Hoe De Boeddha Het Zag (12)

De Vier Kenmerken

Om een goede benadering bij het vatten van de ware zin van ons bestaan mogelijk te maken, heeft de Boeddha natuurlijk gebruik moeten maken van een serie begrippen en termen, waarvan de ene voor ons klaarblijkelijk zijn en dus niet veel problemen opleveren; maar er zijn er andere bij die slechts na een zekere intellectuele inspanning en zeker na een degelijke emotionele in-leving, kunnen doorgrond worden.

Eigenlijk is niets van dit alles “moeilijk” op zichzelf. Men mag niet zeggen dat het gaat om erg ingewikkelde gedachtegangen. Alles is “in zich” doodeenvoudig. De ingewikkeldheid berust niet in de Leer, maar in de geest van de mens. Deze is complex, polyvalent, onberekenbaar, wispelturig. Kan men deze ingewikkeldheid van de geest overkomen, dan ontdekt men plots dat de Leer van de Boeddha zéér zéér eenvoudig is, als een mooi landschap dat zich in het licht uitstrekt, dààr waar even tevoren onze geest zijn mist erover geworpen had. Of beter nog: we bekeken dat landschap eerst met een bril die we bedompt en vuil gemaakt hadden; is de bril schoongemaakt, dan kunnen we in alle eenvoud de schoonheid van het landschap bewonderen.

Daarbij komt dan ook nog dat de lering van de Boeddha vaak inspeelt op diverse niveaus tegelijkertijd. Bij een oppervlakkige beschouwing, heeft men soms de indruk dat er tegenstrijdigheden oprijzen. En met dergelijke tegenstrijdigheden blijft men dan worstelen, totdat men de aard van het “andere” niveau door heeft.

Meestal is de leiding van een goed leermeester noodzakelijk om die sprong van het ene niveau op het andere te kunnen doen zonder de benen te breken. Het komt hierdoor dat men meemaakt dat zoveel mensen die het Boeddhisme enkel uit een boekje kennen, er zo vaak verkeerde opvattingen op na houden, zelf al staan ze er ontzettend sympathiek tegenover en noemen ze zichzelf wel “Boeddhist”.

Uit de in het Boeddhisme frequent gebruikte termen, nemen we er vier die men gebruikt om de kenmerken van het bestaande te omschrijven. Deze vier begrippen moeten ons dan ook een inzicht geven op de Boeddhistische denkwijze. Ze zijn een soort van sleutels, waarmee we de ware aard van het leven en van het levende weer wat beter kunnen ontsluiten:

A. ANITYA (Pāli: aniccā): veranderlijkheid
B. ANĀTMAN (Pāli: anattā): niet-eigenheid
C. DUHKHA (Pāli: dukkhā): lijden
D. NIRVĀNA (Pāli: nibbāna): uitdoving.

Een opmerking die we tevoren al maakten, moet ons nu zeker terug voor ogen blijven. Deze vier kenmerken staan niet afgezonderd, maar zijn alle vier zeer innig met en in elkaar vervlochten. Ze vloeien op natuurlijke wijze in elkaar over, overlappen elkaar en zijn niet zonder elkaar te denken.

Zonder al te diep of meer dan absoluut noodzakelijk op die samenhang in te gaan - want dat zou ons kunnen afleiden tot overbodige filosofische bespiegelingen - , is het opvallend dat de laatste twee vermelde kenmerken alleszins erg tegenstrijdig schijnen!

Dat alles veranderlijk is, vindt zijn oorzaak in het feit dat alles oneigen is. Die universele veranderlijkheid staat in onvermijdelijk conflict met onze zelf-waardering, die maar een zelf-begoocheling is maar die ons aanzet de niet-eigenheid psychologisch niet te aanvaarden. Deze weigering is de bron van het lijden. Maar de wereld van het lijden is echter in essentie niet verschillend van de wereld van het leedloze dat nirvāna is. Het is immers onze levenshouding die het onderscheid schept. Verwerkelijkt onze geest echter de Verlichting, dan ziet hij het leven niet meer als lijden, maar als het leedloze heil, de uitdoving van het lijden, het nirvāna.

