Waarheden

Ryumei Iguchi

De Vier Edele Waarheden vormen in het Boeddhisme de meest fundamentele lering waarin eigenlijk de gehele Buddhadharma bevat is. Hierin vinden we het geheel van het Boeddhisme. Men kan trouwens zeggen dat wat niet expliciet of impliciet in deze Vier Edele Waarheden vervat is, buiten het geheel van de Boeddhistische Leer valt. De Vier Edele Waarheden zijn dan ook niet enkel fundamenten voor de kennis van de Leer, maar zijn ook de basisprincipes voor Boeddhistische opvoeding en Boeddhistische praktijk.

Sākyamuni’s openbaar leven van bij de 45 jaar begon immers met de prediking van de Vier Edele Waarheden in het Hertenpark te Benares. Herinneren we kort aan de formulering ervan:

- al het bestaande is door lijden geconditioneerd,

- dit lijden heeft een oorzaak: onze ik-gerichte onwetendheid,

- het is mogelijk aan dit lijden een einde te stellen,

- het Edele Achtvoudige Pad leidt naar het einde van het lijden.

Anderzijds heeft de Boeddhistische meester Nāgārjuna, die de filosofische structuur voor het Mahāyāna Boeddhisme uitgewerkt heeft, gesteld dat er niet één, maar twee aspecten van waarheid zijn:

- een wereldse, relatieve waarheid, en

- een religieuze, absolute waarheid.

Wanneer we nu de Vier Edele Waarheden in dit verband onderzoeken, dan zien we dat, van de vier, de eerste twee, het lijden en de oorzaak van het lijden, betrekking hebben op de realiteit van het leven en bijgevolg wereldse, existentiële waarheden zijn. Het leven immers is getekend door lijden, waarvan de primaire oorzaak “bonnō” is, de begeerte en de gehechtheid die in ons wortelen ten gevolge van onze fundamentele onwetendheid.

De twee andere waarheden: de opheffing van het lijden en het pad, de methode die voert naar die opheffing van het lijden, twee waarheden die ons tonen hoe we ons kunnen bevrijden uit de lijdenswereld en verlichting verwezenlijken, zijn waarheden van religieuze aard en reiken dus verder dan het wereldse. Bovendien zijn deze twee waarheden intiem in elkaar vervlochten en niet uit elkaar te trekken.

Het lijden in het leven vindt zijn directe oorzaak in “bonnō”: blinde gehechtheid en onophoudelijk begeren. Vermits dit begeren het gevolg is van onwetendheid (de fundamentele zelf-begoocheling), betekent het uitdoven van “bonnō” verlichting, nirvāna, de bevrijding uit de kringloop van geboorte en dood. Deze bevrijding uit het lijden wordt bereikt door het bewandelen van het Achtvoudige Pad, dat opgebouwd is uit moreel gedrag, geestesconcentratie en wijsheid. Het is dank zij deze wijsheid dat we in staat gesteld worden grondig het veranderlijke, vergankelijke en ik-loze in ons wezen te begrijpen en te definiëren.

Wanneer we erin slagen inzicht te krijgen in de realiteit van het leven om ons heen, dan wordt het al maar moeilijker gehecht te blijven aan de dingen die we met onze zintuigen waarnemen. Op deze manier komen we er uiteindelijk toe de volmaakte vrijheid te bereiken, de waarheid van de opheffing van het lijden. Het ware pad dat voert naar de opheffing van het lijden is de praktijk, de beoefening van het Achtvoudige Pad: juist inzicht, juiste gezindheid, juist woordgebruik, juiste handelswijze, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste achtzaamheid en juiste concentratie.

Het is beslist niet gemakkelijk dit achtvoudige pad in de dagelijkse praktijk te brengen. Eigenlijk kunnen enkel de Wijzen het! Daarom spreekt men van het Pad van de Wijzen, aangezien enkel de wijze meesters, de volmaakte mediteerders en de absoluut reinen van geest de praktijk van het Achtvoudige Pad kunnen volbrengen door gebruik te maken van de eigen krachten, van de krachten die in hun geest aanwezig zijn.

De Hīnayāna-traditie van het Edele Achtvoudige Pad heeft in het Mahāyāna-Boeddhisme de vorm aangenomen van de zes Pāramitā’s. Deze zes “Volkomenheden” zijn: die van de “gave”, van de “moraliteit”, van het “geduld”, van de “energie”, van de “meditatie” en van de “wijsheid”. Het beoefenen van deze Volkomenheden, zelfs op laagste niveau, is uiterst moeilijk. Zo b.v. moet de Volkomenheid van de Gave (dāna-pāramitā) beoefend worden om de geest te bevrijden van begeerte en gehechtheid.

