De Plaats Van Shinran Shōnin in het Boeddhisme (16)

Er is “voor mij” geen Amida zonder “mij”.

De Leer van de Boeddha ontkent formeel en beslist het bestaan van enig blijvend, eeuwig, onsterfelijk, ‘metafysisch’ “ik”. Meteen ontkent het Boeddhisme dan ook elke zelfstandigheid, elk op-zichzelf-essentieel “zijn” ook voor een begrip als “Boeddha” of “Amida”. “Boeddha” bestaat dan ook uitsluitend ten opzichte van “mij”.

De opkomst van een ik-begrip staat gelijk aan de simultane opkomst van Amida als begrip-voor-mij. Het is als de twee polen van een magneet. Men kan zich de vraag stellen of ze aan elkaar gelijk zijn. In zekere zin (vanuit een zeker standpunt bekeken) zijn ze inderdaad aan elkaar gelijk: in werking, in vermogen, in velduitgebreidheid. Maar in een andere zin (anders bekeken) zijn ze verschillend; ze zijn niet omwisselbaar. Maar de ene pool is ondenkbaar zonder de andere.

Dit houdt in dat zonder de opkomst van “NAMU”, er ook geen “AMIDA BUTSU” kan zijn in de Nembutsu. Ook omgekeerd: de opkomst van “AMIDA” betekent de simultane opkomst van “ik”.

Hierin ligt één van de grote ‘theologische’ punten van verschil tussen de christelijke Godsopvatting en de buddhologische visie op Buddha. De Christen kan zich inderdaad een God voorstellen die zou bestaan zonder de mens: de mens is geen noodzakende voorwaarde voor het bestaan van God. Maar de Boeddha - hoe men zich ook het Boeddhaschap mag voorstellen - kan niet losgemaakt worden van de lijdenswereld. Hij “bestaat” in functie van de lijdenswereld, net zoals de Leer (waarmee de Boeddha identiek is) en de Gemeenschap.

Men mag daaruit evenwel niet de conclusie trekken dat er een noodzakelijke voorrang (pre-existentie) zou bestaan van het “ik” t.o.v. Amida. We moeten immers terug verwijzen naar het empirische onderscheid tussen ‘voorwerp, object’ en ‘onderwerp, subject’. Beide begrippen zijn polen van een relationele ervaring; beide zijn onvermijdelijk aan elkaar verbonden. Er is geen object zonder subject. Hetzelfde dient gezegd te worden van de ‘ik’/’Amida’-relatie.

Dit vaststellen, is een eerste stap naar inzicht. Blijft het besef van deze relatie en van deze relativiteit uit, dan blijft elke ‘com’-‘prehensie’ (samen-vatten) van de diepe structuur van het Boeddhisme noodzakelijkerwijze uit. Daarom wordt terecht gezegd dat enkel de “Boeddhist” het “Boeddhisme” kan begrijpen en dat de diepere ebbe-en-vloedbewegingen van de Leer voor de buitenstaander als een absurditeit voorkomen.

Een tweede stap in de richting van het juiste inzicht (‘prajna’ = de wijsheid) zou zijn niet meer te discrimineren tussen object en subject. Een eventuele derde stap zou ons leiden naar het overtreffen van elk subject/object-denken -… maar dat is al ‘wijsheid’ en ons niet zomaar met de moedermelk ingegeven.

Voor ons dagelijks bestaan zijn het metrieke stelsel en de meetkunde van Euclides beslist bruikbaar, ook al weten we na Lorenz, Einstein, Planck, Schrödinger; enz… die systemen geen algemene waarde hebben en geen algemene toepasbaarheid.

Zo gaat het ook met object en subject: ze zijn onvermijdelijke instrumenten in onze relatieve alledaagsheid (= samsara), in onze discursieve existentievormen. We zijn wel verplicht ermee te werken. Maar we moeten er telkens weer aan denken, aan trachten te denken dat hun structuur van tegenstellingen (grammaticale, logische, sociale, psychologische…) enkel efficiënt kan zijn op het niveau van ons relatief-kensysteem. Zelfs de benadering ‘hier-en-nu’ van het nembutsu-probleem vormt hierop geen uitzondering.

Wanneer we ons echter wagen op het niveau van het ‘ondenkbare, onverwoordbare’ (dat in vele geïnstitutionaliseerde religies als ‘mystieke’ gebrandmerkt wordt), waarom het Nagarjuna, T’an-luan of Shinran te doen is, dan zijn die instrumenten een beperking, een last.

Zelfs de Leer is zo’n instrument: een vlot, zeggen de schrifturen, om de stroom over te steken, niet om op zijn schouders verder te dragen…

Wanneer we bijgevolg een onderscheid maken tussen de verwoorder van de Nembutsu enerzijds en Amida Buddha anderzijds, dan is dit een gedachtenschema dat in de eerste plaats utilitair is en bestemd voor het dagelijks, alledaags gebruik van de dwaze, verblinde wezens die we zijn. Maken wij, met onze gewone denk-en-voelmanieren, dat onderscheid niet, dan riskeren we in de drijfzanden van mysticiserende éénwordingen die een “Zijn” vooropstellen te stranden en te verzinken.

Maar zien we de Nembutsu niet als zomaar een statische formule, maar wel als een alomvattende dynamische structuur, zoals b.v. de ‘baan’ van een elektron, dan wordt ook de betekenis van de schijnbaar zo eenvoudige formulering, overheen al de discursieve, intellectuele problemen die ze oplevert, meteen geladen met een onzegbare rijkdom: spiritueel bevrijdend en dimensieloos.

Ekō 35

De Plaats Van Shinran Shōnin in het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home