Hoe De Boeddha Het Zag (13)

B. Niet-Eigenheid

We zagen hiervóór hoe het mogelijk was al die onophoudelijke veranderingen van wezens, dingen, relaties, samenstellingen, structuren en onderlinge samenhang te verklaren vanuit het feit dat in al die wezens en dingen niets te vinden is dat enkel en uitsluitend op zichzelf kan bestaan, los van alle andere dingen of wezens.

Zoiets dat onveranderd, permanent zou zijn, zonder enige afhankelijkheid aan de behoeften gesteld door ruimte en tijd.

Maar toch klampt de mens zich, tegen elk beter weten in, vast aan de gedachte dat er toch iets in hem onveranderlijk zou zijn, onafhankelijk, op zichzelf bestaand en waardoor hij, de mens, dan aanspraak zou kunnen maken op een of andere vorm van eeuwigheid, zijn grote droom geboren uit de angst voor de existentiële ondergang.

De illusie van zo’n eeuwig of onsterfelijk “iets” in hem geeft hem een dosis moed in de strijd voor - maar ook tegen - het dagelijks bestaan, een strijd die hij dan, aldus opgepept, zich verplicht voelt te voeren in zijn persoonlijke naam.

Maar is het dan niet juist deze strijd in persoonlijke naam die de bron is van al zijn ellende? Zich stellend tegen het andere, daagt hij dan niet dat andere uit? Hij stort zich hiermee in een uitzichtloos, hopeloos en fataal conflict met het andere dat hij onvermijdelijk als DE vijand, als ZIJN persoonlijke vijand zal beschouwen.

Bovendien ontdekt hij dan dat de vijand ook in eigen vesting woont: hij ontdekt immers dat het andere ook in hemzelf aanwezig is. Hij ontdekt immers vroeg of laat in zichzelf zijn eigen verval, zijn eigen onderwerping aan leed en begoocheling, de latente aanwezigheid van “zijn eigen dood”.

Om aan de dreiging van de veranderlijkheid te ontkomen, die nu voor hem het dreigende teken van zijn ondergang wordt, heeft de mens naar uitvluchtwegen gezocht.

Dat verklaart b.v. waarom men in de diverse godsdiensten, zowel in de zg. “primitieve” als bij de “hoogontwikkelde”, een dergelijk blijvend iets in het religieuze schema ingelast heeft, ondanks alle wetenschappelijke logica en zelfs tegen elke natuurlijke, eenvoudige gedachtegang in.

In de monotheïstische godsdiensten heeft met dat “blijvend iets” een ziel genoemd, zonder eigenlijk deze ziel nader te omschrijven. Pogingen hiertoe werden aan theologen en scholastici overgelaten.

Christendom, Jodendom en Islam b.v. geloven dat een God de mens geschapen heeft met een sterfelijk lichaam, maar met een min of meer onsterfelijke ‘ziel’. Hoe dat precies gaat en hoe het er precies mee zit is voor de theologen door de eeuwen heen een flinke denk-bot geweest. Tot een uiteindelijke visie zijn ze niet geraakt. En zeker niet tot eensgezindheid. En de hedendaagse theologische visies maken de situatie nog verwarder.

Wanneer wordt zo’n ziel geschapen? Wat gebeurt ermee na de dood? Gaat ze naar de hemel, naar de hel, naar een donkere slaap? Wat gebeurt er bij een “laatste oordeel”?

Op vragen in die aard, krijgen we een vaak sterk emotioneel geladen antwoord. Het probleem van de verhouding God/ziel blijft daarmee voor talrijke gelovigen een hinder bij het beleven van hun religieuze traditie. Ook het probleem God/kwaad is zo’n pijnlijke distel voor wie erover begint te piekeren.

Andere religies hebben andere antwoorden gezocht. Het Hindoeïsme heeft het zielsprobleem anders aangepakt en bij het eerste gezicht zou men geneigd zijn de Hindoeïstische aanpak samenhangender te vinden.

Ondanks doctrinale verschillen van school tot school, van sekte tot sekte, is voor de gelovige Hindoe de ziel niet zomaar “onsterfelijk”, d.w.z. geboren, ontstaan op een zeker ogenblik; zijn ‘ziel’, die hij meestal ātman zal noemen, is eeuwig. Het ātman heeft steeds bestaan: het is, in de mens, een ongeschapen, dus eeuwig deeltje van het heelal. Op een gegeven ogenblik in het verleden is immers dit ātman losgebroken uit een niet gedifferentieerd wereld-ātman en is dan een zwerftocht begonnen doorheen de werelden van de begoocheling. Maar uiteindelijk zal elk individueel ātman vroeg of laat weer in het wereld-ātman verzinken: het persoonlijke keert hiermee naar het onpersoonlijke Al terug.

