Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (12)

Jajōju (groep der verkeerd gevestigden)

Sanskr. mithyatva-niyata-rāsi

Wordt gebruik als tegenstelling tot de “groep der juist gevestigden” (shōjōju) die volgens de 18de Gelofte het Vreugde-Gemoed van de Diepe Overgave hebben, en de “groep der onbepaald gevestigden” (fujōju) die volgens de 2Oste Gelofte de nembutsu als eigen praktijk uitspreken.

De groep der verkeerd gevestigden zijn diegenen die, in overeenstemming met de 19de Gelofte, de verschillende goede werken beoefenen met inbegrip van de eigen-kracht nembutsu. Deze praktijken behoren tot de categorie van het “gevestigde maar verbrokkelde gemoed”, waarin nog twijfel heerst en de Diepe Overgave bijgevolg niet gevestigd is.

Dit is een hulpstadium dat gaandeweg moet leiden tot de verwerkelijking van de 18de Gelofte.

Jihi (mededogen)

Sanskr. maitrī-karunā

Tweeledige samen die tot één enkele religieus-technische term geleid heeft: ji (vreugde schenken) = maitrī (liefde, belangstelling voor andermans geluk) geeft samen met hi (lijden verwijderen) = karunā (het verlangen geluk te schenken aan de andere wezens) een begrip dat we in het Nederlands meestal vertalen door mededogen. Deze vertaling is evenwel niet zo heel gelukkig, vermits ons ‘mededogen’ een zekere paternalistische bijsmaak heeft die in het origineel volkomen ontbreekt.

Jihi is de begaanheid de andere wezens te bevrijden uit begoocheling, begeerte en lijden, en bijgevolg ze te leiden naar de Uiteindelijke Verlichting. Het is de extreme vorm van altruïsme: de bodhisattva beoefent jihi met een ego-loos, onpartijdig en gelijkmoedig gemoed.

In Tannishō, 4 lezen we de heel bijzondere trek die het mededogen heeft in het Shin-Boeddhisme: “Wat het mededogen betreft, dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het Pad der Wijzen en het Pad van het Reine Land. (…) Mededogen op het Pad van het Reine Land moet verklaard worden als het uitspreken van de nembutsu, het spoedig Boeddha-worden en met een hart (shin) van grote liefde (dai-ji = mahāmaitrī) en groot mededogen (dai-hi = mahākarunā) vrijuit optreden ten gunste van de wezens.”

Jinen (natuurlijkheid, spontaneïteit, zo-heid)

Sanskr. svayambhū

Het Sino-Japanse jinen wordt meestal ontleed als ji = vanzelf en nen = zo zijn, zo worden, en is bijgevolg verwant aan de buddhologische termen tathatā en bhūtatathatā.

Vandaar dat deze term gebruikt wordt voor de ‘absolute werkelijkheid’ uitgedrukt in zo-heid: de ‘dingen in hun ware aard’ welke leegheid (sūnyatā = kū) en vrijheid van de banden van geboorte-en-dood is.

Jinen verwijst dus naar hetgeen buiten de tijd-en-ruimtelijke betrekkelijkheid is, buiten de contingenties van menselijke wil en intellect.

Het is bijgevolg hosshō-hosshin = dharmakāya-dharmatā als noodzakende zo-heid welke “hart en geest van de oceaan van alle wezens vervult” (Shinran: Yuishinshō-mon’i).

In het Shin-Boeddhisme wordt vooropgezet dat de mens niet bij machte is jinen te realiseren. De term wordt gebruikt in diverse contexten:

1. mui-jinen: natuurlijkheid (of ‘zoals-het-is-heid’) van het niet-geconditioneerde;

2. gōdō-jinen: de noodzakelijke werking van elkeens karma;

3. ganriki-jinen: de noodzakelijke werking van Amida’s Gelofte-Kracht.

