De Plaats Van Shinran Shōnin In Het Boeddhisme (10)

Houdt men de omzwenking die Shinran Shōnin aan de inhoud van de Nembutsu gegeven heeft, vóór ogen, dan vertegenwoordigt zijn doctrinale hoofdwerk Kyō Gyō Shin Shō een zeer belangrijke stap in de evolutie van de historische relatie tussen de Praktijk en de Diepe Overgave. Het is dan ook goed voor een duidelijk begrip van dit probleem terug te keren naar het 3de hoofdstuk van dit werk.

De structuur zelf reeds van dit hoofdstuk is een duidelijke weergave van de primordiale bekommernissen van de auteur.

Het eerste gedeelte ervan (1-113) is de uiteenzetting van de Diepe Overgave (“shinjin” = vertrouwen-gemoed) zoals die gefundeerd is in de geest čn in de verwoording   van de 18de Gelofte. Deze uiteenzetting kan men onderverdelen in 3 secties:

(1-18)

expositie en bepaling

(19-72)

vragen en antwoorden betreffende de betrekkingen tussen de “Drie Geesten” van de Meditatie Sutra in Shan-tao’s commentaar en de “Ene Geest” enerzijds, en de gemoedsaspecten in de 18de Gelofte.

(73-113)

supplementaire nota’s aangaande de Diepe Overgave.

Om beter de reikwijdte van deze lange en soms zware uiteenzetting te vatten, moet men voortdurend de tekst van de 18de Gelofte vóór ogen houden, - en wel in die versie van de Grote Sutra die door Shinran Shōnin beschouwd werd als de meest orthodoxe. Niet dat de andere versies van de Grote Sutra door hem afgewezen werden (hij citeert ze vaak genoeg), maar de “Dai Muryōju-kyō” in twee delen (Fo-shuo wu-liang-shou ching, rond 252 door Samghavarman uit het Sanskriet vertaald) was voor hem de duidelijkste expressie van de Leer.

In deze versie luidt de 18de Gelofte:

Indien ik, na het verwezenlijken van het Boeddhaschap, de wezens in de tien richtingen die een gemoed van oprechtheid, een kalm vertrouwen en het verlangen in mijn land geboren te worden, hebben, aldaar niet zouden geboren worden, ook niet met tien uitingen (van de Nembutsu), moge ik dan de Volkomen Verlichting niet verwezenlijken, - uitgezonderd diegenen die de vijf hoofdzonden begaan hebben of de Ware Leer misbruikt hebben.

Uit deze tekst kan men, Shinran achterna, de drie hoofdbestanddelen van de Gelofte, uitpuren:

- gemoed van oprechtheid
- kalm vertrouwen
- verlangen in het Reine Land geboren te worden.

Hierin volgt Shinran niet een eigen inspiratie, maar gaat hij te rade bij Shan-tao (Zendō, 613-681) in diens commentaar op de Meditatie Sutra. Bij deze vergelijking stelt men vast dat de drie elementen van de 18de Gelofte een nauwe overeenkomst vertonen met de drie gemoedsaspecten die Shan-tao vermeldt, maar dan in een grotere eenheid van gemoed: de “Ene Geest” = i-shin, eensgerichtheid van het gehele gemoed, waarvan ook reeds bij Vasubandhu sprake is.

Zoals gebruikelijk, citeert Shinran overvloedig teksten en commentaren om zijn interpretaties te staven.

Uit dit gedeelte van het hoofdstuk vloeit voort dat de Nembutsu, als mechanische verklanking van Amida’s Naam en geconcentreerd op het aantal “uitingen” noch oorzaak (“hetu”) noch voorwaarde (“pratyaya”) voor de geboorte in het Reine Land kan zijn; het is enkel de Diepe Overgave, afkomstig van de Ander-Kracht, van en door die Ander-Kracht ontvangen, die de essentiële, d.i. noodzakende oorzaak van de Geboorte is.

