Tannishō (9)

Dit hoofdstuk is gewijd aan een paradox die men vaak in het religieuze leven ontmoet: het niet-gewaarworden van een vreugdegevoel bij het vooruitzicht van de uiteindelijke verlossing.

 

Toen ik hem de vraag stelde: “Hoewel ik de nembutsu reciteer, toch springt en dansta mijn hart niet van vreugde. Bovendien denk ik er niet aan zo vlug mogelijk naar het Reine Land te gaanb. Waarom toch is dit zo?” (antwoordde de Meester:)

a – springen en dansen: zich verheugen in het vooruitzicht van de Geboorte. Toespeling op de “bodhisattva dansend in zijn tuin”.

b – naar het Reine Land gaan: de Geboorte in het Reine Land houdt natuurlijk de fysische dood in, met alle verscheuringen die eraan eigen zijn.

 

(Ook ik,) Shinran, heb me vaak die vraag gesteld. En nu, Yuien-bo, komt net diezelfde bedenking ook in jou op. a

a – Onverschillig of men “meester” of “discipel” is, de menselijke natuur blijft aanwezig in al haar aspecten, dus ook de doodsangst.

 

Wanneer ik me inspan om hier diep over na te denken, over (het feit dat) ik mij niet verheug over iets waarover ik mij beslist zou moeten verheugen om in de lucht te springen en op de aarde te dansen, dan besef ik maar al te goed dat mijn geboorte bepaald is a.

a – Geboorte hangt immers niet af van de mentale ingesteldheid van de persoon, maar is het resultaat van Amida’s heilsactiviteit.

 

Wat het gemoed belet op te springen van vreugde waar het (inderdaad) zou moeten opspringen, wat de mens belet zich te verheugen, dat is de uitwerking van de blinde driften a.

a – blinde driften (bonnō): traditioneel gegroepeerd in begeren, haat en onwetendheid. Deze laatste is wel het meest fundamentele bron van “blinde driften”. Shinran interpreteert het “niet-vertrouwen” als onwetendheid.

 

De Boeddha, die dit van tevoren wist, heeft gesproken van het “dwaze wezen a van blinde driften” dat gered moet worden; vandaar dat deze (heilswerking) is de meedogende gelofte van de Ander-Kracht b.

a – dwaas wezen (bombu): alle wezens zijn dwaas (= in onwetendheid), zeker in vergelijking met de Wijsheid van de Boeddha.

b – Meedogende Gelofte van de Ander-Kracht (tariki-no-higan): ook Gelofte-Kracht genoemd, is de heilsdynamiek van het Boeddhaschap.

 

Beseffend dat deze a inderdaad voor eigen heil bestaat b, zien we steeds beter hoezeer (de Gelofte) betrouwbaar is.

a – d.i. de Ander-Kracht (tariki).

b – De werking van de Ander-Kracht bestaat enkel omwille van de wezens, net zoals de Boeddha, de Leer en de Gemeenschap uitsluitend in functie van de lijdende wezens bestaan.

 

Overigens, er niet aan denken vlug naar het Reine Land te gaan, en als we lichtjes ziek zijn al hopeloos denken dat we gaan sterven, ook dat is een uitwerking van onze blinde driften.

 

Dit waren zijn woorden.

Ekō 28

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home