Het Vreugde-Gemoed

Vaak hoort men beweren dat voor de Boeddhist het leven lijden is. Dit is alleszins een foutieve voorstelling van de zaak. Grijpen we terug naar één van de basisteksten, ook uit de Pāli-kanon waarop die bewering pretendeert te steunen, dan leest men sabbe sankhārā dukkhā.

Zonder hier de Pāli-grammatica uit de doeken te willen doen, dient toch onderstreept te worden dat het woord dukkhā hier gebruikt is als bijvoeglijk naamwoord en dat een letterlijke vertaling luidt: “alle bestaansgroeperingen (zijn) door lijden gekenmerkt”.

Men kan zó het onderscheid voelen. De kringloop van geboorte-en-dood, inclusief ziekte, ellende, armoede, ouderdom en sterven, wordt immers als lijden ervaren.

Het lijden is immers de modus waarop wij hier en nu dit leven ervaren, als een pijnlijke existentie. Het leven, dat wetenschappelijk, biologisch neutraal is, krijgt een “kleur” door de manier waarop wij het beschouwen en ondergaan.

Samsāra is niets anders dan het lijden-ervaren van het leven.

Tegenover het lijden, plaatste Boeddha Gautama de vreugde (sukhā). Lees hierover de eerste twee strofen van het Dhammapadam, met het ‘paar’:

“… hem volgt lijden
als het wiel de poot van de os.”

en

“… hem volgt vreugde
als een nooit-aflatende schaduw.”

Zoals tegenover “samsāra” het begrip “nirvāna” staat, zo ook staat tegenover het negatieve lijden, de positieve vreugde.

Men zou bijgevolg - en met wat vereenvoudiging… - evenzo kunnen stellen dat nirvāna zoveel is als het vreugde-ervaren van de kringloop van geboorte-en-dood. Psychologisch bekeken zou nirvāna dan ook kunnen omschreven worden als het (paradoxale!) beleven van geboorte, ziekte, ouderdom, dood, enz. als vreugde, in een wereld van vreugde, een waar Sukhāvatī, het Reine Land van Vreugde.

De ware volgeling van de Boeddha leeft in vreugde. Lezen we hierover nogmaals dat vertrouwde Dhammapadam, b.v. het 15de hoofdstuk, met de Leitmotive:

Susukham vata jīvāma
“Vreugdig waarlijk leven wij…”

of

nibbānam paramam sukham
“nirvāna is uiterste vreugde!”

Wie is het dan die aan het Boeddhisme zo een stroef, triest, droefgeestig uitzicht wil geven? De leer van de Boeddha biedt geen plaats voor frustratie of zwaarmoedigheid. Een volgeling van de Boeddha kan geen zwartkijker zijn:

sukham bhikkhu vihāhisi
“vreugdig zal de monnik leven.”

Nee, nirvāna is geen zwarte negatieve afgrond, maar een paradijs van vreugde.

Elk van ons dient, ook in zijn dagelijks bestaan, de smaak van die vreugde in het leven te ontdekken. Ook midden in ziekte, ellende, passies en zelfbegoocheling.

En die nieuw-ontdekte vreugde in de handelingen van elke dag te onderlijnen, om ze te delen met alle andere wezens: dit is het vreugde-gemoed, shingyō, één van de drie aspecten van de vertrouwensvolle overgave.

Ekō 26

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home