Boeddha Worden (2)

Prof. U. Uryuzu

In zijn Gobunshō schrijft Rennyō: “Daar waar het gemoed van de Boeddha en het gemoed van de dwaze mens één worden, daar is de beoefenaar die het overgave-gemoed (shinjin) verwezenlijkt heeft.” Dit ‘één worden’ is niet zomaar een eenvoudig “1”, maar een “één” waarin de “twee” nog steeds een “twee” zijn. Rennyō schrijft ook nog: “Het zondige gemoed van de lijdende wezens wordt, net zoals het is, maar in de omhulling van Tathāgata’s reine geest, net hetzelfde als Tathāgata’s reine geest.” Maar zelfs wanneer het met passies gevulde gemoed van de lijdende wezens hetzelfde wordt als de reine geest van de Tathāgata, dan verdwijnen die passies daarom niet; ons gemoed blijft gewoon zoals het is. Maar terwijl het blijft zoals het is, toch wordt het dezelfde reine geest van de Tathāgata. Gezien vanuit het standpunt van de menselijke redenering komt dit voor als een tegenspraak. Nochtans staat de werking van het Boeddha-gemoed geenzijds van het dualiteitsdenken eigen aan de menselijke geest. Wanneer Rennyō deze uitspraken doet, spreekt hij niet vanuit het standpunt van de menselijke rede, maar vanuit de feitelijke ervaring van het verwezenlijken van het overgave-gemoed.

Het overgave-gemoed realiseren, dat betekent dat ons bevlekt gemoed ertoe gebracht werd hetzelfde te worden als het Boeddha-gemoed door middel van de werking van de Boeddha-wijsheid. Men zou kunnen zeggen dat dit reine gemoed bestaat vanaf het ogenblik dat we ertoe gebracht worden de bodemloze diepte van onze onwaardigheid te peilen: het volkomen niet-existeren in ons van iets dat werkelijk en oprecht is; het is op dat ogenblik dat ons werkelijk en oprecht gemoed gevestigd wordt. Met andere woorden: wanneer we waarlijk tot het besef komen dat er in ons eigenlijk niets is dat werkelijk en oprecht is, dan treedt in ons het werkelijke, oprechte gemoed op en dat gemoed is dan meteen ook het reine gemoed. Shinjin, het overgave-gemoed, is dit werkelijke, oprechte en reine gemoed. De omzetting van ons dagelijks gemoed in dit werkelijke gemoed, dat is de betekenis van “het gemoed van de dwaze onwetende dat één wordt met het gemoed van de Boeddha”. Deze ervaring die opkomt in ons leven is één aspect van het ‘Boeddha worden’, een aspect dat moeilijk kan ontkend worden.

Zoals men weet, begon het Boeddhisme wanneer Shākyamuni, een gewoon mens zoals alle andere mensen, een Boeddha, een Verlichte werd door het vervullen van allerlei religieuze praktijken. “Een gewoon mens wordt door het vervullen van strenge religieuze praktijken een Boeddha”: dat was het begin van het Boeddhisme en meteen ook werd dit de leidraad voor alle latere verdere ontwikkelingen ervan. Wordt dit punt afgezwakt, dan komt meteen het fundament van het Boeddhisme in het gedrang. Op dit ogenblik kent het Boeddhisme in India, in China èn in Japan een zeker verval precies omdat dit punt slechts zwakjes benadrukt wordt. Immers, als men dit fundamentele punt slechts vaag naar voren brengt, dan vergeet men dat het Boeddhisme gegrondvest is op de idee van het Boeddha-worden dank zij het beoefenen van strenge religieuze praktijken en komt men tot de mening dat het Boeddhisme een godsdienst is waarin de Boeddha vereerd wordt als een voorwerp van aanbidding.

In India, in de 7de eeuw, toen het verwezenlijken van het Ontwaken almaar als moeilijker te realiseren gevoeld werd, begon het Boeddhisme te vervallen. Om deze afbouw te ondervangen, ging het Boeddhisme dichter aanleunen bij het Hindoeïsme (Tantrisme) en andere opvattingen, zodat het op de duur niets anders meer was dan één van de vele vormen van Hindoeïsme. In China, ten tijde van de Sui-, T’ang- en Sung-dynastie toen het Boeddhisme een actieve, levende kracht was, hield men eraan dat de studie en de religieuze praktijk gehandhaafd bleven opdat men in de mogelijkheid zou zijn een “verlichte” te worden. Maar ook dààr begon mettertijd het Boeddhisme te vervallen: het nam verschillende aspecten over van het Taoïsme en andere volksdevoties, zodat ook hier de Boeddha verwerd tot een voorwerp van geloof en verering. Een Boeddha worden door het vervullen van allerlei religieuze praktijken werd sedertdien over het hoofd gezien. Ook in Japan was het zó: het Boeddhisme versmolt er met Shinto en met allerlei vormen van volksgeloof en ofschoon men dit ‘Boeddhisme’ bleef noemen, vervormde zijn diepere inhoud tot allerlei bijgeloof en magisch-rituele praktijken.

Wanneer men vergeet dat de mens een Verlichte kan worden en wanneer men de Boeddha voorstelt als gewoon een voorwerp van geloof en aanbidding, dan vervaagt elk onderscheid tussen de ‘Boeddha’ en de ‘God’ van andere godsdiensten.

Blind geloof in een bovenmenselijke macht brengt iemand ertoe te geloven dat het uiteindelijk om het even is wáárin men gelooft, als men maar sterk genoeg kan geloven. Wanneer zoiets gebeurt, dan verliest wat men ‘Boeddhisme’ noemt elke eigenheid. Op dat moment begint ook het verval van het Boeddhisme. In elke richting, elke stroming, elke sekte die zich ‘Boeddhistisch’ noemt, is dit éne punt de kern van de zaak: hoe kan ik een Boeddha worden? Een vorm van ‘Boeddhisme’ waarin het “Boeddha-worden” vergeten zou zijn, is louter formalistisch en een versteven, dood Boeddhisme.

Het is mogelijk dat sommige mensen zouden denken dat het bovenstaande enkel opgaat voor het z.g. Pad der Wijzen, het Pad van diegenen die Verlichting zoeken te realiseren door eigen-kracht religieuze praktijken, en dat die aantijging niet toepasselijk zou zijn op de Jōdo-Shinshū, vermits deze vorm van Boeddhisme zo totaal verschillend is van het overige Boeddhisme. Er wordt immers gezegd dat de Jōdo-Shinshū aanneemt dat wie in Amida vertrouwt, de zegen van Zijn hulp ontvangt. Het weze hier duidelijk gezegd dat dit niet zò is. Ook in het Shin-Boeddhisme is het “Boeddha-worden” de kern van de zaak. Shinran heeft steeds benadrukt hoe centraal belangrijk het is een Boeddha te worden, b.v. in Mattōshō:

“De essentie van de Gelofte is dat Amida de gelofte uitspreekt van elk van ons een opperste Boeddha te maken.” en ook: “Hij sprak de gelofte uit waarvan de ware bedoeling is om van elk dwaas, zondig wezen (= ikzelf) een Boeddha te maken.” En het is precies om de centrale belangrijkheid van dit punt dat Shinran ook kon zeggen: “Wat verheug ik mij in de zaligheid van de verzekering te weten dat ik onvermijdelijk ertoe gebracht word een Boeddha te worden.”

Ekō 26

Boeddha Worden

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home