Bondig Verslag Van Sh. Shitoku’s Wonderbare Japanreis - (vervolg en voorlopig slot)

Dinsdag 21/09/82 zou beslist één van de hoogdagen van Sh. Shitoku’s Japanreis worden. Het programma vermeldt immers een receptie in de gloednieuwe gebouwen van de Ryukoku Universiteit. De oude behuizing, vlak bij de Nishi Honganji, dus in het oudste stadsgedeelte van Kyoto, is te nauw geworden en daarom werden in een voorstad ruime, moderne gebouwen opgetrokken. Puristen zullen wel klagen dat het erg aandoet als Amerikaanse architectuur…

Deze plechtigheid werd ingelegd ter gelegenheid van het verslag dat Zenmon Kosho Ohtani zou uitbrengen over zijn reis in Europa en de actuele situatie van Jōdo-Shinshū in dit werelddeel.

Daar Zenmon eraan hield dat beide voorziene sprekers op hetzelfde ogenblik en tezamen op Ryukoku zouden aankomen (dat is iets van Japanse etiquette), ontbood hij Sh. Shitoku vooraf in zijn privé-vertrekken, om daarvandaan samen per luxe-slee naar Ryukoku te gaan. De nieuwe gebouwen zijn weelderig, naar Sh. Shitoku’s mening wat tè weelderig, maar dat moet je d’r bij nemen!

De Zenmon werd er opgewacht door een schare prominenten van Ryukoku en andere universiteiten. Sh. Shitoku, veilig in de schaduw van zijn Ere-Hoofdabt, mocht in die eer delen, wat zijn reeds labiele bescheidenheid eens te meer een forse deuk gaf.

Het talrijke publiek luisterde met gespannen aandacht naar de uiteenzetting van de Zenmon. Aan de hand van slechts enkele nota’s, schetste deze het ontstaan en de evolutie van de Jōdo-Shinshū in Europa, vanaf de eerste pogingen van Rev. Harry Pieper in 1956, via de S.B.A. in Groot-Brittannië, Jikō-ji Antwerpen, de 1ste en 2de Europese Shin-Conferenties, tot en met de inauguratie van twee tempels in Zwitserland (Shingyō-ji te Genève en Nembutsu-An te Rougemont).

Daarna was het de beurt aan Sh. Shitoku, met een uiteenzetting over de fundamentele verschillen tussen Christendom en Boeddhisme. Deze academische lezing werd in het Engels gehouden, vermits de grote meerderheid van de aanwezigen een voldoende kennis van deze taal had. Na dit academische gedeelte, volgde de eigenlijke receptie, met een merkwaardig rijk Japans buffet. Sh. Shitoku had er het genoegen meerdere van zijn ex-professoren te ontmoeten, wat hem ten zeerste ontroerde; helaas bleek het aantal aanwezigen zo groot en de drukte zo intens, dat het moeilijk was tot uitgebreide gesprekken te komen. Dat is nu eenmaal het onheil verbonden aan recepties, in Japan zowel als in Europa of elders. Toch was het prettig kennismaken met boeddhologen van aanzien, zowel uit Japan, India als elders. Boeiend was alleszins het gesprek met Monshu S. S. Kibe, hoofdabt van één van de kleine Jōdo-Shinshū obediënties naast de twee grote (Nishi Honganji en Higashi Honganji). S. S. Kibe heeft bovendien internationale faam verworven als astronoom. Monshu-astronoom Kibe bewees enkele dagen nadien een waardevolle dienst aan Sh. Shitoku, waarvoor deze hem hier nogmaals zijn dank uitspreekt.

