Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (8)

Hōke-Nido (de Verheerlijkings- en Verschijningslanden)

Samenstelling waarmee verkort het Verheerlijkingsland (= Reine Land; zie hōdo) en het Verschijningsland (= Grensland, enz.; zie hōben-kedo) aangeduid worden.

Hombutsu (hoofd-Boeddha)

In de meeste Boeddhistische stromingen (en/of tempels) is er meestal één Boeddhafiguur die als belangrijkste beschouwd wordt en dan ook het belangrijkste voorwerp van hulde en verering is. Zo is Shākyamuni b.v. de hombutsu in de Theravāda-en Zen-stromingen, en Vairocana (Dainichi) in de Shingon-scholen. In de Jōdo-Shinshū is Amida niet enkel de hombutsu, maar tevens de enige Boeddha waaraan hulde gebracht wordt.

Vermits Amida staat voor het Oneindige Boeddhaschap, omvat hij alle andere Boeddha’s en Bodhisattva’s, die allen beschouwd worden als zijnde manifestaties en projecties van Amida Buddha.

Deze exclusiviteit heeft sommigen er weleens toe verleid Amida voor te stellen als een “énige God” en aan de Jōdo-Shinshū monotheïstische neigingen toe te schrijven. Dergelijke toeschrijving is evenwel slechts de vrucht van evangelische wensdromen en begripsverwarringen. Duidelijker zou alleszins zijn in dit verband te spreken van een “mono-boeddha-isme”.

Hōmetsu (tijdperk zonder Leer )

Vanaf de oudste tijden leeft in alle Boeddhistische middens, zowel Hīnayāna als Mahāyāna het besef van de eigen vergankelijkheid. De Leer (Dharma) heeft van nature uit immers twee niveaus: een absoluut niveau, weerspiegeld in de fundamentele leerstellingen (o.a. Vier Edele Waarheden, Ontstaan in Afhankelijkheid, enz.) die onafhankelijk van tijd en ruimte onbeperkt en oneindig werkzaam blijven op wezens en dingen, - maar ook een menselijk, historisch niveau (leraars, discipelen, schriftuur, tempels, enz.). Dit laatste aspect is ‘werelds’ en bijgevolg onderhevig aan vergankelijkheid, verandering en ondergang. De Boeddhistische leersystemen en instellingen gaan dus onvermijdelijk een ondergang tegemoet.

Deze ondergang wordt traditioneel in drie etappes gezien: 1° het Tijdperk van de Ware Leer (500 of 1 000 jaar na Shākyamuni), 2° een Tijdperk van de Schijnbare Leer , en 3° een Tijdperk van de Ondergaande Leer (mappo). Na verloop van deze drie periodes begint een Dharma-loos tijdperk.

Daarin zijn leersystemen en -instellingen verdwenen; enkel de absolute leer (paramārtha-saddharma) blijft dan over, zelfs buiten het weten van de wezens. Deze Dharma treedt dan in de wereld op als de dynamiek van het Oneindige Boeddhaschap, de Gelofte-Kracht, ook Ander-Kracht genaamd, die onafhankelijk van de historische evolutie van het Boeddhisme werkzaam blijft en de wezens naar het nirvāna (= Reine Land) voert.

Shinran zegt daarom dat vanaf het derde tijdperk enkel de Reine-Landvorm van het Boeddhisme nog efficiënt blijft, ook na het verdwijnen van de Leer: “Wanneer ik in geest al die zaken overschouw, dan kunnen de diverse leringen van het Pad der Wijzen niet langer meer nuttig beoefend worden en is Verlichting op die wijze uitgesloten. Daartegenover wordt de Ware lering van het Reine Land als pad naar de Verlichting nu doorslaggevend.”(KGSS, VI, 117).

Hongaku (ingeboren boeddha-natuur)

Het Boeddhaschap is in alle wezens, vanaf ‘de beginloze tijd’, ingeboren. Het is deze aard die ze uiteindelijk tot de verlichting voert.

