Tannishō (14)

In dit hoofdstuk behandelt Shinran de relatie tussen het karmische kwaad en de nembutsu: bestaat er een mechanische relatie tussen beide? Heeft de nembutsu uitwerking op het karma? In hoeverre zou dergelijke uitwerking in overeenstemming zijn met de Ander-Kracht?

Het is duidelijk dat Shinran Shōnin hier inhaakt op een problematiek die in de Reine-Landmiddens heel wat rumoer maakte: hoe dikwijls dient men de nembutsu uit te spreken om de Geboorte deelachtig te worden? Onder de volgelingen van Hōnen Shōnin, Shinrans leermeester en stichter van de Jōdo-shū, was immers een discussie hierover ontstaan, de enen bewerend dat één nembutsu hiervoor volstaat (kwalitatief standpunt), terwijl anderen volhielden dat het absoluut noodzakelijk is de nembutsu zo vaak mogelijk te herhalen (kwantitatief standpunt). Shinran schuift beide standpunten terzijde: de Geboorte is uitsluitend te danken aan de werking van de Ander-Kracht en niet aan het al dan niet reciteren van de nembutsu. Hij behandelt dit probleem diepgaand in zijn essay “Ichinen-tanen-mon’i”.

Betreffende de bewering “men dient zich te verlaten op de uitrooiing van karmisch kwaad voor acht miljarden kalpa’sa, (van geboorte –en-doodb) door een enkele uiting (van de naam)”.

a – kalpa: onmeetbaar lange periode, volgens de diverse bronnen schommelend tussen honderdduizend en honderd miljoen jaren.

b – shōji (Sanskr. jāti-marana): de kringloop van geboorte-en-dood als synoniem voor samsāra, de lijdenswereld.

Hierover zegt (immers) een sūtraa:

Wie de tien overtredingenb en de vijf doodzondenc begaat en de nembutsu niet reciteert in zijn leven van alledag (maar) eerst tegen het einde van zijn leven dank zij het onderricht van een goed dharmavriendd, en (dan ertoe) komt (de naam) eenmaal uit te spreken, waardoor hij zijn karmisch kwaad voor acht miljarden kalpa’s uitrooit, of (de naam) tienmaal uitspreekt waardoor hij zijn karmisch kwaad voor tienmaal acht miljarden kalpa’s zou uitrooiene, die wordt zo in het Reine Land geboren.

a – nl. in de Meditatie-sūtra (Kan Muryōju-kyō)

b – jūaku: zie Glossarium!

c – gogyaku: zie Glossarium!

d – zenjishiki (Sanskr. kalyāna-mitra) de goede leraar-vriend, die helpt bij het begrijpen en beoefenen van de Leer

d – Deze bewering komt niet in de Meditatie-sūtra voor!

Om ons de ernst van de tien overtredingen en de vijf doodzonden te doen begrijpen, wordt hier gesproken over “een uiting” en “tien uitingen”a waarbij de nadruk gelegd wordt op de noodzaak dit karmisch kwaad uit te rooien.

a – Volgens Shinrans Ichinen-tanen-mon’i verwijzen alle vermeldingen van de 10 overtredingen en de 5 doodzonden naar de onverwoordbare grootte van de Ander-Kracht: de zelf-kracht (jiriki) is niet bij machte deze hindernissen uit de weg te ruimen; enkel Boeddha’s Gelofte-Kracht kan dit.

Dergelijk (inzicht) schiet echter heel wat tekort ten opzichte van wat wij voorhoudena.

a – Volgens de auteur is dit de Jōdo-Shinshū orthodoxie zoals door Shinran Shōnin uiteengezet.

De reden hiervoor is dat, vermits Amida’s licht ons bestraalt, op het ogenblik dat het ene gedachte-momenta (van overgave in ons) oprijst, wij diamanthard shinjinb ontvangen, vandaar dat reeds (op dat ogenblik Amida) ons opvangt op het stadium van de (waarlijk) gevestigdenc.

a – ichinen: één-gedachte-moment, de kortst denkbare duur van een gedachte; waarbij ‘nen’ zowel ‘denken’ als ‘moment’ betekent. Biologische experimenten (o.a. sedert Von Uexküll) hebben aangetoond dat onder de tijdsduur van 1/50 seconde geen ervaring meer mogelijk is; psychologisch neemt men aan dat onder de 1/24 seconde geen bewustzijnsindruk merkbaar is.

b – kongō no shinjin: “shinjin van diamant”, shinjin eenmaal verworven is onverwoestbaar en onveranderlijk als diamant.

Gezinspeeld kan hier ook worden op de dubbele betekenis van kongō (Sanskr. vajra) als ‘diamant’ maar ook als ‘bliksem’. Men zou dus ook kunnen zeggen: bliksem-shinjin, shinjin snel en onverhoeds als de bliksem inslaande.

c – jōju (voor ‘shōjōju’) zie Glossarium!

