Waar, Dat Reine Land?

Een vraag die almaar terugkomt: “Bestaat dat Reine Land van jullie wel ècht? En waar zou dat dan liggen? En wat is eigenlijk zo’n Reine Land?”

Eeuwen terug, toen de mensen hier ook nog geloofden dat het Paradijs ten oosten van Eden lag, was er een traditie die voorhield dat het Reine Land eigenlijk Amitābha’s Westelijke Paradijs is, zoveel en zoveel ontelbaar onvoorstelbaar veel kilometers ver weg, een afstand die zelfs niet in lichtjaren zou kunnen uitgedrukt worden.

Dat was een soort volksverhaal, want in geen enkele canonieke tekst van het Boeddhisme staat dat geschreven. Wèl zeggen de teksten dat het Reine Land ontelbaar veel “Boeddha-velden” van ons verwijderd is, een beeldspraak waaruit gelezen kan worden hoe moeilijk verwezenlijkbaar het nirvāna wel is.

En waarom werd dat Reine Land in het westen gesitueerd? Heel eenvoudig omdat voor ons de zon in het westen ondergaat en dit voor ons als een teken van de dood is. Het “heil in het westen”, dat is dan een beeldspraak voor onze laatste dood die niets anders is dan de uiteindelijke Geboorte in het Reine Land.

Dat het Reine Land niet ergens geografisch of astronomisch op aarde of in de hemelen moet gezocht worden, staat trouwens duidelijk te lezen in de Dai Kyō (de Grote Sūtra van het Reine Land, Sukhāvatīvyūha-sūtra). En Shinran Shōnin komt met klem op (Kyō Gyō Shin Shō, VI) tegen de gedachte als zou het Reine Land een “plaats ergens” zijn, of zelfs een “iets” dat men bereikt.

Voor Shinran is het Reine Land niets anders dan de Verlichting zelf, het uiteindelijke, definitieve nirvāna van de canonieke teksten. Erover praten kan men niet. Men kan niet zeggen hoe, waar, waarom, wanneer, wat… Net zoals het nirvāna ligt elke benadering van het Reine Land onvermijdelijk buiten ons gelimiteerde be-grijpen.

In de eeuwenlange en vaak vervelende discussies tussen de meditatiescholen (Ch’an, Zen) en de Reine-Landstromingen in China, was de “plaats” van het Reine Land een geliefkoosd twistpunt. Niet dat het Reine Land ooit ontkend of zelfs ook maar in twijfel getrokken werd. Alle Mahāyāna-scholen, de Tibetaanse Vajrayāna inbegrepen, kennen het begrip ‘Reine Land’, ‘Boeddha-Land’ en de meeste hebben trouwens een of andere “Reine-Land praktijk”. Zelfs de zeer orthodoxe Theravāda-meester Buddhaghosa spreekt over de ‘boeddhalanden’. Daarover ging de discussie dus in geen enkel geval.

De Reine-Landscholen hielden het erbij dat het Reine Land “buiten” ons ligt. Daartegenover stelden de Ch’an-meesters dat het Reine Land niets anders is dan satori, de “ware natuur” in onze eigen geest.

Inderdaad: dat het Reine Land, i.e. nirvāna, van alle tijden her in onze geest aanwezig zou zijn, is filosofisch een verleidelijk argument, een benadering die bij het eerste gezicht zou stoelen op Nāgārjuna’s Madhyamika-systeem van absolute identiteit van de zogenaamde tegengestelde begrippen. Daardoor zien we de eeuwen door diverse Zenstrekkingen die stelden dat het Reine Land niets anders zou zijn dan het in onze benevelde geest reeds aanwezige nirvāna.

Toch bleven de Reine-Landleraars zich steeds tegen deze opvatting verzetten. Het Reine Land is niet noodzakelijkerwijze IN ons. Heel wat Myōkōnin, dit zijn de zg. Reine-Land-”heiligen”, mystiekers die een directe beleving van het Reine Land in dit leven ervoeren, hebben immers volgehouden dat “het Reine Land de deur naast de onze is”.

Staan we hier dan eens te meer vóór een tegenstrijdigheid tussen Zen en Jōdo? Of is deze tegenstelling te zien als een paradox, een ko-an die wij maar niet kunnen door-werken, door-slikken en ver-teren?

Ja (en neen). Ja, doordat elk spiritueel probleem dat zich aan ons stelt en dat we proberen via een intellectueel procédé op te lossen aan de hand van de manke, relatieve gegevens waarover we beschikken en met de gebrekkige, relatieve middelen die ons eigen zijn, inderdaad optreedt als een ko-an: onoplosbaar. We breken eruit door een dwarse sprong in het absurdum: satori in de Zen-optiek, shinjin in de Reine-Land visie.

Zullen we die ko-an van het Reine Land (en die, nog wonderlijker, van de Nembutsu) ooit “oplossen”?

Als we stellen dat “het Reine Land bestaat enkel in onze geest”, zitten we dan niet naast (buiten?) de diepere geest van Boeddha’s onderricht? Zelfs de Zenmeesters zijn nooit helemaal kunnen ingaan in deze stelling. Eeuwenlang heeft immers tussen de Chinese Ch’an-tempels een scherpe polemiek gewoed over rol en functie van Reine Land en Nembutsu.

