Tannishō (5)

Tannishō (Het Betreuren van de Dwalingen) is een werk toegeschreven aan Shinrans directe discipel Yuien-bō. Dit werk wordt algemeen beschouwd als een precieze weergave van de gedachte van de Meester tijdens diens laatste levensjaren en als de volledige openbloeiing van de Reine Land Leer in zijn meest logische consequenties.

Het 5de hoofdstuk van Tannishō heeft betrekking op Shinrans houding ten opzichte van de traditioneel ingeburgerde eerbied tegenover ouders en voorouders, een houding die hoofdzakelijk, in China zowel als in Japan, geďnspireerd was door Confucius. Het was dan ook gebruikelijk dat, ter ere van ouders en voorouders, erediensten belegd werden, altaren en schrijnen of zelfs tempels opgetrokken werden, waar men dan, op gepaste dagen de voorgeschreven sūtra’s of, in de oudere Reine-Landtempels, de Nembutsu reciteerde.

Shinran verwerpt nadrukkelijk dergelijke praktijken als bijgelovig, oppervlakkig en weinig zinvol. In dit afwijzen van elke vooroudercultus staat hij zo goed als alleen in het Japanse religieuze leven.

De “Boeddhistische” vooroudercultus was gegrondvest op de opvatting dat de gelovige door zijn “praktijken” een som van verdiensten kon verzamelen, en dan die verworven verdiensten overdragen op andere wezens. Deze verdienstenoverdracht geschiedde meestal volgens de gebruikelijke Bodhisattvageloften, aan alle wezens, maar vaak werd die verdiensteoverdracht ten voordelen van de afgestorvenen gedaan. Shinran verwerpt eveneens de mogelijkheid verdiensten te verwerven, en bijgevolg ook het overdragen ervan, zelfs dŕŕr waar het om kinderlijke piëteit gaat.

In zijn opvatting is de verdienste van de Nembutsu uitsluitend (yui) de verdienste die Amida, het Oneindige Boeddhaschap, aan de wezens overdraagt en niet een verdienste waarover de mens zelf kan beschikken.

 

Ik, Shinran, heb uit piëteita voor mijn (overleden) ouders zelfs niet één maal de Nembutsu gezegdb.


a
- piëteit (kyōyo): kinderlijke eerbied, zorgzaamheid voor de ouders, hier meer algemeen als hulde aan de overleden ouders bedoeld, een belangrijk onderdeel van de Chinese en Japanse gedragscodes, sterk geďnspireerd op de ethische leer van Confucius.

b - conventioneel wordt de Nembutsu gereciteerd met de bedoeling dat de aldus verworven karmische verdiensten de overleden ouders en voorouders moeten bijstaan om het nirvāna te bereiken.

 

De reden (hiervoor) is dat alle levende wezens, welke ook, sedert zoveel vroegere levens en zovele bestaansvormena, mijn ouders of mijn broeders en zusters zijn.


a
- levens en bestaansvormen: het karmische net van oorzaken en gevolgen, waardoor de opeenvolgende geboortes geconditioneerd wordt. In de loop van deze karmische evolutie, sedert de “beginloze tijd”, zijn immers alle wezens op een of andere manier aan elkaar verwant geweest. Deze opvatting van de karmische verwantschap der wezens kan overigens ook in figuurlijke zin opgevat worden, wat de eenheid van wezens en dingen en tevens de wederzijdse solidariteit čn verantwoordelijkheid van de wezens beklemtoont.

 

In het hiernavolgende leven een Boeddha wordenda, moet ik elk van ze redden.


a
- Boeddha worden: het verwezenlijken van het Reine Land (= nirvāna) is niets anders dan het Boeddhaschap deelachtig worden. Deelnemend aan dit (vormloze) Boeddhaschap, wordt de restactiviteit van elk “wezen” mee werkzaam in de natuurlijke, spontane werking van het Grote Mededogen, dat de Gelofte-Kracht (gan-riki) is.