Wanneer ons leven ten einde loopt, transformeert (Amida)a onze blinde passiesb en ons karmisch kwaadc.

a – Het Grote Mededogen transformeert ons karmisch kwaad in karmisch heil; of beter gezegd, opgenomen in het Grote Mededogen dat de Ander-Kracht is, verliest ons karmisch kwaad zijn werkzaamheid en wordt het deelachtig aan Amida’s Gelofte-Kracht. Illustratie hiervoor zijn de ontelbare zoete of bevuilde rivieren die zich in de grote oceaan storten; hun water verliest de eigen karaktertrekken en neemt overal de zoute smaak van de oceaan over.

b – bonno: zie Glossarium!

c – akusho: zie Glossarium!

En (hij) brengt ons tot de verwezenlijking van het inzicht in het niet-ontstaana (van de bestaansvormen).

a – mu-shō-nin: naar Nagarjuna is er noch ontstaan noch vergaan, vermits de dingen enkel in leegheid (betrekkelijkheid, afhankelijkheid, beschikbaarheid) bestaan.

De nembutsu gedurende het leven uitgesproken met de gedachte “ware het niet dank zij de Mededogende Gelofte, hoe zou een dwaas zondaar (zoals ik) ooit in staat zijn bevrijding uit geboorte-en-dood te verwezenlijken?”

Zulk nembutsu dient (enkel) beschouwd te worden als (de uitdrukking van) dankbaarheid voor de weldadigheid van Tathagata’s grote mededogena en voor de uitwerking ervan.

a – Nyorai (no) dai-hi: de Gelofte-Kracht, de Ander-Kracht, de natuurlijke, spontane en noodzakende werkzaamheid van Amida waarbij geen selectie optreedt.

Menen dat men zijn karmisch kwaad weg wist telkens men de nembutsu uitspreekt,

dat is eigenlijk streven naar geboorte door zelf zijn karmisch kwaad uit te rooien.

Indien (men) zo’n (mening toegedaan is), van alle gedachten die men in zijn levensspanne koestert, is er dan geen enkele die geen keten aan geboorte-en-dood is;

daardoor (denkt men) dat men enkel kan geboren worden door zich geen enkel ogenblik van de nembutsu af te wenden,

onophoudelijk tot op het fatale einde van dit leven.

Nochtans, vermits de karmische werking welbepaald isa, is het best mogelijk dat we onverwachts een ongeluk ondergaanb of dat ziekte ons met pijnen kweltb,

zodat (ons bestaan) eindigt zonder dat we in de juiste geestesgesteldheidc vertoeven, (dan) zal het moeilijk zijn (nog) de nembutsu te zeggen.

a – Het karma volgt zijn eigen onherroepelijke weg welke voor ons ondoorgrondelijk is.

b – Het leven kan immers eindigen in omstandigheden waarin het ons moeilijk, zoniet totaal onmogelijk is de nembutsu uit te spreken.

c – Pijn, bewusteloosheid, stervensangst beletten de nembutsu in de vereiste helderheid van gemoed uit te spreken.

Hoe kan men dan het karmisch kwaad dat tot dat (laatste) ogenblik (verricht werd), uitrooien?

(En) als dat karmisch kwaad niet verdwijnt, dan kan men onmogelijk de geboorte verwezenlijken.

Wie zich verlaat op de gelofte die omvat en niet loslaata,

(hem) kan gelijk wat onverwachts overkomen en hij kan (zelfs) om het even welke handeling van karmisch kwaad verrichten, - of sterven zonder de nembutsu te (kunnen) uitspreken, zelfs dan zal hij terstond de geboorte verwezenlijken.

a – sesshu fusha: “omvat en niet losgelaten”. De werkzaamheid van Amida’s Gelofte-Kracht is definitief en onvoorwaardelijk, ook al is ze niet blijkbaar of merkbaar.

Voorts: zelfs (op het stervensmoment) spontaan de nembutsu reciteren, op dat moment dat de verwezenlijking van de verlichting aan het naderen is, in groeiend vertrouwen in Amida,

dat is voorzeker ons dankbaar beantwoorden van (Amida’s) weldadigheid.

Pogen karmisch kwaad (in zich) uit te rooien, dat is het gemoed (van vertrouwen) op zelf-kracht

en tevens de grondbedoeling van lieden die hopen hun leven te (kunnen) beëindigen in de juiste gemoedsgesteldheid; aldus wijst dit op een afwezigheid van ‘shinjin’, welke de Ander-Kracht isa.

a – Shinjin is immers de totale overgave aan de Ander-Kracht; de afwezigheid van shinjin wijst op de overheersing van ‘jiriki’ (zelf-kracht) in het gemoed.

Ekō 36

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home