Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (11)

In (oorzaak)

Sanskr. hetu Chin. yin

In de Boeddhistische logica kent men verschillende types van oorzaak. In is de directe noodzakende oorzaak; meer in het bijzonder is het de oorzaak van het Boeddhaschap.

Inga (oorzaak en gevolg)

Sanskr. hetu-phala Chin. yin-kuo

Letterlijk: directe oorzaak en vrucht (ervan). De karmische wetmatigheid van oorzaak en gevolg. Ze kan op diverse, complementaire manieren opgevat worden: psychisch, fysisch, moreel, relationeel, in tijdsverband of ruimtelijk, individueel of collectief.

Alles in het bestaan van de wezens is resultaat van deze wetmatigheid geprojecteerd in het verleden, en tevens de wetmatige oorzaak van hetgeen als toekomst gezien wordt.

Bij inga geeft D. T. Suzuki (nota’s bij zijn vertaling van KGSS, uitgegeven door Eastern Buddhist Society, Shinshū Ōtaniha, Kyoto 1973) poëtisch de opmerking: "De verlichte mens aanvaardt het verloop van de wetmatigheid van oorzaak en gevolg; d.i. hij onderwerpt zich eraan, hij scheidt zich er niet van af, hij maakt geen onderscheid tussen zichzelf en die wetmatigheid; hij wordt die wetmatigheid, hij is ze."

Inji (ook: inni) (oorzakelijke toestand)

Toestand waarin iets of iemand als oorzaak werkzaam is, o.a. als causale staat. Algemeen de (52) stadia van het bodhisattvaschap gekenmerkt door praktijk en discipline, en waarin de "oorzaak" ligt van het verwezenlijken van het Boeddhaschap.

Ook gebruikt voor de vaste beslissing (omzetting, omkering, bekering) van de bodhisattva het Boeddhaschap te verwezenlijken.

In Jōdo-Shinshū wordt, naar het verhaal in de Grote Sūtra (Dai-Kyō), de bodhisattva Dharmākāra (Hōzō, zie ook aldaar) opgevat als zijnde de inji van Amitābha. Er is bijgevolg geen fundamenteel onderscheid tussen Dharmākāra en de Boeddha vermits Dharmākāra gelijk is aan Amida in causale staat.

Wordt dan ook gebruikt in tegenstelling tot de gevolg-toestand (kai), de vervulling van het bodhisattvaschap en het verwezenlijken van de Verlichting: zo is Amida de kai van Dharmākāra en van alle wezens.

Innen (oorzaken en omstandigheden)

Sanskr. hetu-pratyaya Chin. yin-yüan

In is de directe, beslissende oorzaak, terwijl nen de conditionerende oorzaak (voorwaarde, omstandigheid) is. Deze twee vormen van oorzakelijkheid, eigen aan de Indische logica en overgenomen door de Boeddhistische denkers in China en Japan, zijn niet altijd scherp van elkaar te scheiden of te onderscheiden. Als illustratie wordt vaak het kiemen van een zaad gebruikt: de hoofdoorzaak in is het bestaan van het zaad zelf; men zijn de voorwaarden zonder dewelke dit ontkiemen van het zaad niet kan gebeuren: aarde, vochtigheid, warmte enz.

Het samenspel van in en nen ligt aan de basis van de karmische wetmatigheid. In de volksmond wordt innen gebruikt als verklaring van iemands tegenwoordige toestand volgens de handelingen en gebeurtenissen in het verleden.

Issa (alwetendheid, alwijsheid)

Sanskr. sarvajña(tā)

De wijsheid zowel de dingen als hun oorzakelijk verband en hun samenhang te kennen: Boeddha’s wijsheid.

In KGSS (II,100) schrijft Shinran: "(de Mededogende Gelofte, Higan) maakt het mogelijk in te schepen op het schip van alwijsheid en te varen op de oceaan van de ontelbare wezens om deze te bevrijden."

Issendai (ook Sendai) (de kansloze, de onontvankelijke)

Sanskr. icchantika Chin. i-ch’an-t’i

De persoon die niet "open staat". Oorspronkelijk: degene die eigen begeertes en gehechtheden navolgt en dus geen neiging vertoont de Verlichting na te streven, geen belang hecht aan een goed leven of aan de Dharma. Deze persoon is dus door zijn geaardheid afgesneden van elke vorm van religieuze verdienste en maakt bijgevolg geen kans uit de lijdenswereld verlost te worden.

Er is heel wat harrewar geweest over de vraag of een issendai dan ooit wel Boeddha kan worden. Aanvankelijk werd gesteld dat, vermits zulke persoon niet de minste inspanning in die zin kan opleveren, hij dan ook veroordeeld is in de lijdenswereld rond te blijven zwerven. Latere Mahāyāna-scholen meenden meestal dat de issendai theoretisch wèl de Verlichting kan verwezenlijken, maar dat het in alle geval toch erg moeilijk is.

In de Mahāparinirvāna-sūtra staat evenwel dat alle wezens, ook de issendai, de Boeddha-natuur bezitten.

Shan-tao zegt dat de grootste boosdoeners, dus de issendai, wanneer ze berouw gevoelen en hun toevlucht tot Amida’s Voortijdelijke Gelofte nemen, ze alle in het Reine Land zullen geboren worden en het Boeddhaschap verwezenlijken.