Basisidee is dat we tot vertrouwen in Amida komen en inhaken op de noodzakelijke werkzaamheid van de Gelofte-Kracht. Daardoor komen we ook tot het besef van dankbaarheid t.o.v. Amida (en secundair ook t.o.v. onze leraars en gidsen).

In Mattoshō, 5 verklaart Shinran zijn opvatting over jinen: “Jinen betekent dat, van in den beginne, elkeen ertoe gebracht wordt zo te zijn. Van in den beginne immers is Amida’s Gelofte-Kracht bestemd om elk wezen in Namu-Amida-Butsu te doen vertrouwen en in Boeddha’s Land onthaald te worden; maar niets van dit alles komt door de berekeningen van de beoefenaar… Het hoogste Boeddhaschap is vormloos; om die vormloosheid wordt het ‘jinen’ genoemd. Wanneer deze Boeddha in een vorm afgebeeld wordt, dan wordt hij niet ‘het hoogste nirvāna’ genoemd. Om ons echter wel degelijk te doen begrijpen dat de ware Boeddha vormloos is, wordt hij nadrukkelijk ‘Amida Buddha’ (Oneindige Boeddha) geheten… Amida Buddha is het medium waardoor wij jinen kunnen verwezenlijken. Nadat we verwezenlijkt hebben dat “dit is de wijze waarop het is”, dan moeten we niet meer voortdurend over jinen blijven praten. Als iemand steeds maar over jinen spreekt, dan wordt de waarheid dat de Ander-Kracht geen eigen-werkzaamheid is, opnieuw een probleem van eigen-werkzaamheid.”

Uitspreken van de nembutsu wordt geacht jinen te zijn, d.i. uitsluitend te danken aan de Gelofte-Kracht.

Nog twee citaten uit Tannishō:

“Wie in overeenstemming is met de realiteit van jinen, die zal Boeddha’s welwillendheid (button, zie aldaar) realiseren en ook de welwillendheid van zijn leermeester.” (6:7)

“… Want de nembutsu spreekt zichzelf uit. Dat is jinen. Ons niet-berekenen (hakarawazuru) heet jinen. Dit is niets anders dan de Ander-Kracht (16:10-14).

Jinen-hōni

Is een versterkte uitdrukking voor jinen. Hōni heeft de betekenis van ‘overeenkomstig de wetmatigheid, overeenkomstig de dharma (hō)’

De term wordt bijgevolg gebruikt voor het aanduiden van de uiteindelijke realiteit: de zo-heid, de dingen-zoals-ze-zijn. Jinen-hōni is de Boeddha-natuur in werkzaamheid en wordt Tathāgata genoemd: “Deze Tathāgata doordringt de talloze werelden; hij vult hart en geest van de oceaan van alle wezens. Daardoor verwezenlijken (zelfs) planten, bomen, rotsen en grond het Boeddhaschap! (Yuishinshō-mon’i)”

Jinen-hōni is dus onophoudelijk in alle wezens werkzaam. De mens die deze werkzaamheid in zich ervaart, d.i. die shinjin verwezenlijkt, bereikt een zekere vervulling welke in zijn dagelijks bestaan gemanifesteerd wordt en die Shinran beschrijft als “het dagen na de lange nacht van onwetendheid”. De verwezenlijking van shinjin is het bereiken van het stadium van niet-terugkeer (zie: futaiten). Dit bereiken geschiedt buiten elke berekening of zelfs bewustzijn van de beoefenaar, maar noodzakelijk en natuurlijk: “Ertoe gebracht worden zó te zijn.”

Jinen komu no shin (lichaam van zo-als-het-is-heid en leegheid)

Chin. tzu-jan hsü-wu chi shen

Volgens de Grote Sutra zijn de”bewoners van het Reine Land” manifestaties van het Dharmalichaam (dharmakāya, zie hosshō-hosshin). Bijgevolg zijn ze ‘sūnya’, gedaanteloos en volkomen vrij; hun activiteit is spontaan en natuurlijk (zie: jinen-hōni).