In de meeste Mahāyāna-scholen wordt deze stelling gezien als de al-aanwezigheid van de Verlichting. Essentieel zijn alle wezens dan ook ex origine verlicht (dus Buddha) en is de Verlichting niets anders dan het moment waarop de wezens tot de verwerkelijking van deze aanwezigheid komen. Deze opvatting kan filosofisch verklaard worden door het niet-dualistisch karakter van het Boeddhisme. Zoals er geen fundamenteel onderscheid is tussen nirvāna en samsāra (de verlossing en de lijdenswereld), zo is er geen fundamenteel onderscheid tussen de Boeddha en de ‘niet-verlichte’ wezens. Het Pad der Wijzen (het Boeddhisme van de zelf-kracht scholen) moedigt meditatieve praktijken en “goede werken” aan om de ingeboren Verlichting te realiseren. Het Shin-Boeddhisme stelt daarentegen dat onze Verlichting verwezenlijkt wordt ten gevolge van de werking van Amida Buddha. Diens Gelofte-Kracht, de natuurlijke werkzaamheid in ons van Amida’s Praktijk en Mededogen, brengt de ingeboren Boeddha-natuur tot uiting.

Shinran Shōnin schrijft hierover o.m.: “Wanneer wij het Boeddhaland van Vrede en Geluk bereiken, dan openbaart onze Boeddha-natuur zich als de begiftiging van de Kracht van de Voortijdelijke Gelofte.”(KGSS, V, 37).

De oorspronkelijke ingeborenheid van de Boeddha-natuur in de wezens is één van de hoofdstellingen van de Tendai-school, maar speelde ook in de evolutie van de Reine-Landstroming een aanzienlijke rol. De 6de patriarch van de Jōdo-Shinshū, Genshin, verdedigde met klem (in zijn Ichijō-yōketsu) deze opvatting en het is blijkbaar door hem dat Shinran ertoe gebracht werd aan hongaku een belangrijke rol in de verwezenlijking van de Verlichting toe te kennen.

Hongan (Voortijdelijke Belofte)

Sanskr. pūrva-pranidhāna, Chin. pen-yüan

Het Mahāyāna-Boeddhisme heeft de idee van mededogen (karunā) uitgewerkt tot het concept pranidhāna en zelfs pūrva-pranidhāna. Buiten de “gewone” geloften (meestal 4) die de Bodhisattva aflegt, werden sommige bijzondere Bodhisattva’s gezien als de belichaming van “bijzondere” geloften. Zo kent men voor Samantabhadra en Ksitigarbha b.v. elk 10, voor Dharmākara zelfs 48 geloften (in de Chinese versie).

Ofschoon deze term dus vaak voorkomt, zijn zijn implicaties niet altijd duidelijk. Gewoonlijk wordt pranidhāna vertaald als “gelofte, diepe wens, wil”, maar deze woorden geven niet de volle betekenis van het origineel weer, want pranidhāna impliceert diverse bijbetekenissen zoals “gerichte al-liefde”, “geobjectiveerd mededogen”, zodat de “gelofte” toepasselijk wordt in praktisch elke levenssituatie. D. T. Suzuki geeft aan deze term zelfs de Engelse vertaling “prayer”.

De Voortijdelijke Gelofte is een vitale kracht, waarvan het werkingsveld in elk wezen aanwezig is om dit naar de Volkomen Verlichting te voeren. Zo kan men b.v. zeggen dat ze in Shākyamuni optrad om hem aan te sporen de Grote Sūtra te prediken, waardoor de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte tijdruimtelijk (d.i. historisch) gereveleerd werd. De Voortijdelijke Gelofte is de uitdrukking van Amida’s wil als karunā. Samen met prajnā (Wijsheid) vormt karunā voor ons de personaliteit van de Boeddha, en verder dan de Boeddha, van het Boeddhaschap.

