Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (9)

Hosshin (Dharma-lichaam, lichaam van de leer)

Sanskr. dharmakāya, Chin. fa-shen

Wordt gewoonlijk vertaald als Lichaam van de Leer of Lichaam van de Wet. Het Boeddhistische begrip dharma heeft evenwel een veel ruimere betekenis. In werkelijkheid is deze term moeilijk vertaalbaar door de divergerende betekenissen die het begrip in de loop der eeuwen gekregen en bijgekregen heeft. D. T. Suzuki denkt aan “organization”, “systematization”, “regulative principle”. In het Nederlands zou men kunnen denken aan “wetmatigheid”, maar dan met inbegrip van hetgeen aan die wetmatigheid onderworpen is (subject + object van de wetmatigheid).

In filosofische zin kan hosshin = dharmakāya ongetwijfeld gelijkgesteld worden met een ‘Hoogste Realiteit’, die echter niet ontologisch, maar strikt religieus dient verstaan te worden als de hoogste heilsrealiteit. Deze heilsrealiteit is daarbij geen abstractie, maar manifesteert zich in en dóór de wezens, als zinvol, natuurlijk en doeltreffend in een onvoorwaardelijke en niet-personifiërende liefde voor al het bestaande.

Lichaam (kāya , -shin) mag dus niet in een lichamelijke zin opgevat worden, maar als een “veld” dat door activering ook “werkingsveld” voor de natuurlijke heilsactiviteit van het Boeddhaschap wordt. Dit werkingsveld krijgt vorm, gestalte en naam als Amida Buddha.

Dharmakāya is daarom de absolute natuur van het Boeddhaschap. Het is ondenkbaar, onverwoordbaar, vorm- en kleurloos, niet-gemanifesteerd en substantieloos (leegte = sūnya).

In het Tibetaanse Boeddhisme staat dit begrip voor het abstracte aspect van de absolute ‘natuur’ verwezenlijkt als ‘wijsheid’ en wordt daarom prajnā-dharmakāya genoemd als zijnde de hoogste geestelijke eigenschap die in alle volmaaktheden belichaamd is. In het Shin-Boeddhisme daarentegen wordt hosshin benadrukt als de bron van Amida’s Gelofte-Kracht. (Zie ook hosshō hosshin, hōben hosshin).

Hosshin seppō (dharma-lichaam als prediking)

Typisch begrip voor de Tendai- en Shingon scholen: de vormloze dharmakāya zet in alle verschijningsvormen de Leer uiteen. In het Shin-Boeddhisme is dit predikende dharmalichaam het dynamische aspect van de absolute dharmakāya (dharmakāya als ‘geschikt middel’, upāya = hōben hosshin) dat zich in de lijdenswereld manifesteert als “predikende Amida” = de activiteit van het Mededogen.

Hosshō (dharma-natuur, dharma-heid)

Sanskr. dharmatā

Rekening houdend met de betekeniswaaier van dharma = hō, gaande van “wetmatigheid, leer, tot en met ‘ding-heid’ (bestaansfactor, kennis-element), terwijl shō = S-tā ‘aard, eigenschap, natuur’ kan betekenen, geeft men aan hosshō de betekenis gegeven van ‘absoluutheid, essentie van het bestaande’, zowat als synoniem voor shinnyo (S tathatā) = Zo-heid.

J. Takakusu wijst er met klem op dat ‘tathatā’(zo-heid) nooit mag verward of verwisseld worden met ‘tattvā’ (is-heid, wezen-heid).

Hotsugan-ekō (geboorte-verlangen en overdracht)

In het Shin Boeddhisme verschilt de betekenis van de traditionele die in de oudere Reine-Landscholen gehuldigd werd. Het is dus niet “verlangen naar Geboorte in het Reine Land en de verdienste ervan overdragen op de andere wezens”, maar wel het feit dat Amida dit verlangen reeds gewekt heeft en zijn verdienste op de wezens overdraagt. Shinran Shōnin in KGSS 11, 34  “Hotsugan-ekō verwijst naar het gemoed waarin Tathāgata, reeds de Gelofte uitgedrukt hebbend, zijn praktijk (met het oog op Geboorte) overmaakt aan alle wezens”.

Het is daarom dat ons verlangen naar het Reine Land niet een eigen verworvenheid is, maar een “gave” van Amida is. Deze gave kan geïnterpreteerd worden als de natuurlijke drang naar het heil die in de wezens aanwezig is.

Er is ook geen sprake van eigen verdienste hieraan verbonden.