Dit standpunt van het huidige Hindoeïsme is afkomstig uit de oudere vormen van het Brahmanisme. Men kan het reeds terugvinden bij de zg. ”oudere” Upanishads en men mag veronderstellen dat het één van de stokpaardjes van de heersende Brahmanenkaste was (waarbij sociale en sociologische elementen niet te onderschatten zijn).

Op dit bepaalde punt, dat van de eeuwige, onveranderlijke, metafysische ziel, is de Boeddha erg radicaal geweest. In zijn tijd was hij trouwens niet de enige die de stelling van het eeuwige ātman verwierp. Veel Sramana’s, die de reactie tegen de Brahmanensuprematie vertolkten, verwierpen net als de Boeddha de officiële doctrine.

Maar de opvatting van de Boeddha is wel énig in die zin dat hij aanvaardt dat zo’n “ātman” wel een relatief bestaan heeft in de inbeelding van de mens en dat precies die “ziel-idee” aan de basis ligt van het lijden.

Hetgeen de Boeddhistische teksten dan ook “ziel” of “persoonlijkheid” of “individu” noemen, heeft niets meer te maken met een eeuwig blijvend, onveranderd en onveranderend iets-dat-op-zichzelf-bestaat.

Het begrip “ziel, gemoed, persoon” in Boeddhistische zin dient opgevat te worden als een verzamelnaam voor een geheel van psychische, mentale, intellectuele verschijnselen, waarmee wij in staat gesteld worden een bepaald “iemand” te karakteriseren ten opzichte van zijn omgeving en zijn mede-wezens.

Dat is ook ongeveer hetgeen de moderne psychologie (met inbegrip van psychiatrie, psychoanalyse, psychotechniek e.d.m.), zo’n 2 500 jaar na de Boeddha, onder “ziel” verstaan. Merkwaardig is wel dat deze “nieuwe” opvatting slechts ingang vond nadat de psychologie een wetenschappelijke aanpak gekregen had en niet langer als onderdeel van de filosofie (en zeker van de metafysica) was.

Toen men zich natuurwetenschappelijk ging afvragen wat een “ziel” in feite was, hebben chirurgen, neurologen, biologen of fysiologen er nergens in de mens één gevonden. Dat is trouwens begrijpelijk als een “ziel” bij bepaling onstoffelijk zou zijn, kan men ze toch nergens stoffelijk aan treffen, als een klier, een zenuw, een orgaan, een pees…

De moderne psychologie heeft voor de “werking van ziel” enkel reeksen van verschijnselen kunnen vaststellen: gevoelsleven, karakter, intellect, enz.) Aan deze verschijnselen werden diverse namen gegeven; er werden heel wat min of meer geslaagde theorieën rond gesponnen.

Ook een zetel van de ziel bleek onvindbaar. Men lokaliseerde weliswaar plaatsen, o.a. in de hersenen, waar bepaalde geestesfuncties mee verbonden zijn, men ontdekte dat chemische producten invloed kunnen hebben op psychische verschijnselen en gedragingen.

Dat men het woord “ziel” andere namen gegeven heeft, b.v. “ego”, “super-ego” e.d. verandert niets aan de zaak zelf.

Het begrip “ziel” is evenwel geen fumeuze uitvinding van een min of meer begaafde dichterlijke geest. Overal waar de mens zich niet heeft kunnen losmaken van dat voortdurend staren op de ik-navel, beantwoordt die onvatbare “ziel” aan een zekere vorm van innerlijke noodzaak.

In talloze culturen en denkpatronen is de religieus opgevatte ‘ziel’ terdege aanwezig, als een begrip dat de mensen broodnodig opgebouwd hebben om hun grote levensproblemen (het leven, de dood, het kwaad, het lijden, de macht, de straf en de beloning…) een uitzicht van verklaring te geven zonder dat het ik-begrip diende opgegeven te worden.

Wanneer het Boeddhisme zegt dat de mens geen “ziel” heeft, moeten we er steeds rekening mee houden dat we dit technische begrip in de precieze religieuze zin moeten verstaan. En zeker: dit betekent niet dat het Boeddhisme “materialistisch” zou zijn…

Maar psychologisch, ja, daar is een ziel: een voortdurend veranderende, van omstandigheden en situaties afhankelijke ziel.