“Voortijdelijk” (soms ook weergegeven als “oorspronkelijk”) betekent letterlijk “vóór” in tijdsverband, wat inhoudt dat de Voortijdelijke Gelofte aan het bestaan van elk wezen voorafgaat. Ze is de basis zelf van elk wezen, doordat ze elk wezen tot een zeker spiritueel zelf-besef brengt vanuit de bodemloze diepte en vanuit het beginloos verleden, d.i. vanuit het Dharmalichaam als Zo-heid (dharmakāya-dharmāta , hossho-hosshin). M.a.w. de Voortijdelijke Gelofte is de natuurlijke heilsdynamiek van Amida Buddha (als Oneindig Boeddhaschap werkzaam in Mededogen) die dan het aspect van hōben-hosshin, dharmalichaam van geschikte middelen, aanneemt. Het is de diepe wil die oprijst uit de meest mysterieuze levensbronnen om alle wezens te bevrijden uit de karmische wereld van geboorte-en-dood. De Voortijdelijke Gelofte is dan ook Namu Amida Butsu zelf in menselijke benadering.

(Naast hongan vindt men voor de Voortijdelijke Gelofte eveneens seigan: “de Gelofte bij uitstek” en gugan of guzei: de Allesomvattende Gelofte.

Hongan-riki (Gelofte-Kracht)

Sanskr. pūrva-pranidhāna-bala. Chin. pen-yüan-li.

De Kracht van de Voortijdelijke Gelofte, de natuurlijke werking die ontstaat uit de Gelofte en geactualiseerd wordt door shinjin (de toestand van Diepe Overgave). Het is door de werking van hongan-riki dat de wezens shinjin kunnen verwezenlijken en aldus in het Reine Land geboren worden.

T’an-luan voerde bovendien het begrip hongan-tariki in: de Ander-Kracht van de Voortijdelijke Gelofte, om aan te duiden dat deze gelofte geenszins vermengd is met enige vorm van “eigen-kracht”. In Tannishō, 3 herneemt Shinran deze term.

Hōon-kō (Eredienst uit dankbaarheid)

Religieuze viering belegd om dankbaarheid te betonen voor bewezen diensten. Meer in het bijzonder de religieuze bijeenkomst waarop Shinrans heengaan herdacht wordt. Volgens de zonnekalender is dit 16 januari.

Naast deze”grote” Hōon-kō, worden in veel tempels en bij leken vaak maandelijkse Hōon-kō-vieringen belegd (op de 16de van elke maand).

Hōsha-no-nembutsu (de Nembutsu van dank)

Door de gelovige wordt de Nembutsu niet gereciteerd met enige bedoeling, wat een blijk zou zijn van toegeven aan eigen-kracht en bijgevolg twijfel aan de Ander-Kracht; maar enkel als uiting van dankbaarheid voor Amida’s onvoorwaardelijke gave van het heil aan alle wezens, onder de vorm van de Gelofte-Kracht.

Hōshō-zammai (spontaneïteits-samāhdi)

Is de geestelijke concentratietoestand (samādhi) waarin de Bodhisattva’s vanaf de achtste trap (bhūmi) vertoeven; in dit stadium zijn al hun handelingen spontaan, moeiteloos en natuurlijk.

Het woord hōshō verwijst naar elk vermogen, zoals b.v. het zien of het horen, dat aangeboren is zonder enige behoefte het te verwerven. Het heeft een betekenis als ‘wat de eigenschap van het leven zelf is’ en is het tegengestelde van hetgeen men ‘verwerft door inspanning of praktijk met het inzicht te verwerven’.

In KGSS IV, citeert Shinran Jōdo-ron chū, T’an-luan’s commentaar op Vasubandhu’s “Verhandeling over het Reine-Land”: “Hier verkrijgt de bodhisattva de ‘hōshō-zammai’ geheten samādhi. Door de wonderlijke kracht eigen aan deze samādhi, kan hij zich gelijktijdig, in één gedachtemoment manifesteren in de tien richtingen, om op elke plaats hulde te brengen aan alle Boeddha’s en alle Boeddha-verzameling-oceanen. Zelfs in een ontelbaar aantal werelden waar er geen Boeddha, geen Dharma en geen Sangha zijn, manifesteert de bodhisattva zich op de meest diverse manieren, en op evenveel manieren onderricht, bekeert en bevrijdt hij de wezens. Aldus is hij onophoudelijk de Boeddhawerken aan het verrichten. En toch heeft hij van den beginne af, in zijn gemoed niet de minste gedachte aan komen en gaan, niet de minste gedachte aan huldebrengen en niet de minste gedachten aan wie ook te bevrijden.”

Ekō 24

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home