Geloof? Even Rechtzetten

Er bestaat tegenwoordig in bepaalde middens de sterke neiging alle religieuze uitingen over één kam te scheren. In zg. interreligieuze dialogen zet men klakkeloos Krsna, Jezus, Moon, Mozes, Mohammed en wie al ook op één enkele lijn; men overtrekt ze met een gelijkstrijkend laagje zoete verf. Maar of dergelijke Procustusachtige identificaties (vaak ook recuperaties) en syncretismen wel historisch, filosofisch, objectief, wetenschappelijk verantwoord zijn, - daaraan hebben onze gelijkschakelaars blijkbaar niet de minste problematiek verbonden. Men heeft de sterke indruk dat ze vooral emotioneel en vaak sentimentalistisch-simplistisch tot hun ‘bevindingen’ komen.

Nu is het wel zo dat men, om tot een goede, menselijke dialoog onder de diverse wereldbeschouwingen te komen, inderdaad de punten van aanraking, van overlapping moet beklemtonen, al is het om louter praktische redenen. Maar dat mag in geen geval aanleiding geven om te besluiten dat de Rooms-katholieke kerk, Shia-Islam, Rozenkruisers, Baha’i, Lao-tzu, Boeddhisme, Bhagwan, Katharen en Ras-Tafari allen hetzelfde leren, weliswaar met hier en daar een klein uiterlijk verschil…

Een in Christelijke milieus graag gevoerde en vaak gehoorde topic is dat er geen echt onderscheid zou bestaan tussen ‘Christendom’ (wat men nu ook onder deze term verstaat…) en ‘Boeddhisme’. Hoe dikwijls hoort men b.v. Katholieke priesters in het openbaar beweren dat ze “echte Boeddhisten” zijn! Ook sommige ‘vrijzinnige’ Protestanten aarzelen niet, soms wat slijmerig, zichzelf ‘Hindoeïst’ of ‘Boeddhist’ te noemen…

Er bestaat toch nog een groot verschil tussen enerzijds tolerantie en eerbied voor de andere, en anderzijds zich per se willen identificeren. Tenzij dit een lastig gevolg van frustratie zou zijn…

Inderdaad, er bestaat heel wat gespreksmogelijkheid over gelijkenissen en verschillen; er werd vaak zelfs vooropgesteld dat er heel wat similariteit zou bestaan tussen zekere Protestantse stromingen en het Jōdo-Shin Boeddhisme.

Maar voor de Shin-Boeddhist is shinjin helemaal geen middel. Shinjin is het DOEL zelf. Shinjin is de toestand van verzekering van verlichting (satōri) en Boeddhaschap, en wordt daarom gelijkgesteld aan nirvāna.

De Shin-Boeddhist is dus niet uit op het aankweken van ‘geloof’ in zijn gemoed; hij ontvangt shinjin ten gevolge van de natuurlijke werkzaamheid van Amida’s Gelofte-Kracht. Zodoende kan deze toestand niet vergeleken worden bij een goddelijke genade, die selectief te werk gaat.

De werkzaamheid van de Gelofte-Kracht is geen goddelijke of koninklijke genade, maar is de niet-personaliserende werking van het Boeddhaschap (de Verlichting als geschikt middel: hōben-hosshin). Deze werking is absoluut, noodzakelijk universeel en niet-selectief.

Aldus is Amida’s Mededogen werkzaam op alle wezens om ze te verlichten tot shinjin. Dit is een beslissend karakteristiek van het Oneindige Boeddhaschap, een kenmerk dat zeker niet mag verward worden met enige vorm van Christelijke ‘genade’ of ‘geloof’.

Voor de meeste (oprechte) Christenen is ‘geloof’ de weg die leidt naar vervulling van het eeuwige leven. Dit beeldt men uit als zijnde de ‘hemel’ waarin de ziel haar beloning ontvangt onder de vorm van een ononderbroken beschouwen van Gods glorie. Deze hemel is de hoogste vorm van individueel geluk. Maar nirvāna, waarmee shinjin zo nauw vervlochten is, is geen hemel, maar is Boeddhaschap. En dat voert ons dan nogmaals naar een weer ander punt van verschil.

In het statische geluk van het Christelijke paradijs is de zaligheid een strikt persoonlijke zaak, die niet veel meer te maken heeft met het leed in deze wereld. Dit is niet de manier waarop de Boeddhist het Reine Land beschouwt. Want hoe kan ‘iemand’ zich zalig voelen terwijl andere wezens nog lijden in deze wereld van begoocheling? Het Reine Land is geen zich-veilig-stellen, wegvluchten, maar integendeel een actieve deelname in Amida’s heilsenergie.

Shinran Shōnin heeft ons opmerkzaam gemaakt op dit zo belangrijke element van shinjin/nirvāna: de terugkeer naar de lijdenswereld (gensō-ekō).

Want dit is de grandioze taak die het ‘shinjin-wezen’ toekomt: niet enkel voor zichzelf een onbewogen geluk genieten, maar present te zijn in de verlichtende werking van het Boeddhaschap, van Amida’s Gelofte-Kracht, om zo, door deelneming in de Ander-Kracht, alle andere wezens te brengen naar de zaligheid van het Nirvāna, nadat men eerst zelf door die Ander-Kracht ‘verlicht/verwezenlijkt’ is geworden.

Ofschoon er in het Christendom veel sprake is van de Goddelijke liefde, toch vindt men daarin niet deze universele betrokkenheid, deze niet-moreel-discriminerende opvatting van heil voor en door alle wezens.

Dit is, geloof me, één van de vele glanspunten die het Shin-Boeddhisme aan de mensheid te bieden heeft; er zijn er nog vele andere die voor de Europese mens boeiend zijn, maar het zou ons toch te ver leiden moesten we nù op al die punten ingaan.

