Religieus Standpunt

I

Miyaji

Rudolf Otto (1869-1937) heeft overduidelijk gesteld dat het “Heilige” het meest algemene en essentiële kenmerk van de religie is. Inderdaad, in ons geestelijke leven hebben we de overlapping van twee verschillende werelden: de ene wereld is profaan, werelds; de andere is spiritueel, heilig.

Maar welk is de verhouding waarin deze twee werelden tot elkaar staan? Naar mijn mening, kan gesteld worden dat de wereld van het heilige, van de religie zelf, de profane wereld transcendeert, ja dat de wereld van het heilige in zich de wereld van het profane omvat. Deze al-omvattende natuur van de religie is precies het meest specifieke kenmerk ervan; deze opvatting is allicht moeilijk via de gewone intelligentie te vatten, en zeker wanneer men poogt dit probleem aan te snijden vanuit een strikt wetenschappelijk gezichtspunt. Wat er ook van zij, het komt mij als een waarheid voor dat religieuze transcendentaliteit in feite twee dingen betekent: enerzijds de absolute verbreking of ontkenning van elke verwantschap met de profane wereld en anderzijds, de versmelting van het religieuze met de profane wereld, waarbij de religie naar de wereld toe gericht is om hem tot betering te brengen. Er zijn filosofen die deze unieke vorm van verhouding namen geven als “Coincidentia oppositorum”, “Zelf-Identiteit van Absolute Tegenstelling” of “Continuďteit van het Niet-Continue”.

II

Ik voel hier de behoefte nader in te gaan op de betekenis van “Absolute Verbreking” of “Absolute Ontkenning” (of Leegheid). De diepe betekenis van deze termen is het absolute verzaken van onze wereldse waardebepalingen.

Wij leven allen in deze wereld met onze eigen, persoonlijke normen van waardebepalingen en met onze persoonlijke wereld-beschouwingen. Elk van ons kijkt bijgevolg naar zijn wereld doorheen de verkleurende bril van zijn eigen waardebepalingen. Men kan zelfs zo ver gaan te zeggen dat elk van ons eigenlijk in zijn eigen wereld leeft.

Alle factoren van het bestaan hebben de eigen geest als hun voorloper, hebben eigen geest als hun hoogste uitdrukking en zijn uit die eigen geest opgebouwd. (Dhammapada I, 1-2)

Alles in de drie werelden van begoocheling is vals, want voortgebracht door de eigen geest. (Dasabhūmika-sūtra, VII)

Het is natuurlijk zo dat onze waardebepalingen voortkomen uit principes die ons intellect kan begrijpen en bijgevolg als waar aanziet. Toch is het ook zo dat onze opvattingen en meningen veranderlijk, voorbijgaand en grillig zijn. Zelfs wat wij onze “redelijkheid” noemen verandert van de ene dag tot de andere al naar gelang van de persoonlijke omstandigheden waarin we ons telkens bevinden.

In deze profane wereld, is de markantste illustratie van het veranderlijke vast en zeker de Dood. De dood is voor de mensen een onvermijdelijk feit. Zoals Blaise Pascal (1623-1662) het voor ons uitgestippeld heeft: de “onzekerheid van het leven” en de “vrees voor de dood” dwingen ons ertoe te zoeken naar het eeuwige leven en naar het onveranderlijke principe waarop we zouden kunnen steunen met een absolute gemoedsrust. Dit is het religieuze verlangen. Diegene die acute zelfbeschouwing kan koppelen aan strikt logisch denken, is vroeg of laat verplicht de weg in te slaan naar het eindpunt van zijn profane waardebepalingen.

III

Hoe dit proces ook verloopt waarbij de werkelijke situatie van de profane wereld aan strenge kritiek wordt blootgesteld, onvermijdelijk en onverbiddelijk voert dit proces hem tot benadering van het punt van Absolute Ontkenning (het Nul-Punt). Of hij dan de laatste stap in dat punt zet, dat is zijn ultieme beslissing, een soort avontuur, dat Blaise Pascal de “Gok” noemt.

Op het moment dat hij dan inderdaad die stap in het Nul-Punt zet, komt hij meteen en voor het eerst in aanraking met de Wereld van het Heilige; daarbij ontdekt hij met vreugde dat hij tot onsterfelijkheid geroepen is, tot de Absolute Persoonlijkheid. Zijn heilige geest is hier gevestigd geworden, zijn Spirituele Persoonlijkheid is hier bepaald geworden. Deze ervaring is die van de Bekering of van de Heropstanding.

Jezus Christus zei:

“Ik ben de opstanding en het leven; wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?” (Johannes 11:25-26).

Shākyamuni verklaarde vlak na zijn Volkomen Verlichting:

“Alle vijanden heb ik overwonnen, ik ben al-wetend al-wijs. Ik ben nu van alle bevlekkingen bevrijd; ik heb alles achtergelaten en heb verlossing verwezenlijkt door de vernietiging van wereldse begeertes… Om het Rad van de Leer in beweging te zetten ga ik naar de stad Kāsi: daar zal ik de trommel van het Onsterfelijke slaan in het duister van deze wereld.” (Mv. 1, 6-8).

IV

Het fundamentele niveau van het religieuze beleven ligt daarom geenzijds van al onze culturele waardebepalingen. Deze kunnen immers niet komen tot het bekennen van de eeuwige, absolute waarde: noch in de natuurwetenschappelijke waarheid noch in de moraliteit, de kunsten, de wereldse liefde, de profane emoties van medelijden, en zeker niet in lichamelijk of materieel welbehagen.

