Karl Petit

Net zoals de andere religies heeft het Boeddhisme van in den beginne gebruik gemaakt van muzikale vormen die hun volle uitdrukking vonden in de erediensten en ceremonies. Deze vormen hadden zich al in China verbreid vooraleer ze naar Japan overgebracht werden bij de stichting van de diverse Japanse sekten. De oudste van die vormen dit tot ons gekomen is, is ongetwijfeld de bombai, een gewijde Indische zangwijze, een recitatief dat trouwens in het Sanskriet gezongen werd.

Toen, gedreven door hun grote religieuze ijver, talrijke moedige Chinese pelgrims naar Indië trokken op zoek naar beelden en heilige teksten, brachten ze naar China vaak ook andere voorwerpen mee terug, zoals o.m. een soort van luit die in China de pi-pa, in Japan de biwa is geworden. Zwerfmonniken droegen zo een instrument meestal bij zich, zodat ze sedertdien ook vaak biwa-hōshi of "luit-monniken" geheten werden in de volksmond.

In de 13de eeuw, ten tijde van het Kamakura-shogunaat, kende de Zen-doctrine grote bijval; de in Zen-tempels gebruikte muziek viel dan ook erg in trek bij de heersende militaire kaste. Deze muziek was de shōmyō, letterlijk "stralende stem", een pentatonisch koraalgezang, dat op eerste gehoor veel weg heeft van het Gregoriaans.

Deze zang werd meestal door blinde monniken in geheel het land ten gehore gebracht. Op deze wijze verspreidden zij Boeddha’s boodschap van vrede en zachtmoedigheid. In die tijden waren immers, zowel in het Westen als in het Oosten, de monniken de belangrijkste dragers van kennis en wijsheid.

Onder de diverse in Japan verbreide sekten die geen eigen muzikaal systeem hadden ontwikkeld, waren er slechts twee shōmyō-scholen die de eerbiedwaardige traditie gekomen vanop het Aziatische vasteland bewaard hadden: de Tendai-shōmyō (784 van onze tijdrekening) en de Shingon-shōmyō gevestigd in het jaar 816.

Meestal worden deze shōmyō’s beschouwd als de meest muzikale zangvormen die in het Boeddhisme bewaard zijn gebleven. In de Tendai-sekten worden ze tijdens de erediensten begeleid door drie instrumenten: de shakujō, een korte staf met boven aan zijn uiteinde een reeks van metalen ringen die een soort van ratel vormen), de nyo (een gong) en de rin (een handbel). De shōmyō werden gezongen in het Sanskriet of in het Chinees; toch liggen ze aan de basis van de latere volksmuziek in het Land van de Rijzende Zon.

Rond het einde van de 13de eeuw voerden Japanse monniken uit China een nieuw muziekinstrument in: de shakuhachi, letterlijk "één voet acht duim", de originele lengte. Het is een nieuwe versie van de primitieve fluit, uitgesneden in een bamboewortel. Sedert de 16de eeuw werd dit instrument vaak bespeeld door de komusō’s (van komu ‘stromat’ en sō ‘monnik’)(1), een allegaartje van zwervende monniken, misdadigers, samurai’s in spionage-opdrachten of zonder heer, het hoofd weggeborgen onder een korf in gevlochten stro. Deze eigenaardige manier van fluitspel werd beschouwd als een soort gebed. De meeste ten gehore gebrachte stukken voor dit instrument waren improvisaties, welke een belangrijk onderdeel uitmaakten van de cultuur van deze komusō-monniken.

Men dient er evenwel rekening mee te houden dat zowel de muziek als de gebruikte instrumenten ruimschoots kunnen verschillen van de ene sekte tot de andere. Zo b.v. is in de weinig emotieve sfeer van Zen het gebruik van muziekinstrumenten erg beperkt. Het reciteren van de sūtra’s wordt er enkel begeleid door het slaan van de mokugyo, letterlijk ‘houten vis’, een soort van tamtam eigen aan de Boeddhistische middens. Om de intervals tussen de recietgedeelten aan te duiden, slaat men op een grote metalen kroes.

Bij het psalmodiëren van oude kortdichten gebruikt men een kleine rinkelbel of slaat men op een miniatuurtrommeltje. Het is enkel de Shugen-sekte (2) die gebruik maakt van de hōrōgai, een grote kinkhoorn voorzien van een metalen mondstuk (3) die een diepe klank voortbrengt welke de lettergreep hom evoceert.

In de Jōdo-school worden de zangen vaak begeleid door drie slaginstrumenten, waarvan de klank vaak vergeleken wordt bij die van "traag stromend water". Een ander slaginstrument, de sohan, een soort gong eveneens van Boeddhistische afkomst, wordt in het Kabuki-toneel gebruikt in alle scènes met een religieus karakter.

(1) Sommige Zen-aanhangers speelden vroeger vaak shakuhachi gezeten op een stromat; vandaar de naam gegeven aan dit vreemde hoofddeksel.

(2) Een van de talrijke Tendai –sekten.

(3) Dit is in het Lamaïsme de "shankha", welke vaak met zilver bekleed wordt. Dit instrument symboliseert het verkondigen van de Leer en wordt eveneens gebruikt om de gelovigen tot de dienst op te roepen.

(Aanvulling voor Jōdo-Shinshū:)

Bij de erediensten worden geen muziekinstrumenten gebruikt. Enkel de altaargong (grote: daikin, middenmaat: sawari, kleine handgong: inkin) wordt gebruikt om begin, intervals en einde van het gezang aan te duiden. Bij feestelijke gelegenheden worden in de grote tempels wel eens blaas- en slaginstrumenten gebruikt als "ouverture", nooit echter als begeleiding van het gezang. Het gezang zelf wordt traditioneel onderscheiden in twee vormen: dokkyō, het monodisch reciet van Reine-Landsūtra’s in hun geheel of in uittreksels (o.a. Sanbutsu-ge, Jusei-ge, Amida-kyō); en shōmyō, het meer melodisch zingen van hymnen en leerteksten geschreven door de Patriarchen en door Shinran Shōnin (o.a. Junirai, Shōshin-ge). Beide vormen dienen enkel voor het reciteren van Chinese teksten, meestal naar Sino-Japanse uitspraak daterend van de 8ste eeuw. De Japanse teksten (b.v. de Wasans) worden gezongen op volksmelodieën uit de 13de eeuw.

De shōmyō-stijl gebruikt in Jōdo-Shinshū gaat terug op de Tendai Gyōzan Shōmyō gebruikelijk in het tempelcomplex van de Hiei-berg ten NO van Kyoto, waar niet enkel Shinran 20 jaar van zijn jong leven doorbracht, maar waar ook de andere "hervormers" vandaan komen: Eisai (Rinzai-Zen), Hōnen (Jōdo), Dōgen (Sōtō-Zen), Nichiren (Nichiren-shū), Ippen (Ji-shū) wat verklaart waarom het reciet en de zang in deze scholen zoveel gelijkenis vertonen.

(Shitoku)

Ekō 29

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home