De Plaats Van Shinran Shōnin in het Boeddhisme (11)

Shinrans bijzondere opvatting over de verwezenlijking van de Diepe Overgave brengt hem ertoe de zekerheid van het heil (de Geboorte in het Reine Land = het Volkomen Uiteindelijke Nirvāna) niet meer te situeren op het ogenblik van de fysische dood, zoals dit vaak het geval was volgens de meeste traditionele opvattingen zowel in Hīnayāna als in Mahāyāna, maar wèl op dat van hetgeen de Christelijke mystiek noemt het “afsterven aan de wereld”.

Shinran voert ook hier een fundamenteel onderscheid in, waarvan de logische consequenties voor hem doorslaggevend zullen zijn, voornamelijk voor zin en inhoud van het begrip “Geboorte in het Reine Land” (ōjō). Deze geboorte heeft plaats op het ogenblik van hetgeen men de existentiële dood zou kunnen noemen: daar waar het fysisch-bewuste leven als volwaardig, over al zijn morele en spirituele vermogens beschikkende, mens ophoudt. Het enkel-fysisch, “plantaardig” voortbestaan heeft geen enkele religieuze betekenis meer. Zo b.v. in een comateuze toestand is het geestelijke in de mens dood: karmisch gezien “handelt” hij niet meer.

Door zulk onderscheid in te voeren, neemt Shinran van de geestelijk strevende mens een zware obsessie weg. Voor het overgrote deel van de Boeddhisten uit zijn tijd was immers het ogenblik van de dood het beslissende moment: beslissend, omdat het een volkomen vrijheid en helderheid van geest vereist, een sterke concentratie om de allerlaatste karmische vorming van dit bestaan definitief te richten. Denken we b.v. aan het overheerlijke moment waarop de stervende verondersteld werd door Amida en zijn gevolg tegemoetgetreden en naar het Reine Land gevoerd te worden. Of aan de eerste dag in het Bardo met het unieke Licht van de Verlichting dat alles doorzindert, maar dat men op dat éne even unieke moment dient te “vatten”, volgens de leringen van het Tibetaanse Dodenboek. Dergelijke situaties op het stervensmoment eisen krachten en omstandigheden die slechts weinigen in dat moment kunnen opleveren: een gewelddadige plotse dood, sterven buiten bewustzijn, ijlkoortsen e.d.m. zouden dan blokkeringen zijn waardoor het nirvāna meteen ontglipt en men zich tot “de hel” veroordeeld voelt! Wat een akelige idee, zo een risico, zo een pech door een ongeschikt doodsmoment zijn zo verlangde heil te missen! Hoe kan men dan nog spreken over het “ongehinderde licht” van de Boeddha-wijsheid of over het “onbegrensde mededogen”?

De ware Nembutsu is, zoals we hiervóór al zagen, in Shinrans visie dat moment (zij het énig, zij het nog zo kort, nog zo aan onze waarneming onttrokken) van de Diepe Overgave in een permanent hic-et-nunc. Deze beslissende Nembutsu is de zekerheid van het heil. Hij is de “dwarse sprong” weg uit de dwangbuis van geboorte-en-dood. Hij is het absolute - want niet meer menselijk-relatieve - inhaken op de werkzaamheid van de Gelofte-Kracht, de twijfelloze zekerheid van “ōjō” op het ogenblik van de existentiële dood, die van de vernietiging van het “bewuste bewustzijn” en zijn karmische wilsvormingen. Daarbij treedt de fysische, klinische dood niet anders meer op dan als een bestaansmoment beperkt tot een serie verschijnselen in de stoffelijke omgevende wereld en beheerst door een samenspel van biologische, fysiologische of medische gegevens. In dergelijk inwendig milieu kan niet meer gesproken worden van religieuze waarden of spirituele functies.