Dat is heel in het kort een samenvatting van al hetgeen we hiervóór gezien hebben. Het verschaft ons meteen ook een schema dat we kunnen gebruiken om de afzonderlijke kenmerken in de kijker te nemen. Maar we moeten er altijd aan denken dat het slechts om een schema gaat, waarin we ons beperkt, relatief woordgebruik moeten toepassen om zaken die verder gaan dat een woorden-waarheid uit te drukken en bijgevolg ontoereikend zijn.

A. Veranderlijkheid

In de vorige hoofdstukken hebben we al rijkelijk over de vergankelijkheid gesproken: vergankelijkheid van de wezens, vergankelijkheid van de dingen, vergankelijkheid van de verhoudingen tussen wezens en dingen onderling.

Toch gaan we dat woord “vergankelijkheid” nu niet meer zo vaak gebruiken. Het is immers een woord dat ons hoofdzakelijk doet denken aan ondergang, vergaan, vernietiging, verdwijnen. En deze zienswijze is voor ons verder gebruik veel te beperkt geworden… Het is natuurlijk waar: we worden de veranderlijkheid der dingen en wezens rondom ons het scherpst gewaar wanneer we in onze omgeving onze mede-wezens zien ten onder gaan. Een sterfgeval in het gezin b.v. is voor elk van ons een wreed voorbeeld van ondergang, van vergankelijkheid.

Maar we moeten dan toch niet vergeten dat, in Boeddhistische zin, er geen vergaan is, maar wèl een veranderen!

Het overkomt ons wel eens dat we de indruk hebben eindelijk iets gevonden te hebben dat boven de vergankelijkheid staat. Bekijken we deze “vondst” dan maar van dichterbij: we kunnen niets anders dan vaststellen - als we eerlijk en oprecht met onszelf zijn! - dat we ons deerlijk vergist hebben. Soms ook klampt men zich, tegen beter weten in, aan zo’n idee vast: dat geeft een tijdje troost en helpt ons ook weleens over een moeilijk moment heen.

Veranderlijkheid is dan ook een welgekend thema uit alle beschouwingen en bespiegelingen - en niet alleen bespiegelingen van religieuze aard. Elke cel van ons lichaam wordt per seconde samengesteld en ontbonden; ze vernieuwt zich onophoudelijk en ze veroudert zonder verpozen. En of dit nu om de zeven jaren is zoals de volksmond zegt, ofwel om de secondefractie zoals de biologie het ons zegt, - dàt speelt heus geen rol.

Het lichaam als geheel heeft een beperkt bestaan dat vanaf het ogenblik van de conceptie onherroepelijk bestemd is om ten onder te gaan. Het verval, het verouderen begint reeds als we nog een foetus zijn, beweren sommige geriaters. Of dit lichamelijk inderdaad zo is, weet ik niet. Maar ik kan welstellen dat de veroordeling tot vergaan, tot ziekte, ouderdom en dood steeds virtueel aanwezig is.

Daar waar leven is, daar is potentieel ook het niet-leven, d.i. de dood en geheel zijn stoet van lichamelijk verval, mee aanwezig. We leven met de dood.

Onze hedendaagse beschaving (? Is dat woord wel juist?) wijst de dood af, weigert het gezelschap van de dood in het leven te zien, speelt struisvogelpolitiek met de dood. Onze stervenden worden verbannen naar sterfhuizen, waaraan men weliswaar fraaiere namen geeft. Wie zegt aan de dood te denken, wordt met de vinger gewezen; met de dood naast zich leven, wordt als waanzin bestempeld. Men moet “leven”! Evenzo verwerpt men de ouderdom, de mond vol over “derde” of “vierde leeftijd”, alsof die benaming er iets aan verandert…

En ver van de eerbied die de vroegere culturen aan de hoge leeftijd betuigd hebben als aan “wijzere mensen”, wordt ouderdom als een schaamte ervaren. En toegegeven: welke eerbied kan het oudje opbrengen dat na x liftings en ontelbare (kostbare) uren schoonheidssalon wil ronddartelen als een 17-jarig fris ding?