 

Wanneer ik (hiernaar) op eigen kracht zou kunnen streven, dan zou dit waarlijk een goede handeling zijna; dan zou ik inderdaad (de verdienste van) de Nembutsu overdragenb om vader en moeder naar het heil te helpen.


a
- goede handeling, goede praktijk: de goede praktijk is enkel mogelijk voor volmaakt goede wezens, heiligen en wijzen die binnen of dicht bij het charisma van de historische Boeddha leven. Vermits de doorsnee-mens niet in dat geval is, en door zijn existentie gebonden blijft aan begeerte, haat en fundamentele onwetendheid, blijft de efficiënte (d.i. goede) praktijk buiten zijn bereik. Het aanspraak maken op een doeltreffende, heiligende eigen-praktijk is voor het grote gros van de levende wezens enkel een vorm van hoogmoed, zelfverheerlijking en zelfbegoocheling.

b - overdracht van verdienste (ekō): een karmisch goede daad verwekt een karmisch gunstige verdienste. In principe kan dergelijke verdienste overgedragen worden. Maar de dwaze, tot zonde geroepen mens kan geen echt religieus-goede daad stellen en bijgevolg geen verdienste overdragen.

 

Wanneer ik echter die eigen-krachta laat varen en (daardoor) spoedig de verlichtingb verwezenlijk, - in wat voor karmisch lijdenc in de zes paden van bestaand en in de vier soorten van geboortese (de wezens) ook zinken – en beginnend bij diegenen met wie ik karmisch het nauwst verbonden ben, dank zij de hogere wetensvormenf en de geschikte middeleng zal ik dan bij machte zijn ze (naar de andere oever) te voeren.


a - eigen-kracht (jiriki): de zelf-georiënteerde wil, de persoonlijke plannen, noodzakelijkerwijze direct of indirect gebaseerd op gehechtheid, haat of illusie. Deze beperkte ik-gerichte berekeningen (hakarai) zijn het die zich verzetten tegen de inwerking van de Ander-Kracht (tariki), welke niets anders is dan de dynamiek van Amida’s Grote Mededogen.

b - verlichting (satori): bodhi, nirvāna, de Geboorte in het Reine Land. Wie in dit bestaan shinjin, de toestand van het diepe, volledige vertrouwen in de Ander-Kracht, deelachtig wordt, verwezenlijkt verlichting op het moment zelf van zijn (laatste) sterven.

c - karmisch lijden (gōku): vrucht van onheilzame karmische daden (akugō), waaraan binnen de lijdenswereld van geboorte-en-dood niemand kan ontsnappen.

d - zes paden van bestaan (rokudō): de werelden waarin volgens de Indisch-Boeddhistische kosmologie zich het bestaan der ‘voelende’ wezens afspeelt: 1) de hellewerelden, 2) de wereld van de hongergeesten, 3) de dierenwereld, 4) de wereld van de demonen, 5) de mensenwereld en 6) de godenwerelden. Deze zes paden van bestaan worden vaak ook in psychologische zin geďnterpreteerd.

e - vier soorten van geboortes (shishō): begrip uit de Oudindische natuurwetenschappen, zijnde: 1) geboorte uit een baarmoeder, 2) geboorte uit een ei, 3) geboorte uit een schimmel, 4) geboorte door plotse verandering (spontane geboorte, metamorfose).

f - hogere wetensvormen (jinzū, Sanskriet abhijnā): de hogere vormen van kennis en wijsheid, eigen aan het Boeddhaschap: kennis der geheime natuurkrachten, het goddelijke oog, het goddelijke oor, het kennen van andermans gemoed, de herinnering aan vroegere bestaansvormen, de wetenschap het onheilzame in het heilzame om te zetten.

g - geschikte middelen (hōben, Sanskriet upāya): de aangepaste heilsmiddelen waarmee Boeddha’s en Bodhisattva’s de lijdende wezens, vaak buiten hun eigen weten om, helpen op de weg naar de verlichting. De geschikte middelen zijn een onderdeel van de Gelofte-Kracht. Shinran Shōnin gebruikt hōben eveneens als aanduiding voor de praktijken verbonden aan de 19de Gelofte (zelfkracht-Nembutsu) en aan de 2Oste Gelofte (meditatieve en niet-meditatieve goede praktijken), door Amida aangewend om de beoefenaars van de eigen-kracht geleidelijk te leiden tot het ontvangen van de werking van de Ander-Kracht.

 

Ekō 24

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home