Tannishō (13)

Het bijzonder lange dertiende hoofdstuk behandelt in hoofdzaak het probleem van de verhouding tussen moraal en religie, of anders uitgedrukt, de relatie tussen enerzijds de daden en verdiensten van de mens en anderzijds de onbeperkte werkzaamheid van de Ander-Kracht, Amida’s oneindig mededogen

Shinran Shōnin ontkent elke afhankelijkheid of beperking van de Ander-Kracht. Het heilzame of onheilzame van onze handelingen heeft geen invloed op de onbeperkte, onvoorwaardelijke heilswerking van de Voortijdelijke Gelofte. Deze breuk, of beter gezegd dit afstand nemen, tussen de “goede werken” en het heilsgebeuren werd vaak verkeerdelijk uitgelegd, als zou Shinran hierdoor een volledige onverschilligheid t.o.v. het gedrag van de gelovige voorgestaan hebben.

 

Betreffende de bewering “Vermits Amida’s Voortijdelijke Gelofte onvatbaar is, is (het feit) geen kwaad te vrezen een (ten onrechte) prat gaana op de Voortijdelijke Gelofte, (wie zo denkt) zal geen geboorte (in het Reine Land) verwezenlijken.”

a – prat gaan (hokoru): hier gebruikt als synoniem voor “rekenen op, profiteren van, misbruiken”, weer bepaald erop rekenen dat dank zij de Voortijdelijke Gelofte, alle kwaad weggewist wordt.

 

Dergelijke bewering werpt twijfel op de Voortijdelijke Gelofte en misvat (de rol van) het karma bij onze goede en slechtea daden.

a – goed en slechts: deze begrippen zijn eigenlijk vreemd aan het Boeddhisme en zouden beter vervangen worden door ‘heilzaam’ en ‘onheilzaam’. Om de tekst echter niet nog zwaarder te maken, werden evenwel de ietwat té christelijke termen gebruikt.

 

Goede gedachtena rijzen (in de geest) op wegens het oproepen van vroeger goed. Kwaad komt in gedachten en vervulling op door de uitwerking van slecht karma.

a – Naar het Boeddhisme is het karma geen noodzakend mechanisme, maar wèl het scheppen in de geest van de mogelijkheid, de keuze een bepaalde handeling te doen of niet te doen. Het karma is dus eigenlijk enkel intentioneel of volitioneel. Door de zwakheid van de mens (begeerte, boosheid en dwaasheid overheersen immers in zijn geest) is de mens steeds geneigd de karmische impulsen te volgen.

 

Onder de woorden (eertijds) gesproken door de overleden Shōnin, zijn (ook de volgende):

Weet dat nooit enige slechte daad, zelfs zo (klein) als een stofdeeltje op de punt van een konijnehaar of van een schapevacht, plaats heeft zonder (veroorzaakt te zijn) door vroeger karma.

Verder, op een (andere) keer, zei (Shinran): “Yuien-bo, aanvaard jij al wat ik (je) zeg?” Daarop antwoordde ik: “Ja, dat doe ik”; waarop (hij dan zei): “Als dit (werkelijk) zo is, zal jij dan niet afwijken van hetgeen ik je nu ga zeggen?”

Dat vroeg hij, (zijn vraag) herhalend, zodat ik nederig bevestigde.

Daarop (zei hij): “Om te beginnen, zou jij voor mij een duizendtal mensen willen vermoorden? Gebeurt dat, dan is je geboorte verzekerd.”

Toen hij dit gezegd had, antwoordde ik: “Ofschoon dit uw woorden zijn - al was het maar een mens, ik denk niet dat het mij mogelijk zou zijn hem te doden.”

“Waarom beweer je dan dat je niet zal afwijken van hetgeen (ik,) Shinran (je) zeg? Hierbij moet je goed bedenken: moest alles overgelaten worden aan je eigen wil(sbeslissing) en ik zou zeggen: omwille van de geboorte, dood (me) een duizendtal mensen, je zou ze terstond doden.