En ons leven duurt zo luttel weinig: iets meer dan 70 jaar als alles goed gaat en we passen in het statistische patroon. En zelfs honderd jaar is maar weinig.

Men sterft altijd te jong. Maar een boom heeft soms de kans langer te leven, - of een gebouw, of een berg, een zee, een zonnestelsel.

En de liefde? Elk liedje zingt van eeuwige trouw. Maar de liefde duurt zelden iets langer dan het korte moment van orgasme. De tederheid kan soms wat langer duren, hoewel het dan aleens moeilijk wordt uit te maken wat echt tederheid en wat gewenning is.

De tijd van de onbezorgde jeugd (bestaat dat, een onbezorgde jeugd?) is maar kort. De ouderdom kent al te goed zijn onvermijdelijke begrenzing.

Er zijn monumenten die de eeuwen al getrotseerd hebben. Men wijst op de piramiden. Maar de piramiden hebben heel wat van hun oorspronkelijke glans verloren. Het marmer van het Parthenon wordt weggevreten door de walmen van de menselijke samenleving en haar technieken. Werelddelen rijzen uit de zee, verschuiven en verzinken weer, net als de kleinst denkbare deeltjes van elke materiële structuur. Er worden hemellichamen geboren, andere ontploffen en laten in het heelal zwarte gaten achter.

En hierbij hebben we ons beperkt tot heel concrete, reinstoffelijke zaken. Ons lichaam, zei de Boeddha, is nog wat ons het meest en langst blijvende schijnt. De rest: wat we ziel of geest of gemoed noemen, is dat niet nog méér veranderlijk? We beschikken in ons bewustzijn over een functie die probeert alles nog aaneen te lijmen: het geheugen. Maar ook dat is zo subjectief, zo wispelturig, zo onbetrouwbaar... en vooral: het speelt uit eigen-belang het spel van de zelf-begoocheling mee.

Ons karakter, onze houdingen, onze opvattingen, onze gedragingen, zijn die soms niet veranderlijk? Neem onze gedachtegang: hoelang blijven we bij éénzelfde gedachte stilstaan? Is de gedachtegang niet als een wild ratelende razende motor die in het (schijnbaar) wilde de ene gedachte naar de andere op ons afvuurt?

Zelfs wat men een “obsessie” of “idée fixe” noemt is slechts een warboel van beelden die voorbijflitsen.

Springt ons bewustzijn niet van de éne gedachte op de andere, van de hak op de tak, zoals ons oud volksgezegde dat treffend weergeeft. Of zoals de Boeddha het zei: als een bende apen die van de ene boom op de andere, van de ene tak op de andere rondspringen, ongeordend, onophoudelijk?

Of zijn we er met onze gevoelens beter aan toe? Zit er daar niet wat blijvends is? Hoe aandachtiger we onze uitingen, verschijningen, expressies, emoties onderzoeken, hoe beter we pogen dat onderbewuste van ons open te leggen, des te sterker ervaren we dan kenmerk van de veranderlijkheid van de wezens en van de dingen.

Een eenvoudige test, die we dagelijks proberen te herhalen:

In onze omgeving zoeken we een vaste plek uit, waar we geregeld langskomen: een boom, een straathoek, een bushalte. Of binnen in onze woning: een schakelaar, een deurklink, eet stopcontact, een warmwaterkraan.

Telkens we aan die uitverkoren plek voorbijkomen of dat uitverkoren voorwerp aanraken, kijken we eventjes in onszelf. En we vragen ons stilletjes af of we de vorige keer (gisteren of zoëven, dat speelt geen rol) in ons net hetzelfde gevoel gevoeld hebben als nu? Net dezelfde wil, dezelfde wens hadden als nu?

Onoga jiji

Oh! De vreugde zich zo gezegend te voelen

Minori ni aeru

door zo’n diepe leer!

Yorokobi o

laten we toch proberen die aan anderen

Yo no hate mademo

mede te delen

Tsutae yukanan

tot aan het uiteinde van de wereld

 

(Mevr. Yoshiko Ohtani)

 

Ekō 21
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home