Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (14)

Jōdo-mon (Pad van het Reine Land)

Letterlijk: Poort van het Reine Land

T’an-luan, steunend op Nāgārjuna’s indeling van de Dharma in enerzijds i-gyo (gemakkelijke praktijk) en anderzijds nan-gyo (moeilijke praktijk), onderscheidt in het Boeddhisme de leringen eigen aan het Pad der Wijzen (shōdō-mon), die gebaseerd zijn op meditatieve, morele, rituele en monachale praktijken in min of meer geformaliseerde vormen (leven in gemeenschap, celibaat, dieetregels, disciplinecodes e.d.m.). Daartegenover stelt hij Jōdo-mon, overeenstemmend met i-gyo, de weg volgens dewelke het Boeddhaschap verwezenlijkt wordt door geboorte in het Reine Land en niet door Verlichting tijdens het leven in samsāra.

Jōdo-shinjitsu no gyō (de ware praktijk van het Reine Land)

Chin. ching-t’u chen-shih chih hsing

De ‘ware praktijk’ verwijst naar het uitspreken van de Boeddhanaam. Shan-tao (in Kuan-wu-liang-shou-ching su, ‘Commentaar op de Meditatiesutra’) vermeldt vijf ‘juiste praktijken’:

(1) de sūtra’s reciteren,
(2) Amida Buddha en zijn kenmerken visualiseren,
(3) Amida Buddha huldigen,
(4) het gedenken/uitspreken van Amida’s Naam,
(5) Amida’s verdiensten prijzen

(1), (2), (3) en (5) zijn ‘hulppraktijken’, (4) alleen is de ‘ware praktijk leidend tot geboorte in het Reine Land’.

Het belang van deze ware praktijk wordt gelezen in de 17de Gelofte (“de gelofte waarin alle Boeddha’s de Naam uitspreken.)

Jōdo-Shinshū (de Ware School van het Reine Land)

Deze term werd door Shinran Shōnin gebruikt om de essentie van het onderricht van zijn leermeester Hōnen te karakteriseren als de ware betekenis van de 18de Gelofte, zich hierdoor aftekenend tegenover de Jōdo-shū als traditionele interpretatie van de Reine-Landlering door Hōnens overige hoofddiscipelen.

In Yuishinshō-mon’i schrijft Shinran: “De ware essentie van de Jōdo-Shinshū is dat, wanneer wij het ware, werkelijke gemoed van vertrouwen (‘shinjin’) verwezenlijken, wij geboren worden in het ware vervulde land.”

Het zijn de opvolgers van Shinran Shōnin die de term begonnen te gebruiken voor de door hem gevestigde school, om zich te onderscheiden van de andere Reine-Landscholen die zich eveneens beriepen op Hōnens onderricht.

In de volksmond werden echter courant ook andere benamingen gebruikt voor de stroming die zich Jōdo-Shinshū noemt: Ikkō-shū of School van de Exclusieve Leringen, en Monto-shū of School van de Volgelingen. Officieel werd de benaming ‘Jōdo-Shinshū’ evenwel slechts op het einde van de 19de eeuw bij keizerlijk decreet toegekend, na eeuwen betwisting. Als datum voor de stichting van de School wordt 1224 aanvaard, jaar van de eindredactie van Shinrans hoofdwerk Kyōgyōshin-shō. Als organisatie kreeg de Jōdo-Shinshū zijn eerste vormgeving door Kakushin-ni, Shinrans dochter; tot echte bloei en betekenis kwam de organisatie echter eerst in de 15de eeuw onder impuls van Rennyō Shōnin, de 8ste hoofdabt van Honganji.

De School is verdeeld in een aantal ‘obediënties’ (ha), waartussen praktisch geen doctrinaal verschil bestaat. Twee ervan, Jōdo-Shinshū Honganji-ha (in de omgangstaal ‘West-Honganji’: Nishi Honganji) en Shinshu) Ōtani-ha (in de omgangstaal ‘Oost-Honganji’: Higashi Honganji) verenigen samen meer dan 94 % van de bijna 14 miljoen geregistreerde volgelingen. De overige 6 % zijn verstrooid over acht andere traditionele ha’s en 7 nieuwere zelfstandige organisaties. Hiermee is de Jōdo-Shinshū qua aantallen volgelingen, lekenorganisaties, onderwijsinstellingen, tempels, geestelijken en sociale structuren heden nog steeds de belangrijkste Boeddhistische strekking in Japan.

