“Praktijk”

E. Sasaki

I. Het Boeddhisme legt over het algemeen sterk de nadruk op de centrale plaats die de “praktijk” inneemt als zijnde het pad naar de religieuze finaliteit, d.i. “de verwezenlijking van de volkomen wijsheid” of de volkomen verlossing uit de pijnvolle oceaan van geboorte-en-dood waarin wij, levende wezens, zo diep gezonken zijn. Er zijn verschillende vormen van “praktijk”. De meest gekende behelzen het Edele Achtvoudige Pad (asta-ārya-mārgāh), de zes Volmaaktheden (pāramitā), de Stilling van de psychische activiteit en Inzicht (samatha-vipasyanā) en zo verder. Die verschillende vormen van “praktijk” kunnen gebundeld worden in een gemeenschappelijke formulering, zoals b.v. de drie geleidelijke oefeningen (tisrah-siksāh): (1) oefening in moraliteit (adhisila), (2) oefening van de geest (adhicitta) en (3) oefening in wijsheid (adhiprajnā). De bedoeling van deze formulering is: (1) het naleven van een zekere discipline in het dagelijkse leven om het verkeerde te mijden en het juiste te doen, (2) zijn gemoed concentreren op “de dingen zoals ze in werkelijkheid zijn” door de geestesverwarring tot rust te brengen en het gemoed onder controle te houden, zodat men (3) erin slaagt de ware wijsheid te bereiken, d.i. de verwerkelijking van “bevrijding uit blinde driften”.

Evenzo kan men eveneens drie geleidelijke vormen van wijsheid (tisrāh-prajnāh) aantreffen als een algemene formule voor “praktijk”: (1) wijsheid gebaseerd op het “horen van Boeddha’s Leer” (srutamayī), wat enkel kan bereikt worden zonder zelf-zucht en zonder de eigen verwarde inzichten, (2) wijsheid gebaseerd op “denken” (cintāmayī), d.i. op het concentreren van de geest op hetgeen men gehoord heeft, en (3) wijsheid gebaseerd op ontwikkelen van de geest (bhāvanāmayī), d.i. overwegen en herhaald denken over hetgeen men geleerd heeft en waarop men zich concentreert.

Beide formuleringen van de “praktijk” staan in het teken van het verwezenlijken van “bevrijding”; d.i. na het ophouden van de onrustige en ordeloze activiteiten van het gemoed, kunnen we in de mogelijkheid zijn in ons gemoed “de dingen zoals ze in waarheid zijn” te verwerkelijken. Dit is hetgeen ons voert tot de “bevrijding”, d.i. de bevrijding uit de wereld van de blinde driften. Vooraleer een dergelijke “praktijk” aan te vatten, dient men duidelijke besluiten te nemen, voor zichzelf geloften af te leggen, zoals we er aantreffen in de Boeddhistische teksten, zoals b.v.: “Ik zal alle wezens zonder enige begrenzing bevrijden… Ik zal volmaakt worden in de hoogste Boeddha-Leer”, zoals o.a. gezegd wordt in de vier universele Bodhisattva-geloftes. Toch dient men hierbij te bedenken dat deze besluiten of geloftes betekenisvol moeten blijven: er is immers gezegd dat enkel wanneer de gelofte reeds in den beginne ernstig volmaakt en verheven is, dat dan de vervulling van de praktijk of “verlichting” (bevrijding) volmaakt en opperst kan zijn.

II. Het spreekt vanzelf dat ook het Shin-Boeddhisme de centraliteit van de “praktijk” onderlijnt, zoals b.v. duidelijk gezegd werd in het glossarium bij “Passages on the Pure Land”, uit het Japans in het Engels vertaald en gepubliceerd in de Shin Buddhist Translations Series:

“Het Shin Boeddhisme verschilt niet van de andere vormen van Boeddhisme in het beklemtonen van de centrale plaats van de praktijk; het is enkel door praktijk dat de boeien van de blinde driften en de gehechtheid aan het onwetende ‘zelf’ kunnen verbroken worden en dat iemands karmische onheilzaamheid kan omgezet worden in de deugden van de verlichting.”

In het Shin-Boeddhisme wordt er echter ook op gewezen dat de “praktijk” die men beoefent reeds bij de wortelen van het bestaan zelf, al bevlekt is door de driften inherent aan dit bestaan, zodat dergelijke “praktijk” in feite nooit iemand naar het Boeddhaschap kan voeren. Dit wordt duidelijk uitgedrukt in talrijke passages uit de Patriarchen en uit de werken van Shinran Shōnin.