Moet daarom een religieus persoon alle culturele, emotionele bewegingen en roerselen als zinloos afwijzen? Moet hij zijn plaats en zijn rol in de maatschappij als nutteloze rommel beschouwen? Neen: het Mahāyāna-Boeddhisme dat zo een sterke nadruk legt op Leegheid, leert ons in de profane wereld te treden en er te werken voor het welzijn van de andere wezens, ook door in de maatschappij verbetering en vooruitgang te bevorderen. Deze houding is de ware bedoeling van Shākyamuni’s optreden en lering; hij verwierp immers het asociale leven in eenzaamheid als een vlucht uit de wereld, daartegenover beklemtoonde hij nadrukkelijk de noodzaak van een altruďstisch, mens-begaan sociaal en democratisch leven.

Waar ontspringen deze activiteiten? Ziehier mijn antwoord: Absolute Ontkenning van profane waardes betekent onze Niet-Gehechtheid eraan, niet onze afstoting ervan. Niet-Gehechtheid is de ware aard van het Absolute Mededogen. Daardoor is in het Boeddhisme, Absolute Ontkenning, dit is “Leegheid” of “Ik-loosheid” synoniem voor Absoluut Mededogen. Het is daardoor dat de Boeddhistische “Wijsheid” (prajńā), die het waarnemen en ervaren is van de waarheid van de “Leegheid” of “Ik-loosheid”, noodzakelijkerwijze vergezeld gaat van Mededogen, en dat Mededogen noodzakelijkerwijze altijd gedragen wordt door deze Wijsheid. Het is van groot belang dit punt degelijk te verstaan. Dit punt moet steeds in de geest aanwezig zijn. Slaagt men daar niet in, dan wordt het ook onmogelijk op correcte manier de ware betekenis van religieuze Absolute Ontkenning te vatten; daardoor mist men dan de logica van deze unieke samensmelting van religie en wereldse maatschappij.

De religieuze mens, met zijn heilige Wijsheid (Heilige Geest of Vertrouwen-Gemoed) en met zijn groot Mededogen (Voorwaardeloze Liefde), bekijkt daarom de profane wereld met een andere blik; in die profane wereld ziet hij nu, ondanks alle dualiteit, betrekkelijkheid, begrensdheid en sterfelijkheid, een verregaande Religieuze Zin. Daardoor vindt hij in de wereld en in die nieuwe zin die de wereld nu voor hem gekregen heeft, de plaats waar Absolute Wijsheid-en-Mededogen zich kunnen verwerkelijken; men zou het ook zo kunnen uitdrukken dat wij, met deze “Heilige Geest” de wereld heiligen zodat hij inderdaad de meest ideële maatschappij wordt: het “Koninkrijk Gods” of “Boeddha’s Reine Land”. Om het anders uit te drukken: de religieuze mens kan zijn reële werkingsveld vinden, waarin hij vrijelijk kan optreden, met het gezegende gevoel van dankbaarheid voor de al-goedheid van het Absoluut Ene, de Dharma.

Jezus Christus leert ons:

“Maakt u dan niet bezorgd tegen den dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.” (Mattheüs 6:34)

“Want in hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij… ook van zijn geslacht.” (Handel. 17:28)

Zen-meester Wen-yan (Jap. Monyen, ?-949) zei:

“Elke dag is voor mij gelukkig!” (Bi-yan-lu, 6)

Saiichi Asahara (1850-1932), een ernstig en devoot aanhanger van het Jōdo-Shinshū Boeddhisme, drukt zijn waardering voor Amida Buddha’s goedheid uit in poëtische ontboezemingen:

Ik heb mijn vreugde toevertrouwd aan het Vertrouwen-Gemoed;
In mijn vreugde is het Vertrouwen-Gemoed aanwezig.
Zo, Saiichi kan harder en harder werken.
In mijn lijden ben ik opgenomen door Amida Buddha;
Mijn werken is Namu-Amida-Butsu zelf!
Dit is mijn geluk, dit is mijn vreugde, dit is mijn Verlichting!
Gelukkig! Oh gelukkig! Het geluk zelf8
Het is zo dat ik in deze wereldse wereld kan leven.

Besluit

Ik geloof dat het enkel door het religieuze vertrouwensgemoed is dat we ertoe komen onze lijdensvolle profane wereld lief te hebben in de juiste betekenis van het woord. Het is enkel door het religieuze mededogen dat we liefdevol en vrij kunnen werken voor de maatschappij waarin we leven, en dat met zo weinig mogelijk gehechtheid aan die wereld, naar het voorbeeld van onze grote voorgangers.

Ik geloof eveneens dat alle dingen in onze wereldse wereld het Absolute Mededogen kunnen ontvangen. In deze zin zijn alle dingen in deze wereld doordrongen van dit Absoluut Mededogen, onverschillig of ze ervan bewust zijn of niet. Enkel ons Vertrouwen-Gemoed kan dit Mededogen gewaarworden waardoor het meteen ook de religieuze dimensie van de dingen in onze profane wereld kan ervaren.

Bovendien geloof ik dat een waarlijk religieuze wereld-beschouwing enkel kan gefundeerd worden door de nieuwe dimensie van de “Zin”, niet door waardebepalingen van culturele aard. De Heilige Geest in het Christendom, het Vertrouwen-Gemoed (shinjin) of Wijsheid (chi-e) in het Boeddhisme, al deze termen impliceren het vinden van de religieuze zin in elk profaan bestaan.

In dit verband zou ik nog graag willen benadrukken van hoe groot belang het toch is een duidelijk onderscheid te maken tussen waardebepalingen op basis van emotionele of culturele denkpatronen en de dimensie van de waarlijk religieuze Zin.

Ekō 30

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home