In zijn boek “Dynamic Buddha and Static Buddha”, schrijft Susumu Yamaguchi o.m. het volgende over dāna:

“De handeling van het geven bestaat uit drie factoren: de gever, de gave en de ontvanger. Het geven vooronderstelt het bestaan van de gever “ik”, van de gift en van de ontvanger “jij”. Daarom zegt men doorgaans: “Ik geeft Jou een gift”. Over het algemeen zal niemand het in twijfel trekken dat het geven inderdaad op deze wijze geschiedt… In Boeddhistische geest, moet een gave geschonken worden in overeenstemming met de lering van het ‘Ontstaan in Afhankelijkheid’. De drie factoren van het geven kunnen dus als bestaande beschouwd worden omdat ze onderling verbonden zijn en dus relatief ten opzichte van eIkaar, maar de substantie van elk ervan is ‘leeg’ en onbestaande, zoals de drie factoren die bij een luchtspiegeling optreden. Hun ‘bestaan’ is aanvaardbaar vermits ze ten opzichte van elkaar bestaan en aan elkaar gekoppeld zijn… (De Volkomenheid van de Gave) is een geven als een vorm van boetedoening, vermits het als geven ‘leeg’, onwerkelijk en inhoudsloos is, zelfs wanneer die daad door ‘ik’ verricht wordt. Dit is wat in het Boeddhisme de “gave van niet-gave” genoemd wordt. ‘Niet gave’ betekent de negatie van de daad van het geven, welke als werkelijk opgevat wordt; de ‘gave van niet-gave’ is bijgevolg de empirische handeling van het geven die, ofschoon onwerkelijk, toch ervaren wordt als een voorlopige manifestering in onderlinge afhankelijkheid van de gever, van de gift en van de ontvanger… (een) onwerkelijke gave dus, gedaan door iemand die zijn eigen handeling van geven afwijst. Elke Boeddhistische praktijk wordt in deze gemoedsgesteldheid volbracht.”

De ‘gave’ is dan zuivere ‘dāna’ zoals geleerd in de Buddhadharma, maar dergelijke beoefening ligt ver buiten het bereik en de mogelijkheden van de gewone mens zoals u of ik. Het is om deze reden dat, naast het Pad der Wijzen, de Boeddha ook het Pad van het Reine Land verkondigd heeft.

Net zoals in het Hīnayāna en in het Pad der Wijzen, zijn het lijden en de oorsprong van het lijden vervat in de wereldse waarheid. Religieuze waarheid is de Geboorte in het Reine Land (= nirvāna, de opheffing van het lijden), en ook ‘shinjin’ (de vertrouwensvolle overgave) is religieuze waarheid als oorzaak van de Geboorte, d.i. het pad dat naar de opheffing van het lijden voert. Shinran drukt dit als volgt uit in zijn Shōshinge:

“Wanneer de éne gedachte van vreugde in het gemoed gewekt is,
ook al zijn de passies niet heengegaan, toch wordt nirvāna bereikt.
Gewone lui, wijzen, grote zondaars en misvormers van de Leer, ze zijn dan alle bekeerd,
zoals de talloze verschillende rivieren in de oceaan alle tot één smaak gekomen zijn.”

Het is op deze wijze dat de Vier Edele Waarheden uiteengezet worden in de Reine-Landschool: wereldse en religieuze waarheden zijn onderling afhankelijk. Vertrouwen zonder wereldse waarheid is niets anders dan een abstracte geestesconstructie. De wereldse waarheid dient in twee verschillende situaties verstaan te worden: vóór en nà het ontwaken van de diepe, vertrouwensvolle overgave (shinjin).

Voor diegenen die niet tot shinjin ontwaakt zijn, betekent deze wereldse waarheid hoe moeilijk het is alle voorschriften van moraliteit, geestesconcentratie en wijsheid na te leven en de geest in religieuze reinheid te vestigen. Zolang we blijven vertrouwen in onze moraliteit, kunnen we geen religieus gemoed verwerven. Vermits de geboorte in het Reine Land slechts kan verwezenlijkt worden door het diepe besef van de eigen zondige natuur, is beschouwing en doorgronding van de wereldse waarheid uiterst belangrijk.