Het woord ‘lichaam’ mag dus niet doen denken aan enig fysisch, mentaal of “astraal” lichaam, vermits ‘leegheid = niet-bestaan’ verwijst naar het niet-ontstane, niet-gewordene, niet-geschapene. Er is noch kleur noch gestalte, maar enkel zuiver essentie (of zuivere energie?).

De term houdt in dat de “in het Reine Land geborene” hetzelfde Boeddha-lichaam van Wijsheid/Mededogen realiseert als Amida zelf.

De term is tevens synoniem van mui-hosshin, ‘dharmalichaam van het ongeschapene’, waarvan T’an-luan zegt: “Het dharmalichaam van het ongeschapene is het lichaam van de ware essentie van alle dingen. Vermits de ware essentie van alle dingen nirvāna is, is het dharmalichaam vormloos. Vermits het vormloos is, kan het zich in gelijk welke vorm voordoen.”

Hieruit volgt dat ‘vormloosheid’ vorm is en dat ‘vorm’ in essentie niet verschilt van vormloosheid. Het lichaam-van-zo-als-het-is-heid en niet- bestaan, vormloos zijnde, is dus niet apart van vorm als potentialiteit.

Niet-bestaan is de uitdrukking van sūnyatā. (leegheid, zie kū) en betekent dat er niets is dat we “absoluut” kunnen vatten met onze relatieve woorden en begrippen. Geen enkel woord kan dit “niet-bestaan” uitdrukken, uitgezonderd de Naam Namu Amida Butsu.

Jinen no jōdo (Reine Land van natuurlijkheid)

Amida’s Land wordt aldus genoemd omdat dit Land identisch is met de natuurlijke, niet-geconditioneerde staat van zo-heid.

Jinjippō-mugekō-nyorai
(de Tathāgata van het in de tien richtingen ongehinderd uitstralende Licht)

Wordt door Vasubandhu vermeld in de beginstrofe van zijn Ch’ing-tu-lun: “(Ik) neem mijn toevlucht tot de Tathāgata van het in de tien richtingen ongehinderd uitstralende Licht
en verlang geboren te worden in het Land van Vrede en Zaligheid.”

Deze Tathāgata is Amida Buddha. Naar Shinran, is dit Licht de “vorm” (manifestatie, werkzaamheid) van prajñā: “Licht is niets anders dan wijsheid, wijsheid is de vorm van licht. (Ichinen-tanen-mon’i).

Aangezien niets de overal doordringende Verlichtingskracht kan tegenhouden wordt het ‘ongehinderd stralend’ genoemd. Dit Licht vult het denkbare heelal door zijn alomtegenwoordigheid (jin-jippō = in de tien richtingen) net zoals Wijsheid/Mededogen geen begrenzingen of maatstaven heeft.

De werkzaamheid van dit Licht in de mens is divers. Het verlicht en doordringt ook het allerhardste in de wereld, nl. het koppige blinde vasthechten aan een illusoir ego. Het doet deze taaie en universele begoocheling wegsmelten en vormt het om tot een nieuw soepel wezen: de mens van shinjin, die onherroepelijk en natuurlijk-wetmatig bestemd is het Boeddhaschap te verwezenlijken.

Jinjippō no muge no kōmyō (Licht ongehinderd in de tien richtingen)

Amida’s Licht naar de verwoording van de 12de Gelofte: “Indien ik een Boeddha word en mijn licht zou beperkt zijn zodat het niet over ontelbare kotī’s van nayuta’s van Boeddha-werelden uitstraalt, moge ik dan de Volkomen Verlichting niet verwezenlijken!” (Grote Sutra, I).

Dit Licht is Amida’s Wijsheid en Mededogen.

Wie in Amida’s Reine Land geboren wordt, verwezenlijkt dezelfde Verlichting als Amida en wordt één met zijn Licht.

Amida gezien als Licht is Jinjippō Mugekō Nyorai (zie aldaar).

Ekō 30

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home