Voor Shinran stelden de issendai geen probleem: hun handelingen, hoe slecht die ook mogen zijn, kunnen de werking van Amida’s Mededogen niet hinderen. Hij gaat zelfs verder en stelt dat de Gelofte-Kracht in de eerste plaats werkzaam is voor de "kwaaddoeners" (akunin) en de "dwazen" (bombū): "Het hoofddoel waarvoor de Gelofte afgelegd werd, namelijk dat voor ons, die bezeten zijn van blinde driften (bonnō) en dan ook geen bevrijding uit de kringloop van geboorte-en-dood kunnen verwezenlijken welke praktijken (gyo) we ook beoefenen, mogelijk is, was het verwezenlijken van het Boeddhaschap door de kwaad-doener (akunin)."

In religieus opzicht is volgens Shinran elk mens een kwaad-doener en dus een issendai: "een dwaas wezen (bombū), van nature uit bezeten van blinde driften (bonnō); daarom moet gij uzelf duidelijk erkennen als een kwaad-doener." (Mattoshō, 6).

"Goed volk, slecht volk, edele of laagdenkende mensen, ze worden niet gedifferentieerd in de Gelofte van de Boeddha van het Hinderloze Licht." (Yuishinshō-mon’i)

Isshin (één-gemoed)

Sanskr. eka-citta Chin. i-hsin            

Wordt vaak ook geschreven als I-shin. Shin (citta) kan vertaald worden door hart, geest, gemoed; het wijst op een gerichte psychische activiteit en kan door een menigte synoniemen en paroniemen vertaald worden: eenheid van geest, van attitude, eensgerichtheid.

In Shinran’s visie, praktisch een synoniem voor "shinjin", als manifestatie in het menselijke gemoed van de werkzaamheid van de Ander-Kracht. Typisch citaat is bij Vasubandhu (inleiding van Joédo-Ron): " O Verhevene (bhagavat), in eenheid van gemoed neem ik mijn toevlucht tot de Tathāgata van het Hinderloze Licht dat de tien richtingen vult, in mijn verlangen in het Reine Land geboren te worden."

Deze passage wordt door T’an-luan (in Jōdoron-Shū) besproken: "‘in eenheid van gemoed’ is het zinsdeel waarmee Bodhisattva Vasubandhu zijn vertrouwen uitspreekt. Het betekent dat hij zijn gedachten richt op de Tathāgata van het Hinderloze Licht, met het verlangen in het Rijk van Vrede en Geluk geboren te worden, met in zich de ononderbroken gedachte aan de Boeddha en zonder dat enige andere gedachte opkomt!"

In het gebruik komt i-shin nu eens bijwoordelijk (in eenheid van gemoed), dan weer als substantief voor. Als substantief (eenheid/eensgerichtheid van gemoed/geest/attitude) wijst het op het gericht zijn van de geest op één enkel punt; dit is concentratie (samādhi), vrijheid van twijfel en onwrikbaarheid in de keuze.

Ontbied men isshin, dan ziet men erin de drievoudige structuur van "shinjin" zoals uitgedrukt in de 18de Gelofte.

Shinran vermeldt ook dat isshin het streven naar Verlichting is, dus niets anders dan het streven naar verlossing van alle wezens. In KGSS verduidelijkt hij zijn standpunt: "Eén-gedachte betekent dat shinjin geen tweeledig gemoed heeft… Isshin is de ware oorzaak van (geboorte in) het Reine Beloningsland." (II, 65)

"De Amida-Kyō (Kleine Sutra) zegt: ‘Eén-gemoed’. Dit wordt beschreven als ‘één’ vermits de Nembutsu-praktijk niet vermengd is met de andere praktijken. Wat "isshin" betreft, hier wordt wèl een onderscheid gemaakt tussen een diep gemoed en een oppervlakkig gemoed. Het Diepe Gemoed verwijst naar het Ware Gemoed van de Ander-Kracht; het oppervlakkige gemoed verwijst naar de meditatieve en niet-meditatieve gemoedsinstellingen van de zelf-kracht."

Typisch voor de Jōdo-Shinshū is de opvatting dat evenmin als "shinjin", de éénsgerichtheid van het gemoed een verworvenheid van de mens is noch een resultaat van eigen berekeningen en/of spirituele praktijken. Isshin is het absolute vertrouwen, door Amida overgedragen aan de gelovige. Ishin/Shinjin is Amida’s eigen gemoed en daardoor de noodzakende oorzaak van geboorte in het Reine Land.

Isshō fusho (nog éénmaal geboren worden)

Sanskr. ekajāti-pratibaddha Chin. i-sheng-pu-ch’u

In de Pāli Kanon evenals in de andere Hīnayāna-teksten kent men de sakadāgāmin, de éénmaal-terugkeerder, tweede stadium van het Pad der Edelen (ariya-magga). In de Mahāyāna-literatuur verwijst isshō-fusho naar het realiseren van het hoogste bodhisattva-stadium.

In de traditionele Reine Land-literatuur wordt deze term gebruikt voor diegenen die in het Reine Land geboren zijn en ofschoon zij de Verlichting verwezenlijkt hebben, zich als bodhisattva’s in de lijdenswereld manifesteren als werkzaamheid van het Grote Mededogen, door de werking van de 22ste Gelofte.

Bij het verwezenlijken van geboorte in het Reine Land worden de geborenen weliswaar Boeddha, maar t.o.v. de lijdenswereld treden ze op als bodhisattva’s van het hoogste niveau (= "het stadium dat gelijk is aan Verlichting").

Ekō 29

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home