Geestelijk hoofd van de Nishi-Hongwanji is de “Monshu” (‘Beschermer van de Poort’), afstammeling in rechte lijn van Shinran Shōnin. De huidige en 24ste Monshu is Koshin Ohtani, zoon van Zenmon (‘Ere-Hoofdabt’) Kosho Ohtani, welke na meer dan 50 jaar leiding gegeven te hebben aan de Honganji, in 1978 afgetreden is. Het beheer van ‘wereldse zaken’ berust bij een beheerraad; de ‘wetgevende macht’ berust bij een gekozen ‘parlement’.

De Jōdo-Shinshū is ook buiten Japan vertegenwoordigd, met grote gemeenschappen in Hawaï, in de Verenigde Staten, in Canada en Brazilië. Kleinere gemeenschappen treft men aan op Taiwan, in Korea, in Mexico en in Europa (georganiseerde gemeenschappen in België, de Duitse Bondsrepubliek, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Polen en Zwitserland).

In Tannishō,15 lezen we wat volgens Shinran het eigenlijke kenmerk is van de Jōdo-Shinshū: “In dit leven vertrouwen op de Voortijdelijke Gelofte en in dat leven de Verlichting verwezenlijken.”

Jōdo-Shū (de School van het Reine Land)

In bredere zin omvat de School van het Reine Land alle vormen van het zg. Reine-Land-Boeddhisme, dat centreert rondom de opvatting dat de uiteindelijke bevrijding Nirvāna mogelijk, vergemakkelijkt of zelfs geheel verwezenlijkt wordt door de heilskracht die uitgaat van een Boeddha of een Bodhisattva. Elke ‘verlossende’ Boeddha of Bodhisattva wordt gesitueerd in een ‘land’ waarin hij ‘zijn’ gelovigen laat herboren worden zodat ze vandaaruit het nirvāna kunnen bereiken. Onder de meest populaire centrale figuren van zo een Boeddha-land (zie ook Jōdo) worden vermeld: Maitreya (Pāli Metteya, Chin. Mi-lo, Jap. Miroku), Amitābha (Amitāyus, Chin. A-mi-t’o, Jap. Amida), Bhaishajyaguru (Chin. Yao-shih, Jap. Yakushi), Avalokiteshvara (Chin. Kuan-yin, Jap. Kanzeon, Kannon) enz. Meer dan 200 sūtra’s verwijzen naar deze diverse stromingen van het Reine-Land-Boeddhisme.

In engere zin slaat, door de historische evolutie van de Reine-Land-gedachte, de term Jōdo-shū op de stroming die zich hoofdzakelijk beroept op de 3 sūtra’s welke Amitābha als hoofdfiguur hebben in de context van heil voor alle wezens en het reciteren van Zijn Naam als hoofdpraktijk. Deze sutra’s zijn:

- De Grote Leerrede van het Reine Land (Sanskr. Mahā-Sukhāvatī-Vyūha-sūtra, Chin. Ta-wu-liang-shou-ching, Jap. Dai-Muryōju kyō), kortweg meestal “Grote Sūtra”, ‘Dai-kyō’, genoemd);

- De Leerrede van de Meditatie over de Boeddha van het Eindeloze Leven (Sanskr. Amitāyur-dhyāna-sūtra, Chin. Kuan-wu-liang-shou-ching, Jap. Kan-myryōju kyō), kortweg meestal “Meditatiesūtra”, ‘Kan-gyō’, genoemd;

- De Kleine Leerrede van het Reine Land (Sansk. Sukhāvatī-Vyūha-sūtra, Chin. A-mi-t’o-ching, Jap. Amida-kyō).

In de Japans-boeddhistische context, slaat Jōdo-shū op de Reine-Landschool, welke als afzonderlijke stroming in 1175 gevestigd werd door Hōnen op het principe dat de nembutsu de enige uitverkoren praktijk is welke door Amida aan de mens geschonken werd, en alleen doeltreffend is met uitsluiting van alle andere praktijken.

Na de dood van de stichter, viel de Jōdo-shū uiteen in vier vertakkingen welke onderling verschillen door afwijkende doctrines. De vier scholen samen vertegenwoordigen een geregistreerde aanhang (1976) van ongeveer 6 850 000 volgelingen.

De Jōdo-shū leringen verschillen van die van de Jōdo-Shinshū hoofdzakelijk in hun opvatting van de verbale nembutsu als oorzaak van geboorte in het Reine Land, terwijl Shinran Shōnin de Ander-Kracht-leer consequent doortrekt en ‘shinjin’ als oorzaak vooropstelt.