Op woensdag 22 werd Sh. Shitoku in privé-audiëntie ontvangen door Monshu Koshin Ohtani, huidig en 24ste hoofdabt van Nishi Honganji, zoon en opvolger van Zenmon Kosho Ohtani. De nog relatief jonge man geeft blijk van een scherp verstand en een royale bekendheid met Westerse toestanden en mentaliteiten. Hij spreekt even vlot als zijn vader Engels, maar mist wel de vertrouwdheid met Frans en Duits die Zenmon Kosho Ohtani wèl heeft. Vanaf zijn investituur als hoofdabt, heeft hij zijn inzichten bekend gemaakt de Honganji qua structuur verder open te stellen voor het behandelen van maatschappelijke problemen en de begaanheid met het sociale verschijnsel op geestelijk niveau sterker aan te scherpen in functie van de realiteiten van de wereld van vandaag.

Op verzoek van de Monshu bracht Sh. Shitoku verslag uit over de activiteiten in Jikō-ji, over de werking van de diverse Europese Shin-centra en hun vooruitzichten. In dit verband stelde de Monshu talrijke pertinente vragen. Bij deze audiëntie waren aanwezig “kardinaal” Terada (de Honganji “minister” voor buitenlandse zaken), Rev. Ishihara (de ‘supervisor’ van het Honganji International Center) en Rev. Prof. Hisao Inagaki.

De volgende dag, donderdag 23 september, was Higan-hoogdag. En in Honganji werd een bijzonder officie gehouden, gebaseerd op een oude Tendai-liturgie, met muziek (orkest, zang en reciet) uit de 8ste eeuw. Deze dienst duurde wel drie en een half uur, misschien wel kort t.o.v. bijvoorbeeld het Tibetaanse Boeddhisme of de “esoterische” Shingon-school, maar ongewoon lang in de vertrouwde Shinshū-optiek. Na afloop ervan, ontvoerde Prof. Rinsho Sasaki Rev. Ducor en Sh. Shitoku voor een uitgebreid tempelbezoek in het NW van Kyoto. Daar bevinden zich druk door toeristen bezochte kunstwerken, als Kinkaku-ji (het Gouden Paviljoen), Ryoan-ji (met de befaamde grint- en rotsentuin), Tenryu-ji, alle drie Zen-tempels ofschoon van diverse obediënties, de complexe Daikaku-ji (behorende tot een Shingon-school), alle indrukwekkend op historisch, cultureel en artistiek gebied.

Vrijdag 24 was dan weer een ‘universitaire’ dag, met een lezing in de Kyoto Women’s University, gewijd aan de inhoudelijke mogelijkheden voor de Nembutsu-Leer in het Westers cultureel patroon. En zoals steeds wordt de spreker getroffen door de intense aandacht waarmee de toehoorders een uiteenzetting volgen en optekenen. Er is b.v. niets ongewoons aan dat alle studenten in een klas niet enkel ijverig nota nemen, maar ook ieder zijn bandrecordertje het minste woord laat opnemen.

Maar het programma voorzag nog een verre reis en zaterdagochtend vertrok om 8 u. 12 al de sneltrein naar Takaoka, aan de westkust van Japan. De weg voert langs de westelijke oever van het mooie Biwa-meer, langs geelgroene rijstvlakten en daarin plots steil oprijzende bergen, net zoals je ze kan zien op de inktschilderijen. De Japanse Alpen hebben daar toppen van nabij en over de 3 000 meter, maar uitzicht en structuur zijn toch helemaal anders dan die van “onze” Alpen.

In Takaoka, op het station, wordt Sh. Shitoku opgewacht door een gezelschap aangevoerd door de altijd maar jonge en dynamieke Prof. Yamasaki, die hem de lokale Shinshū-prominenten voorstelt, waarbij in de allereerste plaats Rev. K. Doki, één van de promotoren van I.A.B.C. en erg betrokken bij de evolutie van Jōdo-Shinshū in Europa. Na in Rev. Doki’s tempel de traditionele o-cha (thee) met koekjes gedronken te hebben in een aangenaam gesprek, werd een kort bezoek aan de stad gebracht. Takaoka is een industriestad en werd dus op het einde van de oorlog platgebombardeerd. Vaak wordt, in de afschuw opgewekt door Hiroshima en Nagasaki, vergeten dat alle Japanse steden met “conventionele middelen” (meestal de vreselijke fosforbrandbommen) met de grond gelijkgemaakt werden. Toch moet absoluut vermeld worden dat de Amerikaanse luchtmacht twee uitzonderingen gemaakt heeft: de historische kunststeden Kyoto en Nara hebben niet één bom gekregen. Dat maakt toch wel wat goed…

