Boeddha’s Geboorte – Problemen Met Datums?

In april hebben we Hanamatsuri gevierd: het feest van de kinderen en van de bloemen, maar toch in de eerste plaats het herdenken van de geboorte van de historische Boeddha Siddhārta Gautama. We spreken liefst van een gedenken, herdenken, méér dan van een “vieren” van een of andere “verjaardag”. Men zou al erg fundamentalistisch, d.i. on-Boeddhistisch, moeten denken, wil men mordicus en tegen historisch beter weten in, een bepaalde dag of een bepaald jaar als enige waarheid willen vooropstellen.

Al sedert eeuwen is de datum van Gautama’s geboorte, verlichting en heengaan, het onderwerp van academische strijdvragen. Bij diverse, naoorlogse internationale Boeddhistenconferenties zijn dergelijke vragen toch weer pregnant geworden. Persoonlijk menen we dat het hier gaat om een mineur probleem. Hoofdzaak is de Dharma, de Leer die toch centraal staat en niet één of ander vraagstuk over een jaartje meer of een jaartje minder. Toch is het misschien goed de toestand op dit gebied even uiteen te zetten.

De grote moeilijkheid schuilt in het verschil van feestdagen tussen Theravāda en Mahāyāna-Boeddhisten. De Theravāda-traditie herdenkt immers op éénzelfde dag de geboorte van Prins Siddhārta, zijn verlichting en het Pārinirvāna van Boeddha Gautama. Deze dag is de vollemaan van de Vesakha-maand (april/mei). Het is een late overlevering die de drie evenementen op diezelfde dag laat plaatsgrijpen.

Voor die drie gebeurtenissen geeft de Mahāyāna-traditie 3 verschillende datums aan: er is een zekere consensus dat de geboorte plaats vond op de 8ste dag van de 4de maand, de verlichting op de 8ste dag van de 12de maand en het heengaan op de 15de dag van de 2de maand. In zijn “Reisverslag van de Landen in het Westen” geeft Hiuen-tsang, de grote pelgrim-vertaler (596-664) melding van het feit dat er onenigheid bestaat op dit vlak, maar hij vermeldt er niet bij of deze discussie geschiedde op het raakvlak van Sthaviravāda en Mahāyāna.

Deze datums moeten natuurlijk geïnterpreteerd worden volgens het maanjaar. De feesten zijn dus “veranderlijk”. Heel wat Boeddhistische tempels en scholen zijn overgestapt naar het zonnejaar, maar hebben de traditionele dateringen behouden, zodat de feesten nu “vast” geworden zijn: geboorte 8 april, verlichting 8 december en heengaan 15 februari.

Bij sommige inter-Boeddhistische manifestaties zou zich hierbij een zekere wrijving kunnen voordoen, ware het niet dat de Mahāyāna-scholen er over het algemeen geen graten in zien op Vesakha de drie evenementen mee te vieren samen met de Theravāda die zich ook op dit vlak fundamentalistischer opstelt dan de scholen van het Grote Voertuig.

Een ander aspect van dit probleem is natuurlijk het jaartal. In het wazige schijnsel van de Indische chronologie, zijn de eerste bepaalbare historische datums enkel mogelijk via vergelijking met Griekse bronnen (b.v. Megasthenes).

Gaat men voort op de + 60 verschillende overleveringen, dan bekomt men voor Shākyamuni’s Pārinirvāna een speling van 2 000 (tweeduizend!) jaar. De meest autoritatieve Chinese versies zoeken aansluiting bij hun eigen Chinese historische bronnen en dateringen, waarvan de betrouwbaarheid nu wel degelijk vaststaat. Zo komt Fa-shang tot het jaar -948, terwijl Fei Ch’ang-fang op -609 komt.

De Theravāda-traditie fundeert zich in dit opzicht op de inleiding tot de Samantapāsādikā, Buddhaghosa’s commentaar op de Vinaya Pitaka. Hierin wordt gezegd dat Mahinda, keizer Asoka’s zoon, naar Sri Lanka trok in het 18de jaar van Asoka’s troonsbestijging, zijnde het 236ste jaar na Pārinibbāna. Hiermee komt heel de chronologie te rusten op een juiste bepaling van Asoka’s heerschappij. En hier speelt de vaagheid, de on-historiciteit van de Indische traditie, heel wat parten! De Indische bronnen zijn verward en onduidelijk. Toch konden vergelijkende studies, waarbij voornamelijk de epigrafie een grote rol speelde, aan Indische geleerden de overtuiging geven dat Asoka’s troonsbestijging moet gebeurd zijn in -270, waarmee Pārinirvāna dan in 236-18+270 d.i. -488 kan gesitueerd worden.

In de Chinese vertaling van Samantapāsādikā, vermeldt de vertaler Sanghabhadra in een voetnota dat er 975 jaar verlopen zijn sedert de eerste “Vassa” (zomerretraite) na Boeddha’s heengaan. Vermits de vertaling gedateerd is in 489, zou volgens deze bron het jaar -486 het jaar van Pārinirvāna zijn.

In onze tijd kan het dossier van de Asoka-chronologie zo goed als afgesloten beschouwd worden, dank zij het werk van Prof. P. H. L. Eggermont (Leuven). Zo goed als alle specialisten aanvaarden zijn resultaten. Door vergelijking van alle beschikbare bronnen en elementen van Indische, Griekse, Centraalaziatische en Chinese oorsprong, kan het jaar van Boeddha’s heengaan in -483 geplaatst worden.

Aanvaardt men de zo goed als eensgezinde overlevering dat Gautama een leeftijd van 80 jaar bereikte (enkele bronnen spreken van 60, andere van 81 jaar), dat hij op 29-jarige leeftijd het ouderlijke paleis ontvluchtte en na zes jaar de verlichting verwezenlijkte, dan kan men met een bepaalde historische nauwkeurigheid zijn geboorte in -563 plaatsen, zijn verlichting in -528.

Om van een Christelijke chronologie af te stappen, hebben sommigen gedroomd van een Boeddhistische tijdberekening (“Buddhist Era”), die men bij de verlichting laat beginnen. We zouden nu dus in 2511 zijn. Kijk ik naar Boeddhistische publicaties links en rechts, dan stel ik vast dat men spreekt van 2527 B.E., of van 2549 B.E.

Zorgen maak ik me niet over deze verschillen. Er is eerst de Leer, de vreugde om de Leer. Er is de Boeddha, niet enkel de historische, maar ook de Boeddha van het Oneindige Leven (= oneindigheid van tijd). Dat is van belang. Niet het speculeren over en het uitpakken met een B.E. waar het gaat om een jaartje min of meer…

Ekō 22

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home