Er is dus in de Jōdo-Shinshū een bijzondere interpretering van de begrippen ‘wereldse’ en ‘religieuze’ waarheid. Deze eigen interpretering is een logisch vervolg van de doctrine van de “Twee Waarheden” in de andere Boeddhistische scholen (ook in het Theravada Boeddhisme!) en tevens een verdere uitwerking van de opvatting die gold in de vroegere Reine-Landscholen. Anderzijds is het belang van de moraliteit in het leven nà het ontwaken van shinjin in het Shin-Boeddhisme benadrukt op een wijze die helemaal niet voorkomt bij de overige Boeddhistische stromingen.

Het Shin-Boeddhisme is inderdaad geen heilsleer voorbehouden aan heiligen en wijzen, maar een weg naar bevrijding uit de lijdenswereld voor de gewone stervelingen, die zich hopeloos opgesloten voelen in hun dwaasheid en zonde. Dit thema werd door Shinran Shonin uitgedrukt in Tannishō:

“Het is voor ons, wezens vol blinde driften, onmogelijk ons te bevrijden uit geboorte-en-dood door het beoefenen van een of andere praktijk. Het is daarom dat Amida zijn gelofte vestigde, waarvan het essentiële element is: de verwezenlijking van het Boeddhaschap door de zondaar. Daardoor komt het dat de zondaar die zichzelf overgeeft aan de Ander-Kracht precies de persoon is die in zich de ware oorzaak voor de Geboorte draagt. Vandaar de woorden: Zelfs de deugdzame wordt in het Reine Land geboren, hoezeer te meer dan ook de zondaar.”

Evenwel is deze visie enkel mogelijk en werkzaam in de optiek van de “religieuze waarheid”, d.i. van Amida’s voortijdelijke gelofte. Zo een opvatting is niet toepasselijk in het dagelijkse leven van jan en alleman. Immoraliteit is ook louter sociaal gesproken, ontoelaatbaar. De religieuze waarheid kan niet afgescheiden worden van de wereldse waarheid. Een ‘wereldse’ amoraliteit of immoraliteit is religieus onmogelijk. Nog in Tannishō leest men:

“Er was in die tijd iemand die in volkomen verkeerde inzichten vervallen was. Hij beweerde dat vermits de Gelofte er was om de zondaar te bevrijden, men bewust dient te kiezen voor het begaan van zonden, vermits dit de oorzaak van de Geboorte zou zijn. Toen geruchten over deze verkeerde opvatting Shinran bereikten, stelde hij zich in een brief op tegen dit inzicht en schreef: ‘Men neemt geen gif in, enkel omdat men weet dat er een tegengif bestaat’. Hiermee wou hij zich afzetten tegen zo een verkeerde opvatting, maar dit betekent niet dat zonde de Geboorte onmogelijk maakt.”

Moraliteit in het dagelijkse bestaan, is het normale pad van de menselijke wezens. Wanneer we onszelf willen zien als menselijke wezens, dan rijzen onvermijdelijk vragen van morele aard. Wanneer we ons oprecht inspannen om een moreel hoogstaand leven te leiden, dan zullen we enkel kunnen vaststellen dat hetgeen we doen, eigenlijk niets anders is dan ons meer en meer te verwijderen van die moraliteit. En ten slotte mondt dat uit op de trieste vaststelling dat we niet bekwaam zijn enige vorm van een moreel verantwoord leven te leiden.

Zelfs wanneer we ons ‘bekeren’ tot een religieuze levensopvatting, blijven we een menselijk leven leiden. Gelet op het feit dat we eens een mislukking in ons zedelijk gedrag hebben meegemaakt, wat kunnen we met die moraliteit nog aanvangen op het religieuze vlak? Dit is het essentiële probleem van ‘wereldse waarheid’ in het Shin-Boeddhisme. Is het inderdaad mogelijk, na het ontwaken in ons van shinjin, een werkelijk, natuurlijk en spontaan moreel verantwoord bestaan te leiden?

Het ziet er onmogelijk uit. Shinran zelf zei dat er geen einde komt aan ons begeren en haten: “Het is moeilijk ons rekenschap te geven van onze verdorven, zondige natuur. Het gemoed is als een adder of een schorpioen; zelfs de beste daad is nog met gif vermengd. Daarom wordt hij trouwens een onware daad geheten.” Shinrans woorden worden onderlijnd door een passage van Zendō: “ Weet dat we in werkelijkheid gewone lui zijn, vol boosheid en zonde, onderhevig aan geboorte-en-dood, diep weggezonken in de afgrond en sedert ontelbare kalpa’s rondzwervend tot op heden, en dat we niet de minste kans op bevrijding hebben.”

(overgenomen en aangepast uit “Wheel of Dharma”)

Ekō 26

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home