“Besef dat gij in werkelijkheid een dwaas wezen zijt, vol karmisch kwaad en hierdoor vastgekluisterd in geboorte-en-dood sedert eindeloos ontelbare kalpa’s almaardoor wegzinkend en rondzwervend in de kringloop zonder ooit ook maar één voorwaarde te vervullen die naar de bevrijding zou kunnen leiden.”(Shan-tao: Commentaar op de Meditatie-sutra).

“Het is voor ons onmogelijk, gevuld van blinde driften zoals we zijn, onszelf te bevrijden uit geboorte-en-dood door middel van om het even welke praktijk.” (Tannisho, 3).

“Ik ben iemand voor wie elke praktijk moeilijk te vervullen is en daarom is de hel mijn natuurlijke woonplaats.” (Tannisho, 2)

Bovendien is het ook zo dat wij, levende, lijdende wezens, in ons dagelijks bestaan er zelfs geen besef van hebben hoezeer wij “dwazen vol karmisch kwaad en blinde driften” zijn. Hoe zouden we dan ooit enige ‘bevrijding’ kunnen realiseren? In het Shin-Boeddhisme luidt het antwoord dat door de Patriarchen gegeven wordt, als volgt:

Het Boeddhaschap of “Bevrijding” kan enkel verwezenlijkt worden door de wijsheid-en-mededogen van de Voortijdelijke Gelofte, waarin Bodhisattva Dharmākara zich voornam alle wezens tot de Verlichting (d.i.’Bevrijding’) te brengen, Gelofte die hij vervulde doorheen tijdperken van zuivere en volhardende “praktijk”. De vorm waarin hij (d.i. Amida Buddha na de vervulling van zijn gelofte-en-praktijk) die praktijk gebaseerd op zijn Voortijdelijke Gelofte belichaamde is het “verwoorden van de nembutsu”, d.i. het uitspreken van de Naam in oprecht vertrouwen. Deze belichaming is in feite niets anders dan Amida die zijn deugd-kracht overdraagt aan de beoefenaar van de nembutsu. Daarom is dit dan ook niets minder dan het manifesteren van de werking van de Voortijdelijke Gelofte, welke vervuld is door de “praktijk” waarin ze belichaamd is. Vandaar dan ook dat men spreekt van “Grote Praktijk”.

Laten we het ook anders uitdrukken: nadat Dharmākara zijn Voortijdelijke Gelofte vervuld heeft doorheen zijn “praktijk” en dus de Tathāgata van het Oneindige Licht (Amida Buddha) geworden is, wordt de natuur van Boeddha’s wijsheid-en-mededogen voor ons, lijdende wezens, geopenbaard als de Naam Namu Amida Butsu, welke niets anders is dan het Roepen van Amida Buddha en meteen ook ‘s mensen “horen” van die Roep; het is dus de stem die tot ons komt vanuit het “heelal van de Bevrijding”. Wanneer iemand, hoe vervuld van blinde driften hij ook moge zijn, de Naam hoort zoals hij in wezen is, zich openzet voor het grote Mededogen dat in de Naam belichaamd is, en zich in volle vertrouwen aan dit Grote Mededogen overlevert, dan leeft die persoon in de werking van de Voortijdelijke Gelofte die diep in hem, hoe hij ook moge zijn, de Volkomen Verlichting ontvouwt zodat hij vrij wordt van alle persoonlijke berekeningen.

De vervulling van de gelofte-en-praktijk is tot de Naam geworden en wordt aldus het vertrouwen, dankzij het horen van de Naam; dit is dan shinjin. Dan wordt de Naam eerst waarlijk de praktijk van die persoon: de Naam is dan stem geworden, de stem van vreugde en dankbaarheid die door ‘s mensen lippen verklankt wordt, Dit is de natuurlijke werking van Amida’s Voortijdelijke Gelofte, vervuld door de “praktijk”: de Grote Praktijk, het Grote Vertrouwen, de Ander-Kracht.

Uit het voorgaande moet nu goed blijken dat in het Shin-Boeddhisme de “praktijk” in wezen niet de praktijk van de levende, lijdende wezens is maar die van Bodhisattva Dharmākara; het is niet de activiteit van een “iemand”, maar die van de Boeddha zelf, uitstralend tot ons vanuit de Verlichting zelf.

III. Nu stelt zich natuurlijk de vraag hoe wij, als volgelingen van het Shin-Boeddhisme, in ons dagelijkse leven die “praktijk” vervullen. Wat dit betreft, zijn er drie punten die in mijn geest opkomen.