Hōzō (schat van de leer)

Sanskr. dharma-kosa, dharmākara, Chin. fa-tsang

Oorspronkelijk de plaats waar de canonieke teksten (sūtra’s) en commentaren (sāstra’s) bewaard worden. Daardoor ook overdrachtelijk elke plaats of gelegenheid waar de Leer vertegenwoordigd en verkondigd wordt.

Later kwam hierbij de betekenis van “alle verdiensten voortspruitend uit de beoefening van de Leer”. Shin-Boeddhistisch betekent deze term dan ook Amida’s Naam, waarin alle verdiensten van de Leer samengebundeld zijn en waarin de gehele inhoud van de Leer bevat is.

Zie ook Hōzō Bosatsu.

Hōzō Bosatsu

Sanskr. Dharmākara Bodhisattva.

Naar de Grote Sutra, is Dharmākara de bodhisattva die de Geloften aflegde alle wezens in de tien richtingen te verlossen uit het lijden; door de vervulling van deze geloften werd hij dan Amida Buddha. In strikte zin is Amida’s Voortijdelijke Gelofte dus eigenlijk Dharmākara’s gelofte.

Hōzō is geen historisch personage, maar wordt beschouwd als de causale staat van Amida (die in de absoluutheid van het Dharmalichaam buiten de coördinaatsystemen van oorzaak/gevolg en ruimte/tijd staat). Deze identificatie blijkt o.m. uit het voorkomen van de uitdrukking hōzō gan-riki = Dharmākara’s Geloftekracht.

In de historicisering van Dharmākara Bodhisattva zien we duidelijk dat Amida niet een statisch symbool voor absolute waarheid is, maar wèl de uitdrukking van de nooit-aflatende werkzaamheid van het Grote Mededogen, wat de kern uitmaakt van het Mahāyāna-Boeddhisme.

In “Ichinen-tanen mon’i” zegt Shinran hieromtrent: “Vanuit de schattenoceaan van de zo-heid manifesteerde zich vorm en nam de benaming Hōzō Bosatsu aan, die door het vestigen van de hinderloze Gelofte als oorzaak, Amida Buddha werd. Om die reden wordt Amida de ‘Tathāgata van het vervulde lichaam’ genoemd… Deze Tathāgata is ook bekend als zijnde “Namu fukashigikō butsu” (Hulde aan de Boeddha van het Onvatbare licht), die het dharmalichaam als geschikte middelen (hōben hosshin, zie aldaar) is. ‘Geschikte middelen’ verwijst naar manifesteren van de vorm, naar openbaren van de naam en naar zichzelf kenbaar maken voor de wezens.”

Ichijō (het éne voertuig)

Sanskr. eka-yana

Het Ene-Voertuig in contrast tot de Drie Voertuigen (“sanjō”) als de éne absolute Leer waardoor alle wezens het Boeddhaschap kunnen verwezenlijken; wordt daarom ook ichi-butsu-jō, het Ene-Boeddha-Voertuig genoemd.

Het Tendai-Boeddhisme noemt zichzelf de hoogste lering van het Ene Voertuig, gebaseerd op de Lotus Sutra, vermits het Ene Voertuig niets of niemand uitsluit en geen onderscheid onder de wezens maakt.

Shinran gaat evenwel verder en spreekt van het “Ene-Boeddha-Voertuig van de Voortijdelijke Gelofte” en ook van “de Oceaan van het Ene Voertuig van de Voortijdelijke Gelofte”, in de zin dat enkel door de kracht van de Voortijdelijke Gelofte de Volkomen Verlichting kan verwezenlijkt worden.

In “Ichinen-tanen mon’i”: “Het Ene-Voertuig verwijst naar de Voortijdelijke Gelofte.”

In “Yuishinshō-mon’i”:  “Vermits er niemand is, noch onder de wijzen van Mahāyāna of Hīnayāna, noch onder de onwetenden noch onder de goeden of slechten, die het hoogste nirvāna verwezenlijkt door zijn zelf-ontwikkelde wijsheid, worden wij aangespoord te treden in de Oceaan van de Wijsheidsgelofte van de Boeddha van het Ongehinderde Licht.” Voor Shinran is er inderdaad slechts één enkele weg naar de Volkomen Verlichting, nl. die van Amida Buddha. In KGSS I: “Dit is het uiteindelijke verkondigen van de uiterste Ene-Voertuig lering.” In KGSS II citeert Shinran de Nirvāna Sutra: “Het Ene-Voertuig heet Boeddha-natuur. Daarom zeg ik dat alle wezens de Boeddha-natuur hebben, dat alle wezens het Ene Voertuig hebben.”

Ekō 25

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home