Evenwel, zelfs om een enkel mens kan je (zulk) kwaad niet doen, doordat je de karmische (basis)oorzaak mist die je in de mogelijkheid stelt te doen hetgeen ik (je) zeg.

(Maar) het is niet omdat je hart goed is, dat je niet doodt!

Verder: ook al verlangt iemand een ander geen kwaad te doen, (toch) kan het gebeuren dat die mens honderd of duizend mensen vermoordt.”

Dat waren zijn woorden, sprekend over onze gedachte dat het goede van ons hart (werkelijk) goed is en het slechte (van ons hart werkelijk) slecht, waarbij we niet realiseren dat (Amida) ons redt door de (werkzaamheid van de) onvatbare Geloftea.

a – Onvatbare Gelofte (gan no fushigi): de oorzaak en de uitgebreidheid van de voortijdelijke Gelofte gaat het menselijke begripsvermogen te boven.

 

In die dagen was er iemand die in verkeerde inzichten (hieromtrent) vervallen was. (Denkend dat) vermits het wezen van de Gelofte is ieder wezen dat het kwade gedaan heeft, te verlossen, beweerde die man dat men opzettelijk het kwade dient te doen, omdat het die (slechte) daad is (die leidt naar) de geboortea.

a – Deze neiging tegen elke moraliteit in te gaan, is eigen aan heel wat afwijkingen in de meeste godsdiensten en heeft vaak aanleiding gegeven tot de vorming van sommige sekten.

 

Toen de geruchten over deze misvatting (hem) geleidelijk bekend werden, schreef (Shinran) in een brief: “Je neemt toch geen vergift precies omdat er een tegengift voor bestaat!”

(Dit) om een einde te stellen aan elke gehechtheid ten opzichte van dit verkeerde inzicht.

Geenszins is (echter bedoeld) dat boze daden de verwezenlijking van de geboorte kunnen hinderen!a

a – Shinran heeft er eerst voor gewaarschuwd dat men niet opzettelijk het kwade dient te doen. Nu wijst hij echter op het gevaar in een tegengestelde opvatting te vervallen, nl. dat het kwade dat men toch doet, de geboorte in het Reine Land zou beletten.

 

Als het enkel was door naleven van voorschriften en eerbiedigen van regels dat iemand in staat zou zijn zich geheel toe te vertrouwen aan de Voortijdelijke Gelofte, hoe zouden we dan (ooit) uit geboorte-en-dood bevrijd kunnen worden?

Dat (zei hij).

Zelfs zulke jammerlijke wezens (als wij) komen, bij het ontmoeten van de Voortijdelijke Gelofte, in de verleiding er werkelijk prat op te gaan. Maar zelfs (als dit) zo (is) kunnen in het bestaan de boze daden die niet (karmisch) genoodzaakt zijn, amper begaan worden.

Verder: “diegenen die zich in de wereld handhaven door in zeeën en rivieren netten te werpen en te vissen, of lieden die hun kost verdienen met in moerassen en bergen op dieren te jagen en gevogelte te vangen, of mensen die (hun leven doorbrengen) met handel te drijven of velden en paddies te bebouwen, ze zijn alle in hetzelfde gevala.”

Dat zei (hij).

a – Deze categorie van beroepen waren traditioneel uitgesloten van elke kans op verlichting. Het is eerste de Nembutsu-leer die zich om het heil van deze mensen bekommerde. Noteren we b.v. dat Shinran bijna dertig jaar doorbracht te midden van deze sociale categorieën om er het Reine Land Boeddhisme te           verkondigen. Voor hem was het immers uitgesloten dat Amida’s werkzaamheid beperkt zou kunnen worden door de bestaansomstandigheden van de lijdende wezens.

 

“Als de karmische oorzaak ons ertoe aanzet, dan kunnen we gelijk welke soort daad verrichten.”