Vermits evenwel deze Diepe Overgave in ons tijdruimtelijke mensenbereik vergezeld gaat van de Nembutsu, de Naam (“myōgō”) als transpositie in mensenklank, reveleert de Nembutsu zich voor ons als door onze zinnen en organen vatbare expressie van de Ander-Kracht.

Het tweede gedeelte van het hoofdstuk gewijd aan “shinjin” (114-123) is de uiteenzetting van de universele bevrijding door de Diepe Overgave, d.i. de vervulling van de 18de Gelofte.

Wat deze vervulling betreft, kan zich bij een eerste lectuur een bevreemdend verschijnsel voordoen.

Herneemt men de tekst, niet enkel van de 18de Gelofte, maar van alle geloftes (niet enkel dus in de Grote Sutra, maar in alle teksten waarin bodhisattva’s ‘bijzondere geloftes’ afleggen), dan komt men te staan voor een schijnbare contradictie. Hoe immers kan men ‘logisch’ begin en einde van elke van die geloften samenrijmen:

-           “indien ik na het verwezenlijken van het Boeddhaschap…”
en
-           “moge ik dan de Volkomen Verlichting niet verwezenlijken…”

Dergelijke woorden worden steeds gelegd in de mond van bodhisattva’s, waarvan de sutra’s steeds duidelijk zeggen dat ze Boeddha’s geworden zijn, dus de Volkomen Verlichting inderdaad verwezenlijkt hebben. De enige mogelijke verklaring voor deze paradoxale formulering is dat de geloften reeds vervuld zijn, d.i. dat alle wezens inderdaad reeds zouden verlost zijn.

Hiermee dient verstaan te worden dat de vervulling van de geloften en in het bijzonder die van de 18de Gelofte, geen historisch feit is, maar een verwezenlijking buiten elke tijd/ruimte-relativiteit. Of typisch in Mahāyāna-taal uitgedrukt: zodra het dualiserend onderscheid samsāra/nirvāna weggewerkt is, is de verlossing absolute realiteit geworden.

De vervulling van de 18de Gelofte heeft dus, in onze relatieve termen uitgedrukt, reeds plaats gehad in een “beginloze tijd”.

In wezen zijn alle wezens reeds uit de lijdenswereld verlost. In deze zin, maar enkel in deze zin, is het Reine Land een immanentie.

De onderlinge verhouding tussen beide gedeeltes van het 3de hoofdstuk biedt aan Shinran Shōnin de mogelijkheid duidelijk te stellen dat de Nembutsu geen “gebed” is dat door de mens gedacht of gesproken wordt met het oog op enig geestelijk of stoffelijk voordeel, d.w.z. een praktijk gekenmerkt door een uiting van “eigen kracht” (ji-riki). De ware Nembutsu is immers geen praktijk die ontspringt in de mens. De bron van de Nembutsu is het Boeddha-gemoed, de “bodhi-citta”, de aanwezigheid in ons van het Boeddhaschap. De Nembutsu is de zelf-expressie van het Boeddhaschap, een “roepen geslaakt door de Boeddha”, d.i. door de Ander-Kracht (ta-riki) en die gericht is tot de wezens die verstrikt zijn in hun samsāra.

Niet alleen is de Nembutsu de roep van de Boeddha, gepersonaliseerd als Amida Buddha, de Boeddha van de Oneindigheid in Wijsheid en Mededogen, maar simultaan drukt hij in zijn verbale vormgeving het antwoord op deze roep uit. Dit antwoord is a.h.w. het vermenselijkte spiegelbeeld van de Nembutsu.

Dat betekent ook dat de handeling deze Tariki-Nembutsu uit te spreken (d.i. de verbale functie van spiegelbeeld van het Boeddhaschap te assumeren!) in se te onzen opzichte de vervulling is van Amida’s Voortijdelijke Gelofte; dit reciteren van NAMU AMIDA BUTSU is niet enkel de verzekering van het heil als nirvāna, maar tevens de interne, impliciete bewijsvoering van de reeds verwezenlijkte en vervulde bevrijding.

(wordt vervolgd)

Ekō 25

De Plaats Van Shinran Shōnin In Het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home