(1) Ten eerste, de laatste vermaning die mijn levensleraar, Rev. Z. S. Inagaki ons op zijn sterfbed gegeven heeft, evenals enkele andere raadgevingen van hem:

“Vanaf nu, vrienden, volgelingen van de Jōdo-Shinshū, zoudt gij geregeld moeten samenkomen en met elkaar praten over de ‘verwezenlijking van shinjin’, of over uw opvatting van ‘de totale overgave aan Amida Buddha’, onder de leiding van een goed vriend-en-leraar, dit om shinjin in u te vestigen en te versterken.”

Zo leerde hij ons niet te proberen shinjin te begrijpen enkel door middel van ons eigen denken, dat in feite niets anders is dan de ego-gerichte berekeningen van de levende wezens. Voorts zei hij ook:

“Gij zoudt voor geheel uw leven een goed en werkelijk leraar moeten zoeken en uw leven lang onder die leraar blijven, tot zijn of uw dood. Na de dood van die leraar, zoudt ge moeten denken dat Shinran Shōnin uw leraar is. Zoniet riskeert gij zelfzuchtig en trots op uw eigen intellect te worden, - of zelfs hoogmoedig over uw benadering van shinjin.”

Ook zei hij nog:

“Het is heel wat belangrijker, maar ook heel wat moeilijker het ware vertrouwen in de Ander-Kracht (shinjin) bij enkele mensen te zoeken, of zelfs iemand te helpen dit vertrouwen te winnen, dan een groepering van zogenaamde Boeddhisten te stichten, waaronder geen vertrouwen in de Boeddha zou bestaan.”

Deze woorden van de Eerwaarde leren mij dat we aandacht moeten besteden aan ons eigen shinjin en ons niet bezighouden met andermans shinjin; - en ook dat we ons met niets anders moeten bezighouden dan met shinjin. Een dergelijk in-leven in shinjin zal dan ook anderen helpen shinjin te vinden.

(2) Ten tweede, de indrukwekkende woorden die, naar mij medegedeeld werd, voortdurend door Rev. Pieper uitgesproken werden:

“Elke dag lees ik Tannishō, elke dag een stukje of een hoofdstuk. En elke keer dat ik er ook maar het minste in lees, wordt er nieuw licht in mijn geest geworpen, waardoor mij steeds de grote vreugde van shinjin geschonken wordt. Daardoor komt het dat ik steeds gelukkig en verheugd ben, ook al word ik onafgebroken door lichamelijke pijnen geplaagd.”

Uit zulke woorden blijkt duidelijk dat Rev. Pieper zijn gemoed voortdurend op shinjin instelde: het Boeddha-bereik.

(3) Ten derde, peinzend over mijn eigen dagelijks gedrag en “praktijk”:

In mijn gezinsleven heb ik minstens tweemaal per dag de gelegenheid neer te zitten bij ons Amida-altaar, waar we dan enkele verzen uit de Grote Sutra reciteren als b.v. Sambutsu-ge, en dan enkele passages te lezen uit Kyō Gyō Shin Shō, Wasan of uit de werken van Rev. Inagaki. ‘s Avonds leest mijn oudste zoontje, dat nu 9 is, een stukje voor uit de Grote Sutra, waarbij ik dan enkele woorden commentaar voeg. Elk van die kleine diensten eindigt met een overweging over de besproken of gelezen passages, en dan buigen we allen in gassho.

Dergelijke kleine huisdiensten geven me de gelegenheid na te denken over mezelf, over mijn beleven van shinjin. Dit alles ofschoon we niet altijd echt in de hiervoor gepaste gemoedstoestand zijn. Ik ben zo druk bezig met de kostwinning voor mijn gezin. De wereld buiten ons treedt op als een bedreiging voor elke vorm van religieus beleven en belijden. Daardoor is het waarlijk soms zo heel moeilijk te spreken over geboorte-en-dood of over shinjin, zelfs met vrienden die op dezelfde plaats werken.

Wat mij persoonlijk betreft, ik aanvaard ten volle wat een goed leraar, mijn levensleraar, mij gezegd heeft, zeker over de vreugde die ons ten deel valt wanneer we binnen het bereik van shinjin gekomen zijn. Daarom wil ik blijven luisteren naar de Leer, wil ik de schrifturen blijven lezen en wil ik met vrienden over shinjin praten, zodat het begrip shinjin voor mij toch wat klaarder en vatbaarder wordt. Immers, dergelijke gesprekken zijn nuttig, aangezien ze ons geenzijds van “wetenschap” en “dagelijks bestaan” voeren.

Ekō 28

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home