehuld is, - maar dat hij religieus ervaren (en zeker voor de shinjin-mens ook emotioneel, existentieel) heel, heel nabij is, niet af te scheiden van de lijdende, verdwaasde, zondige wezens die we zijn.

In deze optiek is Amida dan ook het ware “positieve”, hij is de wereld van het licht, de heilspresentie die zich actualiseert in Namu Amida Butsu.

En laten we aannemen dat hij als ‘Boeddha Amida’ erg ver van onze begripswereld verwijderd is, als ‘Namu Amida Butsu’ is hij DE aanwezigheid bij uitstek.

Het is immers deze aanwezigheid die wij beleven in de Naam Namu Amida Butsu.

Deze Naam tot klank geworden is het vlak waar het menselijk relatieve (samsāra , de lijdenswereld) in aanraking komt met en één wordt met het ‘absolute’ van de Uiteindelijke Verlichting (nirvāna). Deze Verlichting is immers niet een statische toestand, maar een dynamiek.

De Naam bij uitstek is het nirvāna dynamisch gemanifesteerd (hōben hosshin: het dharma-lichaam als geschikt middel om het heil tot de wezens te brengen).

Zo is Boeddha’s positieve aanwezigheid vanaf het beginloze begin van de tijdloze tijd aanwezig in elk wezen. Ze welt in ons op als vanuit een diepliggende bron, dŕŕr waar het “ons” onmerkbaar overgaat in het “andere”, dat buiten ons tijdruimtelijk denken ligt. Daarom spreekt men ook van de “Ander-Kracht” als zijnde de heilswerkzaamheid die van nature uit in elk wezen actief is.

En vanuit die diepe bron in ons, die we de “Ander-Kracht” noemen, komt Namu Amida Butsu als een gedachte, als een gelispel of als een kreet in onze dagelijksheid.

Eenmaal geworden tot actualiteit van ons bewuste bestaan, overstraalt Namu Amida Butsu elk moment van vreugde of van lijden. En zo wordt Namu Amida Butsu het teken van de grote aanwezigheid.

In en met Namu Amida Butsu is de mens nooit meer eenzaam, nooit meer hopeloos en radeloos verlaten. Want Amida “omvat en laat nooit meer los”, zoals Shinran Shōnin het zo vaak gezegd heeft.

Maar om geheel in het licht van Namu Amida Butsu te baden, moet de mens zijn eigen pietluttige berekeningen opgeven, de aanwezigheid beamen, er “ja!” tegen zeggen, die aanwezigheid voor zich en voor de anderen “waar” maken, zich eraan overgeven.

Deze overgave is shinjin. En vermits het niet gemakkelijk is afstand te doen van de eigen vooroordelen en twijfels, ligt die overgave niet zo maar voor het grijpen… Of beter gezegd: ze ligt wčl zomaar voor het grijpen, maar wij grijpen ze niet omdat we menen beter te weten…

De Ander-Kracht is niet het in alles maar berusten of alles zijn gang maar laten gaan. De Ander-Kracht leidt ons tot een positieve, besliste houding in het leven, tot een opnemen van zijn dagelijkse verantwoordelijkheden.

Met Namu Amida Butsu krijgt het dagelijkse een andere zin. De heilsaanwezigheid van de Boeddha wordt immers elk moment opnieuw gerealiseerd in de positieve houding van de mens.

Ekō 20

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home