Dààr waar de vroegere meesters en leraars in de Reine Landtraditie de “Geboorte” verplaatsten naar een zekere ‘toekomst’, heeft Shinran Shonin deze ‘toekomstige toestand’ geïnterpreteerd als zijnde de potentialiteiten die sluimeren in de bodemloze diepte van de menselijke geest.

De daad (en daad zien we hier als “gyō”, als praktijk) de Nembutsu uit te spreken, d.w.z. de Nembutsu als gemanifesteerd te stellen, is daardoor niet zomaar een effectieve verklanking van een Naam of van een serie woorden, maar omvat tevens de wil, de innerlijke noodzaak dergelijke verwoordingsdaad te stellen.

Dit stemt volkomen overeen met dat Boeddhistische Leitmotiv dat ook de intentie zelf reeds waarde van handeling heeft: het is een innerlijke handeling, een daad gesteld door de geest (= manas), die immers als een van de zintuigorganen gezien wordt.

De Nembutsu als verlangen naar uiting en latent in het gemoed aanwezig, is aanleiding tot één van de meest oorspronkelijke opvattingen van Shinran, en blijkbaar van de oudere Shinran, van de mens die alle materiële, sociale en spirituele miseries van zijn tijd aan den lijve ondervonden heeft. Men treft die zeer van de conventie afwijkende opvatting aan in dat korte, maar aangrijpende werk Tannishō (Verhandeling over het Betreuren van Afwijkingen), een bundeling van uitspraken van Shinran, gewoonlijk toegeschreven aan een discipel van zijn laatste levensjaren, Yuienbō. Welnu, in Tannishō 1 leest men inderdaad:

“Wanneer in ons de zekerheid opkomt: ‘Door de onzegbare werkzaamheid van Amida’s Gelofte, zal ik Geboorte in het Reine Land verwezenlijken’, dan ontstaat in ons het verlangen de Nembutsu te zeggen; op datzelfde moment worden wij het grote voordeel deelachtig omvat te worden en niet meer losgelaten.”

Uit deze uitspraak mag afgeleid worden dat voor Shinran de pre-vocale behoefte de Nembutsu te verklanken minstens even belangrijk is als die verklanking zelf.

Het is van belang voor een duidelijker beeld van Shinrans denken, deze uit spraak te zien tegen de achtergrond van de oudste Reine-Land opvattingen.

Eén van de dominerende bekommernissen van de Reine-Landvolgeling was te kunnen sterven in een bewuste geestesrust. Dàn - en enkel dàn! - kon de “beslissende Nembutsu” gesproken worden. Het is immers, zo luidt die oude traditie, op dat precieze ogenblik van overlijden dat de getrouwe en vertrouwende volgeling als het ware de hemel ziet opengaan: Amida zelf, in al zijn glorie zo rijkelijk beschreven in de sutra’s en zo fraai afgebeeld op zovele schilderingen, omringd door de grote Bodhisattva’s Kanzeon (Avalokitesvara: Amida’s aspect van Mededogen) en Daiseishi (Mahāsthāmaprāpta: Amida’s aspect van Wijsheid) en geheel de schare van bodhisattva’s van lagere rang, van heiligen, van beschermende goden, van mensen geboren in het Reine Land, kortom van het geheel van alle mythische wezens die verondersteld worden het Reine Land te bewonen; heel deze stoet daalt uit gouden wolken neer om de stervende te onthalen en hem feestelijk naar het Reine Land te geleiden. Daarbij weerklinkt hemelse muziek en regenen veelkleurige wel ruikende bloembladen neer.

Het is duidelijk dat men hier te maken heeft met een evenement dat primair en letterlijk opgevat, geheel in de lijn van de volksdevotie ligt, maar dat, secundair en op een hoger, abstracter spiritueel niveau, een rijke symbolische en allegorische inhoud heeft, maar eigenlijk alleen voor de monniken en de geletterde leken een directe betekenis heeft.

Toch heeft de verklaring die men aan deze emotioneel geladen verschijning geeft, eigenlijk minder belang dan de geestesvervoering die parallel met het sterven plaatsgrijpt.

