Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (5)

Gon-Kyō (aangepaste leer)

Leringen aangepast aan de individuele behoeften en verschillende begripsniveaus.

Gezegd wordt dat de Boeddha 84 000 verschillende vormen van gon-kyō zou verkondigd hebben, telkens aangepast aan de spirituele vermogens van de toehoorders. Deze “aangepaste leringen” staan tegenover de “ware leer” (shin-gyō) die de rechtstreekse uitdrukking van de Dharma is, nI. de leer van de Voortijdelijke Gelofte.

Volgens Shinran Shōnin zijn Hīnayāna en de traditionele Mahāyāna-doctrines gon-kyō doordat ze beroep doen op menselijke inspanning; enkel Jōdo-Shinshū is het “ware onderricht”. Het drukt de waarheid direct uit.

In Mattōshō, 1 geeft Shinran Shōnin een lichtelijk andere benadering van deze term: “Al deze leringen (nI. van Hīnayāna en Mahāyāna) zijn leringen van het Pad der Wijzen. Aangepaste leringen zijn die, welke de boeddha’s en de bodhisattva’s die reeds het boeddhaschap verwezenlijkt hebben, verkondigen doordat ze zich tijdelijk manifesteren in diverse gestalten; dat is de betekenis van “aangepast”.

Goshō (de vijf famiIies)

Sansk. panca-gotrāni.

Volgens de traditionele Mahāyāna (vooral Hossō), de 5 groepen van voelende wezens, ingedeeld volgens hun mogelijkheid en geschiktheid de Verlichting te verwezenlijken. Het zijn:

1. de Toehoorders (Srāvaka) of volgelingen van het Kleine Voertuig
2. de Pratyekabuddha’s of Boeddha’s-voor-zichzelf
3. de Bodhisattva’s
4. de “onbepaalden” (fujō-shō)
5. de icchantika’s (Jap. issendai, zie aldaar) die niet de minste mogelijkheid hebben de Verlichting te verwezenlijken en bijgevolg door hun eigen daden gedoemd zijn in samsāra te blijven ronddolen.

In navolging van de Mahāparinirvāna-sūtra en voortbouwend op het commentaar van Shan-tao, is Shinran Shōnin ervan overtuigd dat alle wezens redbaar zijn, ook de issendai, vermits de Gelofte-Kracht ongehinderd werkzaam is en dat zelfs geen boze daad of geen enkel ongunstig karma deze werkzaamheid kan opheffen. Shinran onderlijnt zelfs dat de Nembutsu-leer meer speciaal voor de issendai verkondigd werd.

Go-Shō-Gyō (de vijf juiste praktijken)

Shan-tao vermeldt vijf praktijken die leiden tot Geboorte in het Reine Land:

1. het reciteren van sūtra’s
2. de contemplatie van Amida en zijn Reine Land
3. het hulde brengen aan Amida
4. het uitspreken van Amida’s Naam
5. de innerlijke verering van Amida

1, 2, 3 en 5 zijn bijkomende handelingen (jogō); enkel 4 is de “handeling van ware verzekering” (shōjōgo).

Gu-gan (universele gelofte)

Volgens Shan-tao (Hsüan-i fen, Jap. Gengibun, eerste boek van Commentaren op Meditatie-sūtra): “Door gugan wordt bedoeld dat alle gewone wezens, ongeacht hun goed of slecht zijn, op gelijke wijze de Geboorte in het Reine Land deelachtig worden; dit is uitsluitend te danken aan Amida Buddha’s Grote Gelofte, die als noodzakende oorzaak (zōjō) werkzaam is.”

Welke van de 48 de eigenlijke “universele gelofte” is, wordt niet eensgezind beantwoord. Volgens één Jōdo-school (Jōdo-Chinzei-shū) is het de samengang van de 18de, 19de, 20ste en 35ste Geloften; volgens de Jōdo-Seizan-shū, eveneens een Jōdo-school, is het enkel de 18de Gelofte. Vermits naar de Jōdo-Shinshū alle geloften culmineren en bevat zijn in de 18de Gelofte, stelt deze vraag zich eigenlijk niet.

In KGSS VI, stelt Shinran Shōnin dat “De Grote Sūtra meer bepaald de leer van de Poort van de universele gelofte is”.

Gushin (dwaas persoon)

Teken van nederigheid, over zichzelf sprekend. Shinran Shōnin betitelt zich zo in Tannishō II. Hij zou gu gebruikt hebben om de diep in de mens wortelende onwetendheid (mumyō) aan te duiden. Dit levert een sleutel tot Shinrans opvatting van de mens en diens onwetendheid en onwaardigheid.

Gutoku (onwetende kaalkop)

gu: dwaas, onwetend, ongeletterd

toku: kortharig, kaal; term gebruikt voor mensen die uit de maatschappij uitgestoten zijn, paria’s.

Naam door Shinran aangenomen na zijn verbanning in 1207. Door zichzelf met aandrang en geheel zijn verder leven lang Gutoku te noemen, geeft Shinran uitdrukking aan het diepe besef van zijn fundamentele onwetendheid, zijn onwaardigheid, zijn begrenzingen. Maar tevens is het een uitdrukking om zich geheel over te plaatsen in Amida’s onbegrensde Licht. Dit benadrukt hij door bij zijn naam de titel Shaku (lid van de clan van de Shakya’s, volgeling van Shakyamuni Buddha). Deze paradoxale samenvoeging omlijnt Shinran’s religieuze positie.

