Dienst Ter Nagedachtenis Van Alle Doden Van De Oorlog

Op 2 april 1997 hield de Otani-ha (Higashi Hongwanji) van de Jōdo-Shinshū een “Eredienst ter nagedachtenis van alle doden van de oorlog”. Deze ceremonie droeg vroeger de naam “Eredienst ter nagedachtenis van de (Japanse) gesneuvelden”.

Deze wijziging van de benaming werd ingevoerd als een autokritiek op het feit dat de Otani-ha indertijd de tweede wereldoorlog een “heilige oorlog” genoemd had en dat de organisatie samenwerkte met de regering; tevens werd te dezer gelegenheid duidelijk stelling genomen tegen elke vorm van oorlogsgeweld.

De Eerste Secretaris Generaal van Higashi-Hongwanji, de Heer Seiji Koga, heeft bij deze eredienst de gelofte van niet-oorlog uitgesproken. Hij besloot zijn homilie met deze zin: “Wij hopen dat zo vlug mogelijk de dag komt dat de gelofte van niet-oorlog in binnen- en buitenland zal uitgesproken worden in naam van alle scholen van de Jōdo-Shinshū.”

Hier volgt dan de zo goed als volledige tekst van deze rede van de Heer Koga.

Diepe Schaamte Over Onze Oorlogscollaboratie

Het is hoogtijd het leven als Nembutsu-volgeling in praktijk te brengen!

Ik ben er bijzonder dankbaar voor de gelegenheid gekregen te hebben deel te nemen aan deze eredienst ter nagedachtenis van alle doden van de oorlog, samen met U, familieleden van de afgestorvenen. En samen met U richt ik mijn geest op het aanhoren van de leer van de Jōdo-Shinshū, als had ik een persoonlijk onderhoud met Shinran Shōnin.

Dit jaar is het vijftigste sedert het begin van de Chinees-Japanse oorlog. En het is reeds vijf jaar geleden dat de nieuwe constitutie van de Otani-ha duidelijk de bestaanszin van de school heeft uitgedrukt als de “verwezenlijking van een broederlijke wereld”.

Ik kan me niet weerhouden diep getroffen te zijn door het snelle vluchten van de tijd, een tijd waarin ik helaas zo weinig verricht heb. Het is daarom dat ik heden eens te meer de betekenis wil onderzoeken van deze jaarlijkse eredienst, en dit wil doen juist in functie van het onderricht van Shinran Shōnin.

Men zegt ons dat de vorige oorlog het leven gekost heeft aan zowat twee en een half miljoen van onze mensen. Maar wat wij niet mogen vergeten, dat is dat het Japanse leger alleen al in Azië meer dan 10 miljoen mensen het leven ontnomen heeft. Waarbij men ook moet bedenken dat men het aantal door mensen gedode mensen in de twintigste eeuw schat op meer dan 100 miljoen. Het is de eerste maal in de geschiedenis van de mensheid dat mensen zonder enig besef van kwaad zoveel mensen gedood hebben.

Ik wil U hierbij duidelijk maken dat deze eredienst van vandaag uw oor en uw hart wil openen voor de lering van onze stichter Shinran Shōnin die wenste “naar beste vermogen te leven in deze wereld van geboorte-en-dood”, een wens die we ook de onze dienen te maken.

Een dichter zei eens: “De doden leven zolang in de gedachtenis als er mensen zijn die ze gedenken”. Hoe kan men vergeten met welke angst de gezinsleden de oorlogsverwoestingen ondergingen, en met welke van angst knikkende knieën ze kennis namen van de officiële overlijdensberichten.

Bij een ander dichter lezen we: “Wat moeten de overlevenden nog begrijpen, vermits de doden nooit terugkomen?” Het verdriet, het leed over ouders, echtgenoten, kinderen die nooit meer terugkomen, staat ons heden duidelijker voor ogen dan ooit tevoren.

De eredienst van vandaag, ter nagedachtenis van alle doden van de oorlog is, volgens de lering van de Jōdo-Shinshū geen requiem, geen mis voor de zielen van de afgestorvenen, maar het mag ook geen ceremonie zijn ter vergoelijking van vreselijke feiten die we liefst in het duister van de vergetelheid willen dompelen.

Er is een uitdrukking die zegt: “De geschiedenis is de samenspraak van het verleden met het heden, en van het heden met de toekomst.” Het verleden vergeten en de toekomst dromen, dat is een zielsverschuiving. Wij moeten de “zonde van het verleden” kennen, het verleden beschouwen in het licht van vandaag, de oorzaak van het tragische verleden duiden ook in het heden. Door dergelijk onderzoek kan men licht werpen op het pad dat ons bevrijdt van de grote tragedie die de oorlog is; dit zelfde pad is datgene dat de boeddhist voert naar de grote bevrijding, het nirvāna. Onze roeping als volgelingen van de Jōdo-Shinshū is geboren te worden in het Reine Land, ook in de huidige historische en maatschappelijke context, waarbij men kan stellen dat de wereld bevlekt is door de vijf kwalen en dat zelfs de volgelingen van de Boeddha hun bestaan leiden in een ontregeld mens-zijn.

In de inleiding tot de Meditatiesūtra die we kunnen opvatten als een ‘moderne schriftuur’ lezen we hoe de mens de mens doodt. Het verhaal van koningin Vaidehī toont ons echter ook hoe de mens zich kan losmaken uit deze dreiging door het beschouwen van de veranderlijkheid van alle dingen.

Het verhaal van Vaidehī leert ons twee belangrijke zaken: De eerste is dat de dood vaak tot ons komt niet als een natuurlijke dood, maar als een moord. Het tweede belangrijke punt is dat het persoonlijke probleem van de daad zich ook voordoet op het niveau van de maatschappij.