Jogō (helpende handelingen)

De vier praktijken, welke Shan-tao aanbeveelt als steun voor de Nembutsu-praktijk. Men noemt ze dan ook ‘de daden die de werking van het uitspreken van de naam helpen’. Deze vier praktijken zijn:

(1) reciteren van de sutra’s,
(2) mediteren over Amida en zijn Reine Land,
(3) Amida vereren en
(5) Amida loven.

Ze staan tegenover (4) Amida’s Naam gedenken/uitspreken, welke shōjō-gō = juiste handeling die waarlijk de geboorte in het Reine Land verzekert.

(zie ook jōdo-shinjitsu no gyō)

Jōgō (reine handeling)

De reine handeling is de praktijk die Geboorte in het Reine Land beoogt, of juister uitgedrukt: die leidt naar die Geboorte.

Jōshin(1) (gevestigde geest)

De geest in meditatie geconcentreerd, concentratie. Staat tegenover sanshin, ‘verspreide geest’. In het Reine-Land-Boeddhisme: het gemoed dat ongestoord op Amida’s Naam gericht blijft.

Jōshin(2) (rein vertrouwen)

Het vlekkeloze vertrouwen, waarin geen twijfel meer aanwezig is.

In KGSS III,1 is er sprake van “Het reine vertrouwen in de gemakkelijke geboorte, welke nochtans slechts weinigen bereiken”. De Geboorte in het Reine Land is immers gemakkelijk voor wie het vertrouwen (‘shinjin’, ‘shingyō’) ontvangen heeft, maar moeilijk voor wie op eigen-kracht voortbouwt en twijfelt aan de Ander-Kracht. Maar: “Wanneer het reine vertrouwen verkregen is, dan kan het niet meer vervormd of te niet gedaan worden,” aangezien dit vertrouwen volkomen in overeenstemming met de Volkomen Verlichting is. In KGSS III,28: “De Tathāgata, uit diep mededogen met de oceaan van de lijdende wezens, schenkt het ongehinderde grote reine vertrouwen aan de oceaan van de wezens. Dit heet dan ook het oprechte vertrouwen (‘shinjin’) van de Ander-Kracht.”

Jōzen-sanzen (meditatieve en niet-meditatieve goede werken)

Vaak worden beide begrippen samengevat in ni-zen, “de twee (soorten) van goede (werken)”.

Deze termen worden gebruikt om alle praktijken aan te duiden die niet vallen onder de Ander-Kracht, maar vermeld worden als “voorlopige poorten” volgens de 19de en de 2Oste Geloftes.

In Shinrans “Ichinen-tanen mon’i” leest men: “De Voorlopige Poort omvat de meditatieve en niet-meditatieve goede werken, zoals onderricht in de Meditatiesūtra. Meditatief goed verwijst naar de dertien meditaties; niet-meditatief goed verwijst naar de drie soorten van verdienstelijk gedrag en de negen graden van wezens. Maar al deze praktijken behoren tot de Voorlopige Poort, welke een tijdelijk middel is om tot de Reine Land leringen te geraken; daarom wordt deze Poort de ‘voorlopige’ genoemd. Doordat hij alle wezens op allerlei wijzen aanmoedigt en leidt door deze Voorlopige Poort, voert hij ze naar de grote schatkamer-oceaan van de ware werkelijke werkzaamheid, de Voortijdelijke Gelofte, welke volmaakt en ongehinderd is, het éne voertuig. Daarom worden alle praktijken van zelf-kracht “voorlopige wegen” genoemd.”

Shan-tao omschrijft het ‘meditatief goede’ als het vestigen van de gedachte en het concentreren van de geest; ‘niet-meditatief goed’ is het kwade laten en het goede doen.

In navolging van Hōnen beschouwt Shinran beide ‘goede werken’ als uitsluitend zelf-kracht praktijken (jiriki-gyō) die niet in overeenstemming zijn met de Voortijdelijke Gelofte en dus niet leiden naar geboorte in het Reine Land, maar tot de voorlopige Geboorte in het Vervormde Land, het Land van Luiheid en Trots (keman-gai), de Twijfelburcht en Baarmoeder-paleis (gijō-taigu). De meditatieve en niet-meditatieve goede werken leiden dus niet tot Geboorte in het ware Reine Land.

Ekō 33

Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home