Gyō (praktijk)

Sansk. caryā , Ch. hsing.

In tegenstelling tot de meeste religieuze tradities die nadruk leggen op “geloof” onder de vorm van dogma’s, beschouwt het Boeddhisme de “praktijk” d.i. de realisering van de Leer in het dagelijkse leven, als de eerste noodzaak voor de Verlichting. In het Mahāyāna-Boeddhisme wordt de religieuze praktijk beschreven in 4 fases:

1. het vertrouwen in de geldigheid van een onderricht;
2. het intellectuele begrijpen van de inhoud van het onderricht;
3. de eigenlijke beoefening, waardoor de praktijk geïntegreerd wordt in het bestaande;
4. het verwezenlijken van de Verlichting.

Men onderscheidt doorgaans twee types van praktijken:

a) de meditatieve praktijken omvatten alle vormen van meditatie en concentratie (b.v. lotushouding, mantra’s, visualiseringen van mandala’s, bodhisattva’s, boeddha’s, godheden, andere denkconstructies, enz.

b) de niet-meditatieve praktijken: het volgen van ethische voorschriften (sīla), het houden van erediensten, het verrichten van rituelen, enz.

Welgekende vormen van Boeddhistische praktijken zijn o.a. het Edele Achtvoudige Pad, de Zes Pāramitā’s, samatha- en vipasyanā-meditaties, koan, zazen, enz.

Jōdo-Shinshū verschilt niet van de andere vormen van Boeddhisme door het benadrukken van de centrale noodzaak van een volgehouden praktijk. Toch wordt de “eigen-praktijk” beschouwd als zijnde onvermijdelijk bevlekt door driften en onwetendheid, die aan de basis van het bestaan liggen, zodat deze aanpak van de praktijk niet tot de Verlichting kan leiden.

Het Boeddhaschap kan enkel verwezenlijkt worden door de Wijsheid/Mededogen van de Voortijdelijke Gelofte. Bijgevolg is de “ware praktijk” die van het Boeddhaschap zelf (onder de mythische gestalte van Dharmākara Bodhisattva, zie Hōzō Bosatsu) belichaamd in de Gelofte en haar werkzaamheid.

Wat betreft de opvatting van de praktijk (nl. op welke wijze Amida’s praktijk de praktijk van de volgeling wordt), kent het Reine-Land-Boeddhisme een evolutie die zich over vele eeuwen uitstrekt. Strakkere vorm kreeg deze opvatting door Shan-tao; hij benadrukte de inbreng van het reciteren van de Naam als zijnde de heilshandeling bij uitstek vermeld in de 18de Gelofte, die hij interpreteert op basis van de Meditatie-Sūtra.

Hōnen breidde Shan-tao’s opvatting verder uit en beklemtoonde de Nembutsu als énige, uitsluitende en uitverkoren praktijk.

Shinran verheldert de natuur van de Nembutsu verder en noemt het reciteren van de Naam de ‘Grote Praktijk’, niet als praktijk van de volgeling, maar als de Praktijk die door Dharmākara (d.i. Amida in zijn oorzakelijke vorm) reeds vervuld werd. “Deze praktijk omvat dus alle praktijken; ze is volmaakt en doeltreffend in het opwekken van de Geboorte; daarom wordt ze de Grote Praktijk genoemd” (Jōdo Monrui-jushō). Voor Shinran is het uitspreken van de Nembutsu door de volgeling niets anders dan Amida’s werkzaamheid in zijn gemoed. De Nembutsu wordt hierdoor de manifestatie van de Kracht van de Voortijdelijke Gelofte, vervuld en belichaamd in Dharmākara’s praktijk.

Gyō als Nembutsu is dus zeker geen invocatie, want Namu Amida Butsu omvat geheel het leven in zijn onophoudelijk worden. Dat verklaart waarom D. T. Suzuki in zijn vertaling van KGSS,”gyō” vertaald heeft als “living”; in zijn visie is de “Grote Praktijk” de absolute daad en de werkzaamheid bij uitstek van Amida.

In Tannishō IX, 1 zegt Shinran: “De Nembutsu is voor de beoefenaar “niet-praktijk” (hi-gyō) en “niet-werk” (hi-zen). Het is doordat hij niet beoefend wordt uit eigen berekening (hakarai) dat hij “niet-praktijk” wordt genoemd.”

Gyōja (beoefenaar)

Sansk. ācārin.

Wordt gebruikt in diverse betekenissen wat het toepassingsgebied betreft. Zo komt het woord in volksgebruik voor als ‘zwerfmonnik’, ‘asceet die in de bergen leeft’, enz.

Deze term wordt vaak door Shinran gebruikt, b.v. als shinjin-no-gyōja (‘de beoefenaar van de diepe overgave’), of nembutsu-no-gyōja (‘de beoefenaar van de Nembutsu’), om te beklemtonen dat het domein van de religieuze praktijk het dagelijks leven is, vol plichten, rechten, verantwoordelijkheden, persoonlijke en sociale bindingen, emotionele en lichamelijke roerselen en alle problemen die oprijzen uit de poging een ‘goed’ leven te leiden. In deze wereld leeft de gyōja niet beheerst door eigen plannen en berekeningen, maar geheel binnenin de werking van de Ander-Kracht.

Ekō 21
Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home