De eredienst van vandaag is een gelegenheid met al onze oren te luisteren naar alle doden van de oorlog, te luisteren naar het wijsheidslicht van de Boeddha.

De smart van de families van die daden is natuurlijk eerst en vooral het verdriet over het verlies van ouders, echtgenoten, kinderen, broers en zusters. Maar het is ook de pijn machteloos te staan tegenover die dood.

Het is de oorlog die ons dat verlies, die pijn opgelegd heeft. Men zegt dat de oorlog nu voorbij is, zeker als gebeurtenis die ons rechtstreeks aanbelangt. Maar ik meen dat de politieke en economische mechanismen die tot de oorlog leiden nog steeds aanwezig zijn. En dat het waardeoordeel en het denkpatroon van de mens die de oorlog schept, tot op heden niet fundamenteel gewijzigd werden.

De grote mogendheden bezitten vandaag meer dan genoeg atoombommen om heel wat keren de hele mensheid te vernietigen. Is het niet vreselijk dat na vijfduizend jaar ‘beschaving’ de mens zo waanzinnig geworden is?

Wij, Jōdo-Shinshū volgelingen, wij hebben in de Meditatiesūtra geleerd hoe de mensen niet kunnen leven zonder te doden. Hoe dikwijls hebben we niet geluisterd naar het verhaal hoe Hōnen Shōnin geroerd werd door het testament van zijn vader waarin deze hem vroeg “de weg te zoeken waarbij zowel de bondgenoot als de vijand samen konden bevrijd worden”? En toch heeft onze school die tweede wereldoorlog een “heilige oorlog” genoemd. En wat nog ergerlijker is, is dat ze ook gezegd heeft: “De zielen van de op het slagveld gevallen helden die in de Shinto-tempel Yasukuni geëerd worden, zijn die van degenen die de grote taak van de keizer mee hebben helpen vervullen; daarom moeten die helden geëerd worden als degenen die de grote taak van de Bodhisattva’s in de praktijk gebracht hebben”. Wat een diep duister, wat een onbeschaamdheid! Wanneer ik er nu over nadenk, overvalt mij zo’n onzegbare schaamte dat ik niet meer weet waar ik kruipen moet.

Shinran Shōnin leert ons dat “zij die schaamteloos zijn, geen mensen zijn.” Als wij zo schaamteloos oorlog voeren, zijn wij inderdaad geen mensen meer. Oorlog is kwaad gewoon omdat oorlog moord en doodslag is. Wat men een “heilige oorlog” noemt is niets anders dan een dubbele valsheid, want zij die aan oorlog deelnemen zijn tegelijkertijd slachtoffers èn moordenaars.

Wij hebben zo’n groot kwaad verricht dat men dit niet gewoonweg als een “vergissing” kan wegwerken. Onze school heeft zaken beweerd die Shinran Shōnin nooit gezegd heeft. Wanneer wij, priesters, over deze zaak nadenken, wat kunnen we anders doen dan vóór U allen in stilte het hoofd buigen?

Net zoals eertijds Angulimala, discipel van de Boeddha, gestenigd werd omdat hij voordien veel bloed bad vergoten, evenzo moeten wij ons nu blootstellen aan de onvermijdelijke kritiek van de leer en aan het verdriet over alle doden van de oorlog. Enkel op die wijze keren we terug tot de ware levensvisie van de Nembutsu-volgeling.

Hoe groot ook het misdrijf is dat wij begaan hebben, de gelofte van de Tathagata die ons bewust maakt van dit vergrijp doordringt de drie werelden van verleden, heden en toekomst en werkt onophoudelijk op ons. Het licht van wijsheid van de Boeddha van het Oneindige Licht in de Tien Richtingen verlicht onophoudelijk ook het gemoed van de mens die oorlog bedreven heeft.

Het is voor ons tijd terug vertrouwen te hebben in de Gelofte van de Tathagata en op deze wereld een nieuw leven te beginnen, gericht op nirvāna, die wereld van de ware vrede. Zo kunnen wij alle leed doorstaan dank zij het vaste vertrouwen in de Ander-Kracht Gelofte en in de Naam. Wij moeten standvastig deze weg voortzetten.

Het is onbetwistbaar dat het heil volgens de Jōdo-Shinshū ook nù voor alle wezens onwrikbaar is. Te dezer gelegenheid wil ik U nog laten luisteren naar mijn gedachte van diepe schaamte, welke door vast vertrouwen in de Boeddha opgerezen is uit de diepte van mijn gemoed.

Als boeddhisten richten wij ons leven op het nirvāna en begaan wij de weg naar het Reine Land. Wij zullen ons inzetten, ook op risico van ons leven, de oorlog te vermijden. Wij ontvangen dankbaar de werkzaamheid van het Reine Land in de uitdrukking: “Vermits er voor ons geen andere weg is, dat wij samen de Nembutsu zeggen en dat deze weg ons ver weg voert, kan men zeggen dat alle wezens binnen de vier wereldzeeën broeders zijn.” Daarom nemen wij ons voor vanaf dit moment te streven naar een broederlijke wereld en het leven van de ware Nembutsu-volgeling te leiden in het dagelijkse op vrede gericht bestaan.

Ik hoop dat mijn uiteenzetting de sympathie van uw hart zal winnen en dat deze sympathie zich zal verspreiden, zodat zo vlug mogelijk de dag komt dat de gelofte van niet-oorlog in binnen- en buitenland zal uitgesproken worden in naam van alle scholen van de Jōdo-Shinshū.

Ekō 36

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home