Tannishō (12)

Dit twaalfde hoofdstuk bevat twee zeer belangrijke motieven wat het praktische leven en de omgang met anderen betreft. Het eerste is de vraag naar de noodzaak van intellectuele kennis in het religieuze beleven. Het tweede motief is dat van het ingaan op discussies van discursieve aard, welke volstrekt nutteloos en fundamenteel on-Boeddhistisch zijn, vermits de psychologische ondergrond ervan berust op een intellectualistische zelfbevestiging.

 

Betreffende de bewering dat mede-beoefenaars (van de Nembutsupraktijk) die de sūtra’s en de sāstra’sa niet lezen en bestuderen, dat die lieden hun geboorte (in het Reine Land) niet verzekerd is.

a – sutra’s en sāstra’s: de leerredenen van de Boeddha, d.i. de “canonieke” schriftuur, en de commentaren erop.

 

Dergelijke bewering is volkomen ongegrond en verdient geen verdere overweging.

Deze houding is niet dogmatisch, maar pragmatisch vermits het opwerpen van intellectuele vragen in het gemoed van niet-intellectueel gevormden enkel troebele vragen en een gevoel van onzekerheid en twijfel kan oproepen. In het “enkelvoudige gemoed (i-shin)”, zolang er geen problemen oprijzen, is het overbodig vragen op te werpen. Wanneer echter vragen oprijzen, is het noodzakelijk deze vragen te beantwoorden. Hiervoor is dan wčl studie, o.a. van de sūtra’s en de sāstra’s noodzakelijk!

 

De Ware Leer maakt immers de betekenis van de waarheid en de werkelijkheid van de Ander-Kracht duidelijk.

Wanneer nu iemand de Nembutsu zegt uit volle vertrouwen in de Voortijdelijke Geloftea, dan wordt hij beslist een Boeddha.

a – de gelofte van Amida-Dharmākara (Amida = schatkamer van de Leer) dat alle wezens zonder onderscheid de Verlichting zullen verwezenlijken.

 

Buiten dit (vertrouwen), wat voor studie is dan nog noodzakelijk voor die geboorte?

Wanneer evenwel een persoon in verwarring geraakt omtrent deze waarheid, dan dient die zich alleszins in de studie te storten om te komen tot het vatten van de zin van de Voortijdelijke Gelofte.

Zelfs voor iemand die ijverig de sūtra’s en de sāstra’s leest en grondig bestudeert, blijft het probleem van niet-begrijpen van de fundamentele bedoeling van de heilige leringen: dat is immers een jammerlijke mislukking!

Vermits het enkel om de naama gaat, welke gemakkelijk te zeggen en te onthouden is, (zelfs) voor iemand die geen enkel schriftteken kent en de zinnen van de sūtra’s en de sāstra’s niet verstaat, (om die reden) wordt (de Nembutsu) de “gemakkelijke praktijk”b genoemd.

a – De Naam (myōgō) is NAMU AMIDA BUTSU, de actualisering van de Verlichting, van de identiteit van samsāra, de lijdenswereld, en nirvāna, de vreugdewereld. In de Naam ligt ook de één-heid van gelovige en Boeddhaschap. De “Nembutsu” is de “myōgō” omgezet in menselijk denken en verklanken. Hij is het (soteriologische) ‘praxis’ aspect van de Naam, waar myōgō meer terugslaat op het (metafysische) Leer-aspect.

b –De Gemakkelijke Praktijk (i-gyō) wordt reeds vermeld in een aan Nagarjuna toegeschreven tekst. De Gemakkelijke Weg is het ‘Pad van het Reine Land’, dat gesteld wordt tegenover de Moeilijke Praktijk van het ‘Pad der Wijzen’.

 

Studie centraal stellen, dat is het Pad der Wijzen.

Dat is de moeilijke praktijk.

Er is ook een schriftuurpassage over personen die zich in de studie storten met verkeerde bedoelingen, zoals het vergaren van roem en voordeel.

Ik vraag me af of zulke personen in het volgende leven de geboorte zullen verwezenlijken?

Tegenwoordig zijn er aanhangers van de Enkel-Nembutsu en lieden van het Pad der Wijzen die met elkaar twist zoeken omtrent de leer en argumenteren als “Mijn schoola is superieur, de andere scholen zijn minderwaardig!”

Dan rijzen de vijanden van de Leerb op en wordt de Leer belasterd.

a – school (shū): de diverse vertakkingen van het Boeddhisme zijn geen ‘sekten’, geen ‘afscheuringen’, maar diverse interpretaties en stromingen, a.h.w. ‘scholen’ waarin diverse methodes toegepast worden.

b – vijanden van de Leer: de grootste vijanden van de Leer van de Boeddha zijn de ‘drie bevlekkingen’: begeerte, haat en onwetendheid.

