Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (13)

Jishin (diep gemoed)

Chin. shen-hsin

Is, in de Meditatie-sutra, het tweede van de drie “gemoederen” die voorondersteld worden om Geboorte in het Reine Land (= realisering van nirvāna) te verwezenlijken.

De twee andere zijn: shijōshin, het oprechte gemoed, en ekōhotsuganshin, het verlangen (van de Geboorte) door overdracht van verdiensten.

“Diep” betekent hier “ten gronde vertrouwend”. Volgens de Meditatie-sutra is dit het diepe besef van Amida’s mededogen en het diepreikende bewustzijn van de eigen onwaardigheid.

Shan-tao spreekt hierover als van het gemoed dat een diep vertrouwen koestert en dat van tweeërlei aard is:

1. jinshin gereflecteerd op zichzelf en daardoor leidend tot besef van de eigen heilsonwaardigheid, het onvermogen op eigen verdiensten het nirvāna te verwezenlijken, en

2. jinshin t.o.v. Amida’s Voortijdelijke Gelofte, nl. de attitude van dankbaarheid voor dit Mededogen.

Voor Shinran zijn beide vormen niet afzonderlijk denkbaar. Ze zijn twee modi van eenzelfde “gemoed”.

[Zie ook sanshin (1) & (2)]

Jinzu (hoger weten)

Sanskr. abhijñā

De hogere wetensvormen, verworven samen met het Boeddhaschap. Traditioneel en stereotiep worden er vanaf de Pāli Kanon zes vermeld, nl.:

1. magische krachten, 2. het goddelijke oog (dat alles ziet), 3. het goddelijke oor (dat alles hoort), 4. de kennis van andermans gedachten, 5. kennis van alle vorige bestaansvormen en 6. kennis van de opheffing van de (karmische) consequenties.

Deze zes vormen van hoger weten worden hoofdzakelijk door de Boeddha’s aangewend om de wezens te helpen op hun weg naar bevrijding, door de verkondiging van de Boeddhistische Leer aan te passen aan de behoeften en omstandigheden van de wezens.

Jippō (de tien richtingen)

Sanskr. dasa-dis

De 8 richtingen van de windroos + zenit en nadir. De term is afkomstig uit de Indisch-Boeddhistische kosmologie en verwijst naar de ontelbare en onmeetbare mogelijke werelden. Dit wereldbeeld komt in praktisch alle Mahāyāna-sūtra’s voor om de totaliteit van het heelal en bijgevolg de totaliteit van het werkingsveld van het Boeddhaschap aan te duiden: de ‘wezens in de tien richtingen’, de ‘ontelbaar talloze Boeddha’s in de tien richtingen’, ‘alle Boeddhalanden in de tien richtingen’.

Jiriki (zelf-kracht)

Tegengestelde van tariki = ‘Ander-Kracht’, welke de Kracht van Amida’s Voortijdelijke Gelofte is. Jiriki is de kracht van de onvolmaakte wezens die door ‘zelf-kracht’-praktijken (moraliteit, ascese, meditatie, ritueel e.d.m.) streven naar Verlichting, omdat ze menen hierdoor de vereiste karmische verdiensten te vergaren. Jiriki vindt zijn oorsprong in de fundamentele denkfout van een “ik-heid” (zelf, ātman, ego). Aan dit “ik” wordt de kracht toegeschreven zelf in te kunnen staan voor bevrijding uit eigen lijdensexistentie.

De Jiriki-lering is uiteindelijk niets anders dan de logische consequentie van de doctrines van anattā in het Kleine Voertuig en van sūnyatā in het Mahāyāna-Boeddhisme.

Ofschoon reeds heel vroeg het onderscheid gemaakt werd tussen “zelf- kracht” en “Ander-Kracht” in de Reine-Landpraktijken, bleven er steeds jiriki-elementen in gebruik, al was het maar als een soort voorbereiding. Hōnen leerde dat het reciteren van de Nembutsu de enige praktijk is welke leidt tot Geboorte in het Reine Land, vermits deze praktijk de enige is in totale overeenstemming met de Uitverkoren Gelofte (18de Gelofte); hij verwierp dan ook alle andere praktijken (nog door Shan-tao aanbevolen!) als “gemengd, secundair, ondoeltreffend”, vermits ze op jiriki gefundeerd zijn.