Toch is er één belangrijk punt van onderscheid dat, ondanks alle schijn, meestal verkeerd begrepen of zelfs verwaarloosd wordt, maar dat voor de Shin-Boeddhist direct doorverbonden is met de kern zelf van Shinran Shōnins lering.

Sommige Christenen houden immers vol dat het Shin-Boeddhisme in feite een religie is van heil door geloof: het volstaat ‘geloof’ te hebben om bevrijd te worden uit deze wereld van geboorte-lijden-dood. In deze zin zou Jōdo-Shinshū nauw aansluiten bij Luther en een sola fide, sola gratie gods dienst zijn. En Franciscus Xaverius ontdekte bij zijn landing in Japan en tot zijn grote ontzetting, dat Satan deze ketterij al naar Japan gebracht had!

Het ligt in mijn bedoeling te trachten uit te leggen waarom, in mijn ogen, deze opvatting een totaal foutieve interpretering van het Boeddhisme inhoudt.

In Jōdo-Shinshū speelt de term shinjin een uitzonderlijk belangrijke rol. Feitelijk is shinjin niets anders dan het doel-zelf van het religieuze leven.

In Westerse talen wordt shinjin gewoonlijk (en niet zonder risico!) vertaald als geloof (faith, Glaube, foi…), maar in werkelijkheid bestaat er geen correct woord om shinjin als Shin-Boeddhistische technische term precies te vertalen, om de eenvoudige reden dat er in het Christelijke taalgebruik geen juist equivalent voor deze typisch Boeddhistische term bestaat. Het is dan ook via een serie misverstanden dat reeds de eerste missionarissen (en later ook de zendelingen) shinjin als ‘geloof’ in de Christelijke zin hebben opgevat en bijgevolg Jōdo-Shinshū aIs een ‘godsdienst van heil enkel door geloof’ bestempelden. Hieruit trokken ze het besluit dat Jōdo-Shinshū wel erg nauw verwant moest zijn met de Protestantse opvattingen en dat het bijgevolg zou volstaan van Amida Buddha op God over te schakelen om bekeringen te bekomen. De geschiedenis heeft trouwens uitgemaakt hoe verkeerd deze berekening wel was!

Voor het merendeel van de Protestanten is geloof een heilsweg, een Middel dat door goddelijke genade aan de mens geschonken wordt zodat hij hierdoor het eeuwige leven kan ingaan.

Toch dient vooraf rekening gehouden te worden met een overdaad aan misverstand en wanbegrip. Heel wat serieuze auteurs hebben door onwetendheid, vervorming of verwringing van de oorspronkelijke gedachten, een misleidend beeld opgehangen van het Boeddhisme in het algemeen, en zeker van de Jōdo-Shinshū. Een groot deel van deze verwarring vindt zijn oorsprong in een te beperkt standpunt en in de interpretatie van typisch Oosterse concepten in functie van begrippen en bepalingen eigen aan de Westerse filosofie of aan de Christelijke theologie.

Doorheen historie en cultuur ontstonden immers uiteenlopende leef- en denkpatronen. Het is slechts met een uiterste waakzaamheid en kritiek dat een vergelijking mogelijk wordt. Vergeten we niet dat in het religieuze beleven, hetwelk toch de diepste en meest doordringende zijde van een culturele gemeenschap uitmaakt, de historische en culturele verschillen het scherpst zullen optreden. Bij vergelijking tussen Boeddhisme en Christendom (en men bemerke hoe simplistisch deze termen gebruikt worden!), dient men bijgevolg onophoudelijk met de fundamentele punten van onderscheid rekening te houden. Niet om méér ruzie te stoken of om disputen aan te wakkeren, maar in hoofdzaak om begrijpen en aanvoelen van de eigen Welt-anschauung uit te diepen.

Sommige punten van onderscheid liggen voor de hand: in Christendom staat de God-Schepper centraal en is het heilsgebeuren een ‘historische’ evolutie. In het Boeddhisme is het elk wezen zèlf dat de scheppende macht is, via de wetmatigheid van daad-en-gevolg (karma) en de oorzakelijkheidwerking van het “Ontstaan in afhankelijkheid” (pratītya-samutpāda).

Het Christendom stelt het bestaan van een onsterfelijke ziel met metafysisch karakter voorop. Dergelijke ‘ziel’ wordt in alle vormen van het Boeddhisme ontkend. Deze twee punten (geen God en geen Ziel) onderscheiden trouwens het Boeddhisme van alle andere religies en laten de vraag open of het Boeddhisme dan wel een godsdienst is.

Nog elders vinden we grote verschillen: zonde, goed en kwaad, vergelding, functie van moraliteit, de goede werken en de genade e.d.m.

Ook op het puur-filosofisch niveau van beide religies is het onderscheid doortastend. Geldt God als het ‘Absolute Wezen’, het ‘Wezen bij uitstek’, dan is de conceptie van het Boeddhaschap als dharmakāya-dharmatā (hosshō hosshin) als elk begrip van Zijn/Niet-Zijn overtreffend. Het zou ons te ver […]

[…] in de lijdenswereld en te participeren in het heiIswerk van Amida’s Gelofte-Kracht. Na eigen verlossing, te worden de verlossing van alle wezens.

Ofschoon in het Christendom er rijkelijk sprake is van Gods liefde, toch vindt men er deze universele, niet-onderscheidende opvatting van een heiIswerking voor en door alle wezens niet!

Gensō-ekō is waarlijk één van de talrijke glanspunten van het Shin-Boeddhisme.

Sh. A. Peel

Ekō 23

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home