Dat verklaarde de shōnin, maar tegenwoordig (ziet men) niettemin een gedrag (als dat van lieden) die zichzelf aanstellen als “aspiranten naar toekomstig boeddhaschap”, net alsof enkel de deugdzamen de nembutsu zouden mogen zeggen;

- of die bij de dōjō’sa berichten uithangen (meldend) dat mensen die zo een of zo een daden verricht hebben, de dōjō niet mogen betreden.

a – dōjō:“huis van het Pad”, plaats van lering. In den beginne hadden Shinrans aanhangers, net als Shinran zelf, geen tempels, maar kwamen ze bijeen in huizen van leken. De eerste Honganji was enkel een klein mausoleum gebouwd boven het graf van Shinran Shōnin. Het gebruik in huizen van gelovigen bijeen te komen, wordt op vele plaatsen in Japan nog steeds gehuldigd, vooral op het platteland, ook daar waar er een tempel gevestigd is.

 

Zijn (zulke lui) dan niet diegenen die “enkel uiterlijke tekenen van wijsheid, goedheid en ijver vertonen, terwijl ze innerlijk enkel valsheid koesteren”a?

a – zinspeling op een passage uit Zendō’s Sanzen-Gi.

 

Zelfs het (opzettelijk) verrichte kwaad, waarbij men prat gaat op de gelofte, geschiedt (enkel) door het opkomen van verleden karma.

Daarom: wanneer men zowel zijn goede als zijn slechte daden beschouwt als karmische gevolgen, en zichzelf geheel overlevert aan de (werking van) de Voortijdelijke Gelofte, dan is (men ondanks alles) in overeenstemming met de Ander-Kracht.

Ook in Yuishinshōa leest men: “Kent gij dan de reikwijdte van Amida’s Kracht dat gij (voor de Boeddha zo) moeilijk te redden zoudt zijn, enkel omdat gij een wezen van karmisch kwaad zijt?”b

a – Yuishinshō (“Hoofdzaken van Enkel-Vertrouwen”): een werk van Seikaku-Hōin (1167-1235), discipel van Hōnen Shōnin en oudere vriend van Shinran. Dit werk werd geschreven om het belang van het Vertrouwen te benadrukken. Shinran schreef hierover een commentaar (Yuishinshō-mon’i)

b – karmisch kwaad (akugō): zie Glossarium!

 

Ondanks (het feit) dat we een gemoed hebben dat prat gaat op de Voortijdelijke Gelofte, toch (wordt) shinjin, het vertrouwen in de Ander-Kracht, ook in ons gevestigd.

Over het algemeen, wanneer men zich uitsluitend aan de Voortijdelijke Gelofte overlevert, - na het volledig afbreken van zijn karmisch kwaada en zijn blinde begeertesb, hoe goed zou het dan zijn bevrijd te zijn van elke gedachte nog prat te gaan op de Gelofte!

a – karmisch kwaad (akugō): zie Glossarium!

b – blinde begeertes (bonnō): de drijfveren die ons de weg naar de Verlichting zoniet afsluiten, dan toch moeilijk maken. Zie Glossarium!

 

Maar wanneer men afbreekt met zijn blinde begeertes, dan zou men terstond een Boeddha worden, - en voor een Boeddha heeft de na vijf kalpa’s ontstane Gelofte beslist geen enkele zin meer!a

a – De gelofte is er voor de lijdende wezens, niet voor de Boeddha.

 

De lieden die anderen waarschuwen tegen het prat gaan op de Voortijdelijke Gelofte, ook al blijken ze (zelf) vol blinde begeertes en bevlekkingen te zijn, is dit (uiteindelijk) ook geen prat gaan op de Gelofte?

Wat voor soort kwaad kan dan (nog) het prat gaan op de Gelofte genoemd worden, en wat voor soort kwaad is dan niet prat gaan?

Zou (dit) eigenlijk geen teken van onrijp denken zijn?

Ekō 35

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home