Ik En De Geboorte

Wie kennis maakt met de Reine-Landteksten, wordt spoedig getroffen door een term die steeds weer voorkomt en dus als een doorslaggevend element in de leer ingebouwd is.

Leest men b.v. de “Grote Sūtra”, dan leest men in de formulering van de 18de Gelofte, dat er drie voorwaarden gesteld worden:

- oprecht gemoed,
- vreugdig vertrouwen,
- verlangen (in het Reine Land) geboren te worden.
(Dai Kyō I,7)

In een ander hoofdstuk van diezelfde tekst worden de kenmerken van de “niet-terugvallers” opgesomd:

- de Naam horen,
- een gemoed van vreugde en vertrouwen,
- het verlangen geboren te worden.
(Dai Kyō II,1)

Ook in de Meditatiesūtra wordt zo een serie van drie opgesomd:

- gemoed van oprechtheid,
- diep gemoed,
- gemoed strevend naar geboorte door verdienste-overdracht.

Het staat dus wèl als een paal boven water dat, om de Verlichting (nirvāna te realiseren, de wezens in hun gemoed het verlangen moeten kennen om “in het Reine Land geboren te worden”.

Men beseffe hierbij dat het Reine Land, in de opvatting van Shinran Shōnin, hetzelfde is als het nirvāna; maar wanneer de meeste (niet alle!) Boeddhistische stromingen dit nirvāna benaderen via de ontkenning (“niet dit”, “niet dàt”: de via negativa van de Christelijke theologie), willen de Reine-Landscholen een positief beeld en concrete verbeelding ervan geven.

Anderzijds kan men echter niet ontkomen aan de cruciale vraag: “Wie of wat bereikt dat nirvāna?”. Men houdt immers vóór ogen dat aan de basis van de Leer van de Boeddha begrippen liggen als “niet-zelf” (Pāli: anattā) of “leegheid” (Sanskr.: sūnyatā), concepten die men niet uit het Boeddhisme kan wegwerken want dan is dat afgeknotte Boeddhisme helemaal geen Boeddhisme meer. Maar deze begrippen die als een overal aanwezige rode draad doorheen alle doctrines en praktijken van de Boeddhistische scholen loopt, sluiten inderdaad de mogelijkheid uit dat “iemand” onder de vorm van een permanente metafysische entiteit (als b.v. een “ziel” in de Christelijke zin, of een “ātman” in Brahmanistische opvatting) een eigen existentie zou kennen.

Er kan bijgevolg dan ook geen “iemand” zijn die het nirvāna realiseren kan. En dus ook geen “iemand” zijn die in het Reine Land geboren wordt!

Bovendien waarschuwt Shākyamuni Buddha ons onophoudelijk tegen verlangens en gehechtheden, onder welke openlijke of verborgen vorm die ook kunnen optreden.

Zelfs het verlangen naar Verlichting is in feite een vorm van begeerte en gehechtheid. Daardoor treffen we in de sūtra’s en de sāstra’s zovele passages aan die ons waarschuwen ook voor deze “verheven”,”sublieme” vorm van dergelijk insidieus ik-verlangen.

Meester Dōgen hamert erop dat de beoefenaar van zazen in geen geval mag denken aan Verlichting (satori) of om het even welk ander “voordeel” dat de meditant uit de meditatie zou kunnen halen.

Ook in de Jōdo-Shinshū moet men met dergelijke “goede bedoelingen” rekening houden.

De nadruk gelegd op de werking van de Ander-Kracht (tariki) impliceert immers het basisprincipe van de zelfloosheid. Tariki is uiteindelijk de logische doorvoering en consequentie van de niet-ego-heid (zelfloosheid, anattā).

Rennyo Shōnin, 8ste Honganji-abt, zegt zonder de minste vaagheid: “Het Boeddhisme leert ons dat er geen ‘ego’ bestaat… en vermits de Shōnin (Shinran) ons aanspoort enkel te vertrouwen op de Ander-Kracht, zou de idee van een ‘ego’ nooit in dit Ander-Kracht denken ook maar mogen opkomen.” (Goichidai-Kikigaki, 80).

We dienen bijgevolg erg omzichtig te zijn met riskante uitdrukkingen als: ‘ik’ wil satori verwezenlijken, ‘ik’ verlang naar de Volkomen Verlichting, ‘ik’ wil in het Reine Land geboren worden…

In dergelijke uitdrukkingen is dat ‘ik’ het misplaatste moment: dat van de zelfbegoocheling. Min of meer bewust of onbewust zien we ‘onszelf’ reeds als een heilige, als een bodhisattva en waarom niet als een boeddha heerlijk gezeten op de gouden lotustroon…

Ik wil… wij willen… een dergelijke begeerte nestelt diep in onze persoonlijke berekeningen “Als ik dit doe, dan krijg ik dàt…”. Dergelijke mercantilistische motiveringen voor het beoefenen van enige praktijk zijn allesbehalve Boeddhistisch. Dat heel wat “Boeddhisten” met hun “ik” overhoop zitten en/of ermee te koop lopen, mag ons noch verbazen noch verstoren. Ook Boeddhisten zijn gewone mensen en het is normaal dat ook zij in de klemmen van het ik-denken verstrikt zitten.

Maar wat bedoelen dan die Reine-Landteksten met dat “verlangen in het Reine Land geboren te worden”?

Heel eenvoudig dat dit niet “ons” verlangen is, maar het “verlangen” van Amida Buddha. Het is de natuurlijke activiteit van het Boeddhaschap: de werking, de dynamiek van Wijsheid-en-Mededogen, welke in de Jōdo-Shinshū de Gelofte-Kracht genoemd wordt. Dit is niet het persoonlijke optreden van een of andere “Boeddha/God”-figuur, het is niet het effect van een relatie tussen twee ‘personen’, tussen twee ‘zelven’ of ‘ikken’, maar de onvermijdelijke kosmische activiteit van de Verlichting.

Dit “verlangen in het Reine Land geboren te worden” is dus niet MIJN verlangen, maar de vervulling van de werking van de Ander-Kracht.

En die werking reveleert zich aan de dwaze wezens die we zijn als de Naam: NAMU AMIDA BUTSU.

Ekō 28

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home