Editoriaal

Geloof

Heel wat Nederlandstaligen hebben er voorzeker problemen mee als ze vernemen dat het Boeddhisme in feite geen godsdienst is, gewoon doordat er geen ‘god’ bij te pas komt en zulke ‘god’ dan ook niet gediend kan worden.

Maar wat is het Boeddhisme dan wel? Een “religie”? Ook van dàt woord kent men een schier eindeloze serie bepalingen en omschrijvingen. Een filosofie? Dat is het Boeddhisme voorzeker, maar het is véél méér dan enkel een filosofie. Een levenshouding? Natuurlijk, maar een levenshouding en wereldbeschouwing die verder gaat dan gewoon “het leven” of “de wereld”. Een heilsleer? Onmiskenbaar, maar dan niet zomaar voor die of die mens, maar voor alle wezens hoe ze ook zijn.

Als men het Boeddhisme een geloof noemt, dan zit men helemaal in de knoei. De dagdagelijkse interpretatie voor ‘geloven’ Is “iets als werkelijk en waar aanvaarden”, gewoonlijk voortgaande op een niet-controleerbare bewering of een goddelijke revelatie - een kwestie van autoriteit dus. Het blinde geloof, in het Frans zo schilderachtig “la foi du charbonnier”, ligt helemaal niet in de optiek van het Boeddhisme.

“Richt u niet naar hetgeen er gezegd wordt niet naar een of andere overlevering, niet naar wat er beweerd wordt, niet naar de mededeling van heilige schrifturen, niet naar verstandelijke gronden of logische afleidingen, niet naar wat uiterlijk blijkbaar is, niet naar overeenstemming met uw eigen inzichten en geprakkezeer, niet naar een schijn van werkelijkheid. Denkt ook niet ‘Deze asceet’ is onze leermeester, daarom moeten wij hem klakkeloos geloven.*”

Dat zei Gautama Shakyamuni, de historische Boeddha, in de Kālāma-sūtra (Angutt. Nik. III, 65).

Het begrip “geloof”, een theologale deugd in het Christendom (zie b.v. Joh. 20, 29) is immers geenszins toepasselijk op de Leer van de Boeddha.

De gehele structuur van de Vier Edele Waarheden sluit het ‘geloven aan’ uit. Ze berust op ervaringsgegevens en een intellectueel-logische gedachtegang. Kennis (= jñāna), hoe gering of primair ook, is het vertrekpunt eigen aan alle stromingen binnen het Boeddhisme. Deze kennis van de Leer (dharma) leidt tot het vertrouwen (sraddhā) in de Boeddha, in de Leer en in de Gemeenschap, de Drie Toevluchten van de boeddhist.

Het vertrouwen neemt in het Boeddhisme de plaats in van het geloof. Men kan de rol noch de aard van dit vertrouwen onderschatten. Een fraaie illustratie ervan vinden we in Asvaghosa’s leerdicht Saundarānanda: “Als een mens water nodig heeft weet hij door ‘sraddhā’ dat het in de grond aanwezig is, daarom graaft hij een waterput. De heer des huizes weet door ‘sraddhā’ dat het graan in de bodem zal kiemen en groeien, anders zou hij noch zaaien noch oogsten.”

Beslist karakteristiek in dit opzicht is de visie van de Reine Land stroming en nog meer in het bijzonder die van Shinran Shōnin. Het volstaat reeds de gangbare titel van zijn hoofdwerk te bekijken: Kyō Gyō Shin Shō betekent immers “Lering, Praktijk, Vertrouwen, Vervulling”. Het opmerkelijke ervan is dat het vertrouwen hier de plaats inneemt die men traditioneel aan “Verlichting” toekende.

We kennen dan ook het belang van “shinjin”, het ‘gemoed van vertrouwen’ dat door de werking van de Gelofte-Kracht in de ‘vertrouwende’ opgewekt wordt en dat de vestiging van de Geboorte in het Reine Land (het nirvāna)is.

Zijn toevlucht nemen tot, vertrouwen hebben in, dankbaar zijn voor, het zijn zovele uitdrukkingen die de emotionele geladenheid van het Shin-Boeddhisme duidelijk maken. De Shin-boeddhist is, evenmin als elke andere aanhanger van de Leer van de Boeddha, iemand die gelooft “aan”. Maar net als elk discipel van de Verhevene is hij iemand die gelooft “in”.

In deze zin zou men het Boeddhisme dan toch een “geloof” kunnen noemen.

Shitoku

Ekō 37

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home