De lezing zelf had plaats in de feestzaal van een middelbare technische school. Ook hier weer was het publiek één en al aandacht. Het is wel zó dat de meeste buitenlandse sprekers zelden buiten Tokyo, Nagoya of Kyoto geraken, zodat de mensen op andere plaatsen (en Japan is een land van grote afstanden!) met des te meer enthousiasme de gelegenheid te baat nemen om eens naar een stem uit verre contreien te luisteren. Toch krijgt men op geen enkel moment de indruk dat het gaat om een ongezonde benieuwdheid naar een “exotisch curiosum”.

Zoals verwacht, besloot de dag met een banket, zo “Westers” mogelijk, aangeboden door een plaatselijke Jōdo-Shinshū lekenorganisatie. Er werden prettige contacten gelegd en de vragen en antwoorden spetterden op en neer als een vlucht spreeuwen.

‘s Anderendaags was het zondag; een heel gezelschap deed Prof. Yamasaki en Sh. Shitoku uitgeleide naar de trein. Niet zonder eerst ‘n heel pak geschenken voor Jikō-ji met de gebruikelijke formaliteiten overhandigd te hebben. Van Rev. Azuka kreeg Jikō-ji een reeks prenten die het “Smalle Witte Pad” (Ekō nr 14, juni ‘81) voorstellen, van Rev. Doki een oude uitgave in vier delen van de Drie Reine-Landsūtra’s.

Rond het middaguur al terug in Kyoto dank zij de “bullet-train”, besloten Rev. Ducor en Sh. Shitoku, samen met Rev. Yamashita, een Amerikaans “minister” hier op studieverblijf, er eens op uit te trekken op zoek naar graf en mausoleumtempel van Rennyō Shōnin, de 8ste hoofdabt (voor Jikō-ji bezoekers: hangrol links naast het altaar). Deze monumenten bevinden zich te Yamashina, ten ZO van Kyoto, de plaats waarheen Rennyō de Honganji-tempel overbracht onder druk van de omstandigheden. Ten gevolge van de intense bebouwing van die vroeger afgelegen voorstad, bleek deze plaats voor de drie vreemdelingen wel moeilijk te vinden en de geografische kennis van het trio werd zwaar op de proef gesteld. Uiteindelijk werd de grafsteen dan toch gevonden! En in de nabijheid was dan ook de Yamashina-tempel: op de binnenplaats was er evenwel een eet- en drinkfeest aan de gang. Ons gezelschapje trof dan ook geen enkele ‘priester’ aan die de tempel kon openen, maar moest in de gauwte meerdere bekers sake die ten allen kanten aangeboden werden, wegwerken. Eindelijk, vóór dat de sake van een klein beekje een grote rivier kon worden, was er toch een dame die de tempel kon openstellen en het trio erin rondleiden. Langs een achterpoortje ontsnapte het vreemdelingentrio dan aan de overspoelende mede-vreugde van de feestvierders. Wie nog denkt dat de Japanners enkel maar gestresste strakke gesloten samoerai-gezichten kunnen opzetten en enkel in hoofse beheerstheid spreken, die zou zo maar eens een volks feest in Yamashina Hongan-ji moeten meemaken!