De mens heeft immers van zichzelf doorgaans een omlijnd bewustzijn.

Dat bewustzijn geeft hem een beeld van zijn existentie in de wereld.

De mens heeft, ogenblik per ogenblik, een bepaald karakter, een zekere aanleg, een dosis verstand, een verzameling indrukken, waarnemingen en gewaarwordingen. Dat vormt de persoonlijkheid van de mens, daarin onderscheidt hij zich van zijn medemensen en van zijn mede-wezens, levend of levenloos.

Geen wonder dat de Boeddha ook hier weer onze ouwe vertrouwde denkgewoonten komt verstoren en onze persoonstrots een fikse opstopper geeft: deze persoonlijkheid is geen eenheid; ze bestaat slechts bij de gratie van een ingewikkeld stelsel van relaties met wezens en dingen rondom, ver en nabij. En het zijn juist deze relaties die de persoonlijkheid tekenen.

Er is dus ook geen persoonlijkheid-op-zichzelf. En veelgehoorde slogan van “je moet jezelf zijn” is niets anders dan een verdwaasd rondhollen in de vicieuze cirkel van je illusies.

Allicht wordt de mens door zijn denkfout-instelling ertoe verleid te geloven dat deze persoonlijkheid hem eigen is.

En dat deze eigenheid hem een geldige maatstaf is om al het andere (dus het niet-eigen, het niet-ik, het andere) te bepalen, te meten, te beoordelen en uiteindelijk te veroordelen.

Zo komt het dat de mens zich in de strijd om het bestaan opstelt tegen zijn mede-wereld. Uit de discriminatie die hij doorvoert om zichzelf wat veiliger te voelen, schept de mens de omstandigheden die tot de conflictsituaties zullen voeren.

En als dan die conflicten te hoog oplaaien, dat hij ze niet meer baas kan, dat hij gewaarwordt dat hij het niet kan halen, dan zal de mens zich haasten “het andere”, dit zijn de anderen, familie, maatschappij, God of wat ook, er alle schuld van te geven.

In dit steeds vasterroestende eigen-bewustzijn zal de mens blijven weigeren in te zien dat hij, in het leven, zichzelf heel wat op de mouw gespeld heeft en dat de ware basis van zijn lijden niet bij “het andere” ligt, maar dat ze diep ingebed is in zijn aanvankelijke weigering de niet-eigenheid van al het bestaande te aanvaarden.

Ziehier het verhaal van een man die heel erg graag schatrijk wou worden. Om zijn wens in vervulling te zien gaan, dreunde hij alle dagen sutra’s af en riep hij onophoudelijk de Boeddha aan. Op een zekere dag bevond hij zich in de ijzige kou van het Himalaya-gebergte. Opeens bemerkte hij een grote zak vol goudstaven, maar de zak zat stevig in het ijs gevat. Hoe hij trok en sleurde, hij kreeg de zak maar niet los. Opeens vond hij een middel om zijn doel te bereiken: hij waterde overvloedig op de zak, zodanig dat het ijs errondom zou smelten en de goudschat loslaten.

Dan, nog geheel opgetogen, werd hij plots wakker… in een doornat bed…

Zo ook is het leven: amper een droom…

Op een keer bracht een samoerai een bezoek aan een monnik in een Boeddhistisch klooster. Hij stelde hem de vraag die hem al lang bezighield:

- “Zeg mij, Eerwaarde, bestaan Naraka (hel) en Suraka (hemel) echt?”

- “Wie ben jij, dat je me die vraag stelt?”

- “Ik ben beoefenaar van de edele krijgskunsten, een gelovig Boeddhist.”

- “Jij? Daar geloof ik niets van. Je gezicht is net dat van een aap in het oerwoud en je gedraagt je als een gek!”

Woedend trok de edelman hierop zijn zwaard en bedreigde er de monnik mee, maar deze ging ongestoord verder:

- “Ach zo, je hebt zelfs een zwaard! Maar je wapen is beslist te bot om mijn hoofd af te hakken!”

Toen de man op het punt stond zijn zwaard te laten neerkomen, riep de bonze als om hem wakker te maken:

- “Hier gaan de poorten van Naraka open!”

Bij het horen van deze woorden stak de samoerai zijn zwaard weer in de schede en boog hij voor de koelbloedigheid van de monnik. Daarop riep deze:

- “En hier gaan de poorten van Suraka open!”

Ekō 22

Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home