Is het immers niet zó dat niemand van ons kan zeggen waar de grens ligt tussen “onze” geest en “de” geest, tussen “ons” en “niet-ons”? Deze vraag is beslist fundamenteel. Met het antwoord dat men erop geven wil, valt of staat het Mahāyāna als filosofische structuur.

Zetten we nog even voorop dat de Meditatiescholen (als scholen, als systemen, als structuur, als schema’s) erop staan dat het heil enkel verwezenlijkbaar is via een diep-eigen inspanning. Daartegenover staan de Reine-Landstromingen, en zeker Shinran Shōnin, met almaar te wijzen op de virtuele onmogelijkheid voor de gewone mens (het fundamentele onvermogen) door “eigen” krachten iets van dat uiteindelijke, het “ik” en “niet-ik” te boven gaande heil te vatten, - dat enkel de volstrekte overgave, de totaal-witte vlag, van de eigen berekeningen de weg naar het heil kan vrijmaken. Dit is dan de absolute uitwitting van het eigen, spirituele maar onvermijdelijk ik-gebonden willen (wat toch bij de Zenscholen het “niet-denken” is, zie hierover Hui-neng en Dōgen), - dat deze overgave geen “overgeven” is, maar een uiteindelijk inbreken in het “andere”.

Proberen we dit te benaderen. Het andere, wie of wat is dat? Dat is noch ik noch mijn, maar evenmin is dat jij of jouw of U of hij of Hij, noch om het even welk of wie of wat of gelijk welk begrip dat we moeten inschakelen om ons cognitieve denken op dreef te houden.

Maar ook als we spreken van “overgave aan het andere”, moeten we proberen elkaar svp zo weinig mogelijk MIS te verstaan. Vegen we elk “begrijpen” intellectueel maar liefst van de tafel, ja zelfs elk emotioneel of zelfs mystiek benaderen.

Als enige plusminus aanvaarde benadering zullen we het esthetische noemen. Zoals we staan voor een kunstwerk, zeggen we de fresco’s van de Sixtijnse Kapel of Wagners Tristan und Isolde, of tegen over een in-sprekend landschap (ik schrijf deze lijnen vanuit mijn dierbaar Auvergne, even dierbaar allicht als “mijn” Kempen) waarin ook elk gezicht met zon of regen of mist of bliksem “namandabu” heet, zoals de minste roep van het roodborstje of de minste kleur van het bosviooltje…

Is de esthetische emotie dan de opening tot het Reine Land? Is shinjin een ervaring op esthetisch niveau? Ligt hier het Reine Land, in dit contact tussen “kunstwerk” en “beschouwer”? Is het eindeloze licht van het Reine Land dan de schoonheid die ons plots, onverklaarbaar en onverwoordbaar doorzindert?

Blijft nochtans dat hierbij “ik” of “ons” telkens te veel is. Zolang we blijven praten en dus ik’s en wij’s blijven doorspelen in ons denken, blijft het Reine Land veraf!

Want het Reine Land kan enkel “zich bevinden” waar mijn en ander niet meer ten opzichte van elkaar poseren, - daar waar het eigen in het andere vloeit, - waar ik ophoudt om niet meer te weten wat het andere is, - daar waar al die tegenstellingen gewoon ophouden te bestaan.

Stellen we het op een doodgewoon menselijk plan: ik zie hoe mijn zoontje flink ik-bewust met een trotse boog watert in een heldere stortbeek. Hij wil “hoger-beek” zijn dan de beek zelf. We zeggen ‘t-is-maar-’n-kind, maar elk van ons pist zo zijn ik in de wereld. Maar van elk van ons loopt uiteindelijk al dat individuele gez… in de grote oceaan van het Oneindige Licht, en ons “persoonlijke” verloopt onvindbaar en ongrijpbaar in het universum van de Verlichting.

Zou het dan niet mogelijk zijn te zeggen dat dààr wààr het mijne in het andere vervloeid is, dat dààr het Reine Land is. En dat Reine Land is dus niet in ons, - het is zelfs niet buiten ons…

Zeggen we maar om iets te zeggen: het Reine Land is inderdaad vlak bij, vlak naast ons, zoals de Myōkōnins het zeiden. Binnen handbereik als we het aanvaarden, maar miljoenen lichtjaren weg zolang we ons ertegen blijven verzetten of het met dat intellect van ons te lijf willen.

Het Reine Land ligt het best tussen onze beide handen. Om het Reine Land te vatten, brengen we de handen bij elkaar. Daar ligt het Reine Land.

En dat is de “Eenvoudige Weg”.

Het antwoord op al onze slimme sluwe vragen ligt tussen onze handpalmen, in nederigheid en dankbaarheid samengevoegd naar het innerlijke westen van onze dood toe.

Maar zijn we waarlijk nederig genoeg om zoveel van ons af te zetten en het Reine Land te vinden dààr wààr het is?

Ekō 22

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home