 

Is (zo een houding) op zichzelf al geen beledigen en belasteren van de Leer die men (beweert) aan te hangen?

Zelfs al zouden alle (andere Boeddhistische) scholen samen beweren:

“De Nembutsu is er voor de waardelozen; die school is oppervlakkig en vulgair,”

dan nog (zoudt ge dienen te antwoorden) zonder ook maar in het minst te vervallen in polemiseren:

“Vermits wij aanvaarden en geloven dat, wanneer een dwaas wezen met heel weinig mogelijkheden, net zoals wijzelf, dat zelfs niet één schriftteken kan herkennen, zichzelf volkomen toevertrouwt (aan Amida’s Voortijdelijke Gelofte), en dan toch verlost wordt,

dan mag dit voor iemand (die boogt op een) hogere ontwikkeling, misschien laag en minderwaardig lijken.

Misschien zijn andere leringen inderdaad (intellectueel) superieur,

maar voor ons, wier mogelijkheden ontoereikend zijn, zijn ze te moeilijk om in de praktijk te brengen.

De fundamentele bedoeling van alle Boeddha’s is dat elke voor zichzelf en meteen ook voor alle andere wezens bevrijding uit geboorte-en-dood bereikt.

Er is dus geen reden om (mijn) praktijk van de Nembutsu te belasteren.”

Er is bovendien een schriftuurpassage welke zegt: “Waar redetwisten heerst, daar rijzen de blinde passiesa op;

de wijze vermijde zulke plaats.”

a – blinde passies: bonnō; zie Glossarium in Ekō 15. De zes basisdriften zijn: begerigheid, haat, dwaasheid, hoogmoed, twijfel en verkeerd inzicht.

 

Nog woorden van de wijlen Shōnin:

“Vermits de Boeddha onderrichtte dat er levende wezens zijn die volkomen in deze (Nembutsu-)leer vertrouwen stellen

en ook (andere) levende wezens die deze leer zouden belasteren,

daaruit concludeer ik dat Boeddha’s onderricht inderdaad juist en waar is.

Om die reden meen ik dan ook dat mijn geboorte (in het Reine Land) des te meer verzekerd is.

Moest door enige misrekening iemand (deze Leer) belasteren, dan waarlijk zou het verbazend zijn dat,

als er mensen die erin vertrouwen, er ook geen lieden zouden zijn die (deze Leer) zouden belasteren.

Dit betekent evenwel niet

dat (de Nembutsu) absoluut door iemand dient belasterd te worden.

Ik spreek hier enkel (over het feit) dat de Boeddha wel wist dat er beide zouden zijn:

(zij die) vertrouwen en (zij die) belasteren.

(Dit) onderrichtte hij precies opdat de mensen geen twijfel meer zouden hebben.”

Aldus (waren zijn woorden).

Wijden de mensen in deze tijden zich niet aan studie (vooral) om een einde te kunnen stellen aan andermans kritiek

en om zich hoofzakelijk te wijden aan debatteren en redetwisten?

Maar wanneer iemand studeert om meer en meer de fundamentele bedoeling van de Tathāgata te doorgronden

en bewust te worden van de betekenis en de uitgestrektheid van de Mededogende Gelofte,

en wanneer die iemand dan het belang inziet (van het feit) dat er bij de Voortijdelijke Gelofte geen kwestie meer is van goed en kwaad of van rein en onrein,

wel, voor iemand die zich hierover zorgen maakt, (zich afvragend) hoe geboorte (mogelijk) is voor een ellendig persoon (als hemzelf),

dan is het waardevol geleerd te zijn!

Maar bedreigingen uiten tegenover iemand die per geluk en zonder enige bijgedachte in harmonie is met de Voortijdelijke Gelofte en daarbij de Nembutsu uitspreekt,

door (te beweren) dat het enkel door studie is (dat de Geboorte verwezenlijk wordt) enz.

dat is een handeling typisch voor een dharma-blokkerende duivel, een vijand van de Boeddha.

Niet enkel mist zo een persoon “shinjin” van de Ander-Kracht, maar hij probeert ook anderen in verwarring te brengen door verkeerde gedachten.

In nederigheid zou zo een persoon ertegen moeten opzien zich tegen de bedoeling van de wijlen Meester af te zetten.

En verder zou hij het moeten betreuren niet in harmonie te zijn met Amida’s Voortijdelijke Gelofte.

Ekō 32

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home