Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (6)

Gyō-ju-za-ga (gaande, staande, zittend, liggend)

Een uitdrukking die vaak voorkomt in Zen-leringen, maar ook door Hōnen en Shinran gebruikt wordt in verband met de frequentie van de Nembutsu. Zij baseren zich hiervoor op een uitspraak van Shan-tao in diens commentaar op de Meditatie-Sūtra: “In eensgerichtheid van het gemoed, enkel Amida’s Naam uitspreken, of men gaat, staat, zit of ligt, ongeacht gelegenheid of omstandigheid, voor korte of voor lange tijd: dat wordt dan de handeling van de ware verzekering genoemd, want deze handeling is in overeenstemming met de Gelofte van de Boeddha.”

Hachiman-shisen (84 000)

Een getal dat in geheel het Boeddhisme vaak gebruikt wordt om een ontelbaarheid aan te duiden, o.a. de “84 000 leringen” van de Boeddha en de “84 000 lichtstralen” die van Amida uitgaan.

In het Shin-Boeddhisme wordt door Shinran verwezen naar “hachiman-shisen no ke-mon”, de 84 000 voorlopige poorten van alle Boeddhistische leringen, Amida’s heiIswet uitgezonderd, vermits deze de “ware poort” is.

Hakarai (berekeningen, plannen)

Een mentale werkzaamheid eigen aan de menselijke natuur: alles willen vooruitzien, plannen, schikken en beschikken. Bewust of onbewust is de mens steeds bezig met berekenen, wikken en wegen, waarbij hij discrimineert tussen goed en slecht, heilzaam en onheilzaam, wijs en dwaas. Hij meent op deze wijze zijn toekomst in handen te hebben.

Aangezien Amida’s Gelofte gegrond is op niet-discriminerende wijsheid, valt deze buiten het bereik van het menselijke berekenen. De mens zal dus de mogelijkheid door Amida’s werking uit zijn lijden verlost te worden, natuurlijk in twijfel trekken doordat deze werking buiten zijn persoonlijke ik-gerichte berekeningen valt. Eventueel zal die mens de Nembutsu uitspreken uit berekening, menend dat hij door deze handeling uit eigen kracht het Reine Land kan verwezenlijken.

De literatuur kent dan ook twee vormen van hakarai:

1)         de berekeningen naar eigen kracht (jiriki hakarai), waarvan de mens zich kan bevrijden door een onvoorwaardelijk aanvaarden van de werking van Amida’s Voortijdelijke Gelofte en door te leven in een innerlijke sfeer van volmaakte Ander-Kracht;

2)         de berekening van de Ander-Kracht (tariki hakarai), de natuurlijke en noodzakelijke werking van Amida’s heilskracht gericht op bevrijding uit het lijden van alle karma-gebonden wezens. De werking van de Ander-Kracht integreren is leven in de “grote berekening” van de Boeddha van het Oneindige Leven en Oneindige Licht, waarin elke individuele, ego-gerichte hakarai een overbodige hindernis blijkt te zijn.

Hakarai als menselijke berekening en als werking van de Boeddha sluiten elkaar uit. Waar het éne is, kan het andere niet zijn. Wanneer Amida’s werkzaamheid het geheel van de menselijke ervaringswereld bestrijkt, dan verdwijnen de klein-menselijke berekeningen. Dit is de Shin-Boeddhistische aanpak van het anātman-leerstuk: waar geen ‘zelf’ is, kan geen ‘zelf-kracht’ efficiënt zijn.

Daarbij moet wèl duidelijk gesteld worden dat het afwijzen van de (spirituele) menselijke berekeningen niet mag geïnterpreteerd worden als een afwijzen van elke menselijke activiteit en zeker niet van de wil een hogerstaand leven te leiden of naar Verlichting te streven. Wat afgewezen wordt, dat is de gehechtheid aan kleingeestige berekeningen, eisen en voorwaarden die in ik-gerichtheid hun ontstaan vinden. (Heel wat ‘geestelijke’ verlangens, soms zelfs het verlangen naar Verlichting of Geboorte in het Reine Land, wortelen in een dergelijke ik-gerichtheid en blijken dus jiriki hakarai te zijn. Ook in Zen weet men dat ‘verlangen naar satori’ een afremmende gehechtheid is.)

Henji (Grensland)

Ook genoemd Kemangai ‘Land van Traagheid’, Taigu ‘Baarmoederland’, Gijō ‘Twijfelburcht’.

Een ‘rijk, land, bereik, veld’ waarin de gelovige herboren wordt, maar dat “naast” het Ware Reine Land ligt. Dit Grensland is bestemd voor hen die nog aan de eigen-kracht (ook de eigenkracht-nembutsu) gehecht blijven en bijgevolg nog de shinjin van Ander-Kracht dienen te verwezenlijken.

Daarom zegt men dat ze in het grensgebied van het Reine Land geboren worden, of in het land van Traagheid vermits ze door spirituele inertie nog in hun ik-gerichtheid vertoeven, of in het Baarmoederland, waarin ze als in een baarmoeder ingekapseld blijven in afwachting van de Geboorte, of in de Twijfelburcht, doordat ze door hun zelfgecentreerde onzekerheden geboeid blijven.

