Tannishō (1)

In dit eerste hoofdstuk, zet de auteur van Tannishō verwijzend naar de woorden van Shinran Shōnin, de hoofdlijnen uit van wat als “lering van de Ander-Kracht-Nembutsu” kan betiteld worden:

1) enkel ‘shinjin’ determineert de Geboorte in het Reine Land;
2) Amida’s heilswerkzaamheid geldt onbeperkt en onvoorwaardelijk voor alle wezens zonder onderscheid en ‘zoals ze zijn’;
3) het religieuze heil staat volkomen los van alle ethische bekommernissen.

 

Op het ogenblik dat men vertrouwda is (met de gedachte) dat men, gered door de onverwoordbareb (werkzaamheid) van Amida’s Geloftec, de Geboorte (in het Reine Land) verwezenlijkt, dan rijstd de op het uiten van de Nembutsu gerichte geest op.

Op datzelfde ogenblik laat (Amida) je deelachtig worden in de weldaad omvat en nooit meer losgelatene te worden.

a – het vertrouwen in de Ander-Kracht, het moment van shinjin.

b – fushigi: onverwoordbaar, ondenkbaar, want absoluut.

c – seigan: verwijst (1) naar de 48 Geloften van Amida-Dharmākāra, maar (2) meer bepaald naar de 18de Gelofte.

d – Het uiten van de Nembutsu ontstaat a.h.w. in parallel met het oprijzen van het ‘gemoed van vertrouwen’ (shinjin). Het is dus niet dit ‘uiten van de Nembutsu’ dat oorzaak van de Geboorte. Het ‘uiten van de Nembutsu’ in de Ander-Kracht optiek is geen bewuste wilshandeling vanwege de gelovige, maar een verbaal en spontaan oprijzen van Namu Amida Butsu. Men kan zeggen dat in dit ‘uiten van de Nembutsu’ het de Boeddha is die spreekt; voor de gelovige is dit dan het ‘horen van de Nembutsu’.

e – sesshu fusha: wie shinjin verwezenlijkt, is verzekerd van de Geboorte; hij kan niet terugvallen.

 

Amida’s Voortijdelijke Geloftea maakt geen onderscheid tussen oud en jong, tussen goed en kwaad.

a – De Gelofte is afgelegd en vervuld buiten elk tijd/ruimte-systeem. Voortijdelijk (hon) betekent ‘voorafgaand aan elk in de tijd denkbaar ogenblik’.

 

Enkel shinjin is van belang, dat dient men goed voor ogen te houden!

Shinjin is het ‘gemoed van vertrouwen’ door de Ander-Kracht (= het oneindige Boeddhaschap) in de wezens gewekt. In het Shin-Boeddhisme speelt shinjin zowat de rol van ‘satori’ in het Zen-Boeddhisme.

 

De reden hiervoor is dat de gelofte (afgelegd werd) om de levende wezens te verlossen uit hun onmetelijk diep karmisch kwaada van razend woedende blinde passiesb.

a – karmisch kwaad (zai-aku): het karma (het ‘doen’, niet zozeer de ‘daad’!), in wezen neutraal, wordt overwegend ervaren als onheilzaam: alle bestaansvormen zijn immers door lijden getekend.

b – blinde passies (bonnō): de mentale functies van begeerte, haat en onwetendheid. “Blind” doordat verblinding (onwetendheid) aan de bron van alle passies ligt.

 

Daarom als men zich aan (de werkzaamheid van) de Voortijdelijke Gelofte overgeeft, dan zijn andere goede (werken)a overbodig.

a – goede werken: de ‘meditatieve en niet-meditatieve praktijken’, zoals moraal, meditatie, ritueel enz.

 

Er is immers geen enkel goed (werk) dat de Nembutsu overtreft.

Nembutsu is hier duidelijk niet de Nembutsu die men uit eigen berekening of beslissing reciteert, maar de Nembutsu die spontaan, d.i. door de werkzaamheid van de Gelofte-Kracht, uit de diepe natuur van de wezens opwelt.

 

Daarom vreze men het kwade niet.

Onze ‘slechte’ daden hebben geen invloed op de werkzaamheid van de Ander-Kracht (het Oneindige Licht-en-Leven).

 

Want geen kwaad is sterk genoeg om Amida(s Voortijdelijke Gelofte te hinderen.

Dat waren zijn woorden.

 

Unnun: betekent zoveel als “einde citaat” en verwijst naar de woorden van Shinran Shōnin.

Ekō 33

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home