Shinran accentueert verder Hōnens opvatting, maar wees ook het reciteren van de Nembutsu als middel tot Geboorte af, aangezien hij ook hierin zelf-bedoelingen en ego-praktijken situeert.

De jiriki-nembutsu is immers het reciteren van de Naam met een ik-gerichte bedoeling, een berekening (hakarai: zie aldaar, Ekō 22), zelfs al is die bedoeling “goed”. Voor Shinran zijn alle praktijken waarin een jiriki-element aanwezig blijft, dus ook de nembutsu volgens Hōnen, slechts voorlopige “geschikte middelen” (hōben), welke uiteindelijk kunnen leiden tot de Ander-Kracht-Nembutsu van de 18de Gelofte.

Deze Ander-Kracht-Nembutsu wordt in essentie niet door de gelovige gereciteerd, maar IN en DOOR hem door Amida zelf. De Ander-Kracht-Nembutsu van de gelovige is niets anders dan de zelf-kracht-nembutsu van de Boeddha.

Rekening houdend met de innerlijke ingesteldheid van elk wezen, vertrekt de gelovige steeds vanuit zijn ik-denken en gebruikt hij jiriki-middelen vermits die beter in overeenstemming zijn met zijn psychische constitutie. Daarom is er volgens Shinran een groeien vanuit de 20ste Gelofte (de diverse heilspraktijken) naar de 19de Gelofte (de zelf-kracht-nembutsu) en zo naar de vervulling van de 18de Gelofte in de Ander-Kracht-Nembutsu. Hierdoor is meteen een weg uitgestippeld. Zonder dit uitgroeien naar de Ander-Kracht toe, blijven de jiriki-praktijken ondoeltreffend.

Jishin (zelf-gemoed)

Chin. tzu-hsin

De term “zelf(gericht) gemoed” wordt door Shinran gebruikt met verwijzing naar de Meditatie-sutra. Dit is het gemoed (= de attitude) dat gehecht is aan zelf-kracht.

De meditatieve praktijken beschreven in de Meditatie-sutra, met als objecten Amida Buddha en het Reine Land, worden door Shinran bestempeld als “geschikte middelen” (upāya) die uitmonden op de Ander-Kracht-praktijk van de nembutsu.

Jishō-yuishin (eigen natuur is identisch met zo-heid)

Anders uitgedrukt: de diepe aard van elk wezen is identisch met het Boeddhaschap.

“jishō” verwijst hier naar de “Zo-heid” (Sanskr. tathatā), synoniem voor “Leegheid” (Sanskr. sūnyatā), “Boeddhaschap” (Sanskr. buddhatā), “Verlichting”.

yuishin verwijst naar de stelling: “Alle bestaansfactoren (Sanskr. dharma) zijn slechts een weerspiegeling van de eigen geest”.

Hieruit kan men besluiten: “Amida en het Reine Land zijn slechts weerspiegelingen van de eigen geest.”

De traditionele lering van de Jōdo-Shinshū is deze conclusie te verwerpen, door te stellen dat èn Amida èn het Reine Land ook buiten de eigen geest bestaan.

De meeste andere Boeddhistische Mahāyānastromingen formuleren in populaire zin echter wel dat “Amida’s gemoed en het gemoed van de mensen één zijn”. Het Pad der Wijzen formuleert immers zo de eenheid van de Boeddha en alle wezens, waarbij de mogelijkheid wordt opengelaten dat de Boeddha (het Boeddhaschap) en het Reine Land (de Verlichting) enkel binnenin de eigen geest bestaan.

Deze monistische visie wordt door Shinran voorgesteld als een van de redenen van decadentie van de Leer: “Priesters en leken in deze verworden tijd, en leraars van vandaag, verzonken in de opvatting dat ‘de eigen ware natuur Boeddha is’ en dat ‘de Boeddha en het Reine Land enkel in de eigen geest bestaan’, zij doen afbreuk aan (het vertrouwen) in de Werkelijke Verlichting in het Reine Land.”(KGSS, III).

Toch wordt geen duidelijke “anti”-stelling ingenomen. De veroordeling slaat hoofdzakelijk terug op het “bestaan enkel in de eigen geest”. De eenheid van Boeddha en lijdend wezen wordt in de latere werken van Shinran duidelijk naar voren gesteld. De Nembutsu is immers de objectivering van deze eenheid. Deze eenheid situeert zich echter niet in geest of gemoed, maar in de werkzaamheid van de Gelofte-Kracht van het Grote Mededogen.