In de Pāli-kanon wordt de geboorte in het grensland verschillende malen geciteerd (lijst van de ‘ongeschikte geboortes’, akkhana DN III, 287, AN IV, 225). In de Mahāyāna-iiteratuur komen de Sanskriettermen pratyanta-jana-padarn en pratyanta-jana-padopapattir in dezelfde betekenis voor. Commentaar zegt hierbij: “Dit wordt zo genoemd doordat zij die daar geboren worden ver verwijderd zijn van de zaligheden van het Reine Land, net zoals diegenen die geboren worden in een grensgebied ver verwijderd zijn van de beschaafde wereld.”

De geboorte in Henji is niet definitief: “De beoefenaar die geen shinjin kan verwezenlijken wegens zijn twijfel aan de Voortijdelijke Gelofte, wordt geboren in het Grensland; na het vervullen van het karmische kwaad van de twijfel, zal hij in het Vervulde Land (Hōdo) de Verlichting verwezenlijken (Tannishō, XVII, 5).”

Hi (Mededogen)

Sanskriet karunā.

Is het actieve medelijden waarin de mens zich bewust wordt van het lijden van de andere wezens en in zich de drijfkracht oproept aan dit lijden een einde te stellen.

De volmaaktheid van mededogen is dai-hi (mahā-karunā), een aspect van het Boeddhaschap, onafscheidelijk van de volmaaktheid van wijsheid. Zie Dai-hi (Ekō 15).

Higan (Mededogende Gelofte)

Wordt ook genoemd: Gelofte van het planten van de wortels van deugd, Gelofte van de verzekering van de onfeilbare geboorte, Gelofte van de vervulling van het uiteindelijke heil, Gelofte van oprecht gemoed en gemoed tot overdracht (van de verdiensten) (shishin ekō no gan). Welke deze gelofte is van de 48 die Dharmākara volgens de Grote Reine Land Sūtra, is niet duidelijk.

In Kyōgyōshinshō verwijst Shinran in dit verband naar de 20ste Gelofte, maar in Jōdo Wasan (85) slaat de term terug op de 17de Gelofte. In Tannishō (IX, 4) blijkt dit dan de 18de Gelofte te zijn (Tariki no higan = mededogende Gelofte van de Ander-Kracht).

In dit verband blijkt duidelijk dat alle Geloften, en bijzonder de 19de en 2Oste, a.h.w. gesynthetiseerd en samengesmolten worden in de 18de Gelofte, waarin de Ander-Kracht het duidelijkst gekristalliseerd is.

Hōmyō (Dharma-naam)

Religieuze naam, welke posthuum gegeven wordt aan de overledene, dit naar Chinees en Japans gebruik. Oorspronkelijk werd de hōmyō gegeven wanneer iemand als monnik opgenomen werd in de Gemeenschap.

In de Jōdo-Shinshū wordt de hōmyō aan de volgeling gegeven bij de zg. lekenwijding (kikyo-shiki). De religieuze naam wordt gewoonlijk voorafgegaan door Shaku, wat zoveel betekent als ’zoon, clanlid van de Shakya’s’ en bijgevolg als ‘zoon, familielid van Buddha Gautama’.

Hikkyō-e (Uiteindelijke Toevlucht)

Eén van de drie Boeddhanamen aan Amida gegeven door T’an-luan (in San Amida Butsu Ge): “Ongeëvenaard is het Licht van Reinheid; daarom heet de Boeddha “Ongeëvenaard Licht”. Wie dit Licht ziet, wordt van karmische banden bevrijd. Daarom buig ik neer voor deze Uiteindelijke Toevlucht.”

In een randnota bij zijn Jōdo Wasan 7, zegt Shinran: “Amida verwezenlijkte de Uiteindelijke Verlichting; aldus werd hij voor ons de Uiteindelijke Toevlucht.”

Hitsujō (stadium van definitieve zekerheid)

Chin. pi-ting.

In I-gyō schrijft Nāgārjuna: “Wanneer iemand aan mij denkt, mijn naam reciteert en zijn toevlucht tot mij zoekt, dan treedt hij zonder verwijl in het stadium van de definitieve zekerheid en verwezenlijkt de uiteindelijke en volkomen Verlichting.”

Zie ook “futaiten” (Ekō 16) en “shōjoju”.

Hō (beloning)

Chin. Pao

Algemeen Boeddhistisch is de “beloning” verworven als gevolg van een heilzame daad.

Volgens de Reine-Landscholen echter is “beloning” de vrucht van Dharmākara’s Geloften en kalpalange praktijk. Daarom wordt gezegd dat Amida “Dharmākara’s beloning” is: de dharmakāya is dus het “Lichaam van beloning” en het Reine Land is het “Land van beloning”.

Zo komt men in het Shin-Boeddhisme tot het onderscheid tussen:

- hō: “waar”, ”belonings-”; de ‘ware’ Amida is ’belonings-Amida’. Dharmakāya-Amida is vormloos en ‘leeg’ (sūnya). Maakt hij zich echter ‘vormhebbend’, dan is hij ‘veranderd’ en

- ke: “voorlopig”, “veranderd”, “getransformeerd”, om zich bekend te maken tot alle wezens in een veelvuldigheid van vormen. Vaak worden deze vormen door de onwetende wezens gehouden voor de ware gedaante van de Boeddha, dit zolang ze niet in staat zijn de dharmakāya zelf waar te nemen.

Ekō 22

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home