Het Westen

Neen, het gaat nu eens niet over dàt “Westen” dat democratisch en parlementarisch zou zijn, als tegenstelling tot een marxistisch “Oosten”. Noch over een “Westen” getekend door de samenvloeiing van judeo-christelijke spiritualiteit en romeins-hellenistische leefpatronen.

Het gaat hier gewoon over het westen waar elke dag de zon ondergaat: die ongrijpbare geografische of astronomische hemelrichting, waar in de roodgloeiende horizont, over vlakten of bergen, de zon in de aarde zinkt, terwijl stilaan paars de lijn van de nachtschaduw over het hemelgewelf trekt.

Dààr heeft de gehele mensheid het rijk van de dood geplaatst. Wanneer Homeros Odysseus naar het schaduwenrijk laat varen, zendt hij zijn sluwe held naar de westelijke oever van de wereldoceaan.

In de Indische mythologie, zo lezen we in de Rigveda, is de eerste mens Yama ook de eerste dode en als dusdanig wordt hij koning van het dodenrijk: het rijk van de afgestorvenen ginder ver in het westen, achter de ondergaande zon.

En diezelfde Yama, lezen we in de Boeddhistische traditie, stuurt onafgebroken ons zijn boden toe “Hebt gij dan Yama’s boden nooit ontmoet?” vraagt Boeddha Shakyamuni in de Pali-Kanon: de ziekte, de ouderdom, de dood?

Het Boeddhisme is beslist niet de enige religie die zo intens beroep doet op de doodsgedachte. Het is niet overdreven te denken dat het religieuze denken van de mensheid voor een groot deel zijn ontstaan te danken heeft aan het mysterie van de dood. En zonder die doodsproblematiek zouden we waarschijnlijk ook geen spiritualiteit kennen. We zien immers hoe zonder die alomtegenwoordigheid van sterven en dood sommige levensbeschouwingen vervallen tot een louter ethisch-psychologisch systeem of een socio-economische ordening, waarbij die oer-behoefte van de mens achteloos (of in een vluchtreflex?) terzijde gelegd wordt.

Het is de dood die het kloppende hart van de religie is. De bekommernis om het hiernamaals (“er moet toch wel iets zijn!”), de toekomst van de mens na zijn heengaan, maakt dat de mens zijn leven kan verruimen over zijn dood heen.

Een voorbeeld wat zou het Christendom zijn zonder de herrijzenis van de Christus of het Laatste Oordeel?

Het Boeddhisme is nauw aan het doodsdenken gebonden. Men kan suggereren dat het Boeddhisme geen “echte godsdienst” is omdat het geen rekening houdt met een scheppende god; men kan het Boeddhisme uit de lijst van de religies wegrangeren omdat het geen geloof hecht aan een eeuwige of onsterfelijke ziel. Maar de spirituele draagwijdte van de Leer van de Boeddha kan in geen geval geloochend worden, vermits de Dharma, in tegenstelling tot de courante filosofische stelsels en levensbeschouwingen, de dood niet afscheidt van het leven. In het Boeddhisme vormen immers leven en dood één geheel via de wetmatigheid van het karma dat, over de momenten van geboorte en dood heen, de verklaring geeft voor het lijden van de wezens. Daarbij reikt dan ook de Leer, de Dharma, over dood en leven heen om aldus toegang te verlenen tot de Uiteindelijke Verlichting.

In navolging van de gehele Reine Land traditie, die sterke stroming die in alle Boeddhistische obediënties doorwerkt, hecht Shinran Shōnin een centraal belang aan de dood waardoor hij dan ook die bijzonder krachtige spiritualiteitszin aan het menselijke leven schenkt.

Maar bovenal ontdoet hij de fysische dood van angst en wanhoop. Want is het moment van de dood van betekenis, toch verliest het in de Jōdo-Shinshū dat “onder of boven”-element, al te vaak nog gekoppeld aan de omstandigheden van het stervensmoment: de verzekering van Geboorte in het Reine Land staat bij Shinran volkomen los van het doodsmoment. Het is een verworvenheid van het levende wezen, niet van de stervende!

Voor wie shinjin verwezenlijkt heeft doorheen de werking van Boeddha’s onmetelijke Gelofte-Kracht van Wijsheid en Mededogen en daardoor geheel afstand genomen heeft ten opzichte van elk ik-gericht denken (de persoonlijke berekeningen = hakarai), is het vaak geduchte moment van fysische dood meteen het moment van de Geboorte in het Reine Land: het realiseren van nirvāna, het leedloze, de lichtende vreugde van actieve deelname aan Amida’s werkzaamheid in de wereld.

Want dit is het Westelijke Paradijs: geen individuele zaligheid, geen hemel van beloning, maar het mee-Boeddha-worden in de Gelofte-Kracht tot heil van alle wezens. Want zo is Namu Amida Butsu als hiernamaals: doorheen de eigen-dood, het Ander-leven.

Achter het westen van onze dood, aan de achterzijde van ons bestaan ligt ook het wonderbare rijk van het Oneindig Onmetelijk Stralende Licht (Amitābha) dat over alle wezens zonder onderscheid Wijsheid-Mededogen uitstraalt, dat alle lijdende wezens “omarmt en niet meer los laat”.

Zo wordt uiteindelijk voor elk van ons die laatste dood het Onmeetbare Leven (Amitāyus). Zo wordt de lijdende enkeling (Namu) de Ander-Kracht (Amida Butsu), zo wordt de lijdenswereld samsāra tot het Reine Land nirvāna.

Zo wordt onze ik/jou-gespletenheid de grote één-geest (i-shin), het Grote Gemoed ter Verlichting (bo-dai-shin) waarin alle onderscheid, alle differentiatie, alle dichotomie opgehouden heeft:

NAMU AMIDA BUTSU.

Daarom ook houden we onze blik gericht op het westen van onze dood.

Ekō 30

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home