Na Shinran, zal deze monistische visie sterker worden, o.a. in de verhandeling Anjin-ketsu-jōshō, zodat Shinrans oorspronkelijke veroordeling feitelijk wel afgezwakt wordt.

Jōdo (het Reine Land)

Sanskr. sukhāvatī Chinees. ching-t’u

Het Sanskriet letterlijk vertaald geeft “Vreugde-verblijf”. De Chinese vertaling als ‘rein’ i.p.v. ‘vreugde’ is gebaseerd op een technische term uit de metaalbewerking, waar “sukhā” gebruikt wordt voor de zuivere toestand van een metaal.

Sukhā, vreugde, geluk, zaligheid, wordt in de Boeddhistische terminologie gebruikt tegenover duhkha, lijden.

De term Reine Land is even gebaseerd op de idee dat het Boeddha-land volkomen gezuiverd is van de smetten van begeerte en onwetendheid (buddha-ksetra-parisuddhi).

Volgens de oude traditie, zou Sukhāvatī, het “Land van Boeddha Amitābha” zich ver weg in het westen bevinden. Sommige 19de-eeuwse sanskritisten hebben gezocht naar een bepaalde geografische streek, een hypothese die nu verlaten is.

Een nauwer verband kan gelegd worden met o.a. het dodenrijk, dat de Rig-Veda in het westen plaatst, daar waar de zon ondergaat en de god Yama heerst. Dergelijk paradijsachtig verblijf voor de overledenen wordt vaak aangetroffen in de vroeg-brahmanistische literatuur. In de Kausītakhi-Brahmāna (XX.1) wordt de ‘Brahmā-wereld’ beschreven als zijnde “de meest werkelijke der werelden”. In de vroege Upanisads wordt van die wereld gezegd dat hij “een plaats is die enkel na de dood kan bereikt worden” (o.a. Brih. up. 6.215, Chand. 4.14,5-6). Een ethisch aspect krijgt dit hiernamaals in de latere Upanisads als waar b.v. gezegd wordt dat “zij die het onvergankelijke Brahman bereiken, heengaan door de poort van de zon tot waar het onsterfelijke wezen (purusa) is”.

Het feit dat in het Tantrische Boeddhisme de windstreken toegewezen worden aan de dhyānibuddha’s, blijkt erop te wijzen dat ze niet geografisch, maar louter meditatief dienen begrepen te worden.

In de Reine Land-stroming wordt de ligging van het Reine Land trouwens zeer paradoxaal voorgesteld. De Grote Sutra zegt dat Sukhāvatī een ontelbaar oneindig aantal Boeddhalanden ver weg is; de Meditatie-sutra stelt het Reine Land voor als zijnde vlakbij. In de verwezenlijking-zelf ligt de oplossing van deze schijnbare tegenstrijdigheid.

In KGSS, VI rekent Shinran definitief af met elke geografische situering. Hij beschrijft Jōdo als het “Land van het Onmeetbare Licht”, wat duidelijk genoeg inhoudt dat het geen geografische of kosmologische plaats is die licht zou uitstralen. Voor hem is deze beeldspraak een manier om een vormloze realiteit (die van de Verlichting) door middel van concrete beelden uit te drukken.

Ook hier is Shinran geen vernieuwer. In zijn Nembutsu-hymnen schreef Shan-tao al: “Het Reine Land is het rijk van nirvāna, het niet-geschapene”. Hierbij noteert Shinran (in Yuishinshō-mon’i) dat Jōdo één van de vele benamingen voor nirvāna is.

Jōdo wordt ook “Vervullingsland” genoemd, omdat het de vervulling is van Amida’s 48 geloften voor de bevrijding van alle wezens.

Ofschoon het Reine Land, naar Vasubandhu (in Jōdo-Ron) traditioneel in het westen (ondergaande zon, dodenrijk) geplaatst wordt, schrijft Shinran in Kōsō-wasan 12, dat het is

… eindeloos als de hemel,
breed en groot en grenzeloos.

De tegenstelling wordt aldus uitgelegd: in de onwetende geest is het Reine Land in het westen en wordt het bij de dood gerealiseerd, maar voor de Verlichte is het Reine Land grenzeloos, geheel de lijdenswereld in de tien richtingen bedekkend.

Toch blijkt, buiten de Jōdo-Shinshū om, de locatie van het Reine Land vaak een echt probleem te zijn geweest!

Ekō 32

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home