Voor ons opzet dient onderlijnd te worden dat die verschijning van Amida verondersteld wordt op te treden op het moment van de fysische dood. Voor Shinran evenwel wordt deze populaire opvatting onhoudbaar zodra men probeert ze te situeren ten opzichte van het Oneindige Mededogen van Amida Buddha. De vereiste van een bewust, helder en geconcentreerd overlijdensmoment komt hem totaal onbegrijpelijk en zelfs beledigend voor het Boeddhaschap voor.

Want hoe zou het mogelijk kunnen zijn dat de vertrouwensvolle gelovige die door oorzaken en condities komt te sterven bij bewusteloosheid, in een gewelddaad of bij een ongeval, in een crisistoestand of zelfs op een ogenblik van zinsverbijstering, de Verzekering van de Diepe Overgave, in hem gewekt door de Boeddha, zou zien verdwijnen. Zou dan de Gelofte-Kracht toch beperkt kunnen worden door om het even welke karmische contingentie?

Dat brengt Shinran, voor wie Amida’s Mededogen geen begrenzingen kent, ertoe een onderscheid te maken tussen de ‘bestaansdood’ van het menselijke wezen en de fysische dood van het menselijke lichaam. Het onderscheid reikt evenwel nog veel verder. De zekerheid van de Geboorte laat hij niet meer afhankelijk zijn van het onberekenbare ogenblik van de dood, maar wel van het ogenblik, zij dit ook enig in zijn aard en kort als het oplichten van de bliksem, waarop de Diepe Overgave (shinjin) in de mens opwelt en hem doorstroomt met het licht van een nieuw, ander leven.

Deze bron van licht blijft immanent, blijft onveranderd want ongehinderd aanwezig, zelfs wanneer men op sommige momenten niet ontkomt aan de smartelijke indruk dat die grote vreugde weer in een afgrondse stilte is gevallen, dat de Diepe Overgave weer verzwonden, door het dagelijkse leven weer verzwolgen werd.

Deze indruk van verlaten te zijn, ook hij situeert zich bij de gewone menselijke illusies: het relatieve wezen dat we zijn is immers niet bij machte op elk moment van zijn existentie, van zijn geworpen-zijn in een relativistisch systeem van ruimte en tijd, het intieme contact met het ‘absolute’ te behouden. De innerlijke dwang van vergankelijkheid verhindert hem het tijdloze te vatten.

Tussen de revolutie die shinjin is, en het dagelijkse bestaan dat hij noodzakelijkerwijze moet voeren, schuift de mens alweer zijn papieren schermen van de karmische vormingen: zijn angsten, zijn verlangens, zijn visies, zijn berekeningen. Waren er niet deze karmische interventies (tussen-komsten), die de mens overigens koestert en versiert, dan zou het Reine Land hem in ‘dit-nu’ bestaan deelachtig worden.

Het is vanuit deze ervaring dat Shinran ontkent dat het Reine Land reeds in dit bestaan kan ervaren worden. Enkel de zekerheid van de Geboorte kan hier en nu ervaren worden. Maar die zekerheid is een verworven feit, hoe of de mens daar zelf over denkt. En deze zekerheid is in zekere zin reeds een potentie van nirvāna, is reeds een nirvanische aanwezigheid, ook al blijft die onder- of onbewust.

Het is dan ook in deze zin van “aanwezig maar verborgen” dat men de bekende verzen uit Shōshinge dient te interpreteren:

“Ofschoon het duister van de onwetendheid verscheurd is geworden,
toch overtrekken wolken van passies, begeertes, nijd en haat
nog de hemel van de Ware Diepe Overgave.
Het is alsof de zon door nevels verborgen is,
maar achter die wolken straalt het licht en is geen duister meer.”

(wordt voortgezet)

Ekō 26

De Plaats Van Shinran Shōnin in het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home