Terug tot priesterlijke ernst gekomen, maar reeds met een zekere loomheid in de benen, trok het gezelschap verder op zoek naar de mausolea van de 9de en 1Ode hoofdabten. Men had ons gezegd dat het amper 10 wandelminuten verder was, maar anderhalf uur later had het trio nog steeds niets gevonden! Wèl, en passant, een gevangenis bezocht waar het net opendeurdag (voor bezoekers, niet voor gedetineerden…) was. En toch, op inderdaad minder dan 10 minuten van ons vertrekpunt, werden de mausolea ontdekt ergens achterin een tuinwijk, verlaten, zelfs verwaarloosd, wat in Japanse normen gewoon ondenkbaar is. De poort is zwaar vergrendeld, maar met ‘n wipje ben je over de nog slechts 50 cm hoge muur. De kleine, intieme Nembutsu-hulde van de drie vreemdelingen hadden de mausolea zeker best verdiend.

Dan komt de laatste dag van het verblijf, maandag 27 september. Vanaf vroeg ‘s morgens gidst Prof. Rev. Sato Rév. Ducor en Sh. Shitoku naar Hino, Shinran’s geboorteplaats. Prof. Sato is niet alleen: hij heeft een busvol dames bij, de “vrouwenbond” van zijn tempel in de provincie. Het is een echte uitstap plus bedevaart en de dames zijn uitgelaten. De lezer make zich geen zorgen over de morele risico’s waaraan de westerse ‘reverends’ zich blootstelden; het waren geen hupse dartelende jonge meisjes noch vreemd glimlachende geisha’s, maar dames van een ‘zekere’ leeftijd, meestal blozende, luid pratende boerenvrouwen (zoals Sh. Shitoku ze graag heeft… )waarvan de gierende pret merkwaardig afwisselt met een diepe vroomheid. Bovendien strijden ze met elkaar in vriendelijkheid om het de twee ‘reverends’ zo gezellig en aangenaam mogelijk te maken.

In de Hino-tempel, wordt Sh. Shitoku verzocht voor te gaan in de dienst met reciet van Junirai. Even later, bij het bezoek aan een nabije Shingon-tempel, is het Rév. Ducor die gevraagd wordt Sambutsu-ge te reciteren. Een fijn middagmaal in de zalen van de Hino-tempel wordt het gezelschap aangeboden. Dan gaat de excursie verder, met het bezichtigen van de ruime Mampuku-ji (hoofdtempel van Obaku-Zenshū) en de wonderlijk mooie Byodo-in, met zijn majestatisch, over het meer heenschouwende Amida-beeld. Beide tempels bevinden zich te Uji, eveneens ten ZO van Kyoto.

Bij het afscheid ontving Sh. Shitoku voor de theedrinkers in Jikō-ji twee dozen Uji-thee, die door kenners als de beste van Japan betiteld wordt.

‘s Avonds was Sh. Shitoku nog te gast bij Wakafujikai, een literair-culturele kring van S.O.-leraars, met de jonge Rev. Kiyomoto als drijfkracht. Ook hier viel op met welke ernst een Japans Boeddhist kan luisteren en vragen stellen.

En de volgende ochtend, dinsdag 28 september, bracht Rév. Ducor een zwaar beladen Sh. Shitoku naar de bus. En de bus bracht Sh. Shitoku naar Osaka International Airport. En het vliegtuig bracht Sh. Shitoku naar Seoul Intern. Airport. En dààr stootte Sh. Shitoku gewoonweg, als ware het niet aan de andere kant van de wereld, op zijn Oostenrijkse vriend Sh. Friedrich Fenzl, de Shin-verantwoordelijke voor Oostenrijk, die zopas het organiseren van de Conferentie te Scheibbs achter de rug had; hij kwam vanuit Taiwan, had wat pech gehad met vluchtregelingen en zat in Seoul geduldig te wachten op de terugreis naar zijn Salzburg.

Zo konden samen de Nembutsu-vrienden dan via Manilla, Bahrein, Djeddah en Zürich terugkeren, elk naar zijn Butsu-dan (Boeddha-huisaltaar) om daar in dankbaarheid te buigen en in zich NAMU AMIDA BUTSU te laten opborrelen.

Ekō 21
Bondig Verslag Van Sh. Shitoku’s Wonderbare Japanreis

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home