Tannishō (15)

Betreffende de bewering dat men in werkelijkheid de Verlichting reeds met dit lichaama vol blinde driften kan verwezenlijken.

a – Dit is een stelling die gehuldigd wordt o.a. in de esoterische stromingen van het Japanse Boeddhisme, zoals Shingon en Tendai.

 

Zulke bewering is een dwaasheid.

Met dit lichaam het Boeddhaschap verwezenlijkena, dat is de essentie van de esoterische leringb van de Shingon-school; dat is de vrucht van Verlichting dank zij de Drie Mystieke Handelingenc

a – sokushin jōbutsu wa: letterlijk “met dit lichaam boeddha worden”.

b – hi-kyō (ook Mikkyō): geheime leer, aangezien ze, verschillend van de overige (‘exoterische’) leringen van het Boeddhisme (ken-gyō), de uitdrukking zou zijn van de Hoogste Waarheid, te diep om begrepen te worden, zelfs door bodhisattva’s van het hoogste niveau. Gautama Buddha wees erop dat hij geen enkele geheime leer verkondigd heeft. Ook de Jōdo-Shinshū staat afkerig tegen de idee van een ‘esoterische lering’.

c – san-mitsu gyōgō: volgens Shingon, de 3 mystieke handelingen, nl. met lichaam, mond en geest, van de Boeddha en de 3 praktijken van de aspirant die één worden door middel van lichamelijke (mūdra’s, handgebaren, Jap. gei-in), orale (mantra’s, mystieke woorden, Jap. shingon) en mentale (meditatie) handelingen.

 

Het Reinigen van de Zes Zintuig-organena, dat is de Lering van het Ene voertuigb van de Lotus-sūtrac; dat is de vrucht van Verlichting dank zij de Vier Vredevolle Praktijkend.

a – rokkon-shōjō, zijnde de reiniging van oog, oor, neus, tong, lichaam, geest, met daarbij de functies van zien, horen, ruiken, smaken, voelen en denken. Het is immers via de zintuig-organen dat waarneming, discriminatie, karmische vormingen en bewustzijn gedetermineerd worden. Het rein maken van de zes zintuigen via disciplines (moraliteit, ritueel en meditatie) wordt benadrukt o.a. in de Lotus-sūtra, basistekst van de Tendai-school.

b – ichi-jō (Sanskr. eka-yāna): een ander hoofdthema uit de Lotus-sūtra; de diverse leringen van het Boeddhisme (de “Voertuigen”) zijn alle slechts voorlopige en onvolledige verschijningsvormen van de éne, absoluut geldende lering.

c – hoke-kyō (Sanskr. Saddharma-pundarīka-sūtra): de Lotus-sūtra is een van de belangrijkste leerteksten van het Mahāyāna-Boeddhisme; hij staat centraal in de T’ien-t’ai stroming (Jap. Tendai); nadien ook bij Nichiren en de latere vertakkingen ervan.

d – shi-anraku no gyō: de vier praktijken om een vredevol gemoed te verkrijgen: zich afzijdig houden van al wat storend werkt op de meditatie, zich onthouden van kwaadsprekerij, zich onthouden van vleierij en minachting, de gelofte afleggen alle onwetende wezens tot de Lotus-sūtra te leiden. Volgens de Chih kuan fu shing (Jap. Makashikan-bu-gyō, T. 46), ‘Verhandeling over Mahāyāna-meditatie en contemplatie’, een werk van Chih-I (594), wordt de Reiniging van de Zes Zintuigorganen in dit leven verkregen door wie deze Vier Vredevolle Praktijken volbrengt.

 

Dit zijn echter allemaal moeilijke praktijkena. een taak weggelegd voor de personen van hoger vermogenb, welke de Verlichting kunnen verwerven door meditatie.

a – nan-gyō: in Dasabhūmi-vibhāsā-sāstra (Jap. Jūjābibasha-ron), toegeschreven aan Nāgārjuna, wordt in het 9de hoofdstuk het onderscheid gemaakt tussen de moeilijke praktijken, welke vergeleken worden bij een pijnlijke voettocht over land, en de gemakkelijke praktijk (i-gyō) welke is als een ontspannende bootreis. De Reine-Landpraktijken worden tot de i-gyō gerekend.

b – In de Meditatie-sūtra (Kan-gyō) worden de wezens volgens hun bekwaamheid tot spirituele praktijken in drie categorieën ingedeeld: die met hoger, middelmatig of lager vermogen.

 

De verwezenlijking van de Verlichting in het komende levena, dat is de essentie van de Ander-Krachtlering van de Reine-Land-school; dit geschiedt viab de vestiging van shinjin.

a – nl. op het ogenblik van de fysieke dood, welke meteen dan ook het moment van de Geboorte in het Reine Land is. Deze opvatting van “automatisch” nirvāna is eigen aan de Jōdo-Shinshū, ook al komt ze voor in andere boeddhistische stromingen en wordt ze zelfs in de Pāli-Kanon vermeld.

b – letterlijk “de doorgang van de vestiging van shinjin”.

 

Dit Is de gemakkelijke praktijka, de taak weggelegd voor de personen van lager vermogen; dit is de leer van niet-onderscheid tussen goed en kwaadb.

a – ‘gemakkelijk’ is een uiterst relatief begrip. Shinran beklemtoont immers voortdurend “dat de praktijk (van de nembutsu) gemakkelijk is, maar shinjin is moeilijk.”

b – fuken zen-aku no hō: Amida’s Gelofte discrimineert immers niet tussen goed en kwaad.

 

Over het algemeen is het uiterst moeilijk in dit bestaan te breken met zijn blinde passies en het boze te verhinderen; daarom streven reine monniken die de Shingon- en Lotus-sūtra leringen in praktijk brengen, daarenboven ook naar Verlichting in het komende levena.

a – In de Shingon- en Tendai-kloosters werden (en worden) immers ook de “gemakkelijke” Reine-Land praktijken, o.a. de nembutsu, beoefend. Dit was (en is) trouwens eveneens het geval in de meeste Ch’an-kloosters in China, evenals in de Koreaanse en Vietnamese vormen van Boeddhisme.

 

Wat kan men daar dan bovenop zeggen?

Ofschoon wij de praktijk van moraliteit en de wijsheid missen, varend op het schip van Amida’s Gelofte en zo deze smartelijke oceaan van geboorte-en-dood overstekend, eens dat wij de oevers van het Vervullingslanda bereiken, zullen de donkere wolken van de blinde driften onmiddellijk verdwijnen en zal de maan van het ontwaken tot de dIngen-zoals-ze-zijnb dra verschijnen, en met het hinderloze licht dat de tien richtingen vervult, één in smaak geworden zijnde, zullen wij weldadigheid brengen aan alle levende wezens; op datzelfde moment is er voor ons Verlichting.

a – hōdo: het Reine Land als vervulling van Amida’s Gelofte.

b – hosshō (Sanskr. dharmātā); de dharma-natuur, de ware natuur der dingen, de dingen zoals ze in hun waarheid zijn; leegheid, Hosshō is synoniem voor shinnyo, Sanskr. tathatā, zo-heid.

 

Zij die spreken over het verwezenlijken van de Verlichting nog met dit wereldse lichaam, manifesteren zij verschillende verschijningslichamena, bezitten zij de 32 merktekens van de Boeddha en prediken zij de Leer ter weldadigheid voor de levende wezens, zoals de eerwaarde Shakyamuni het deed?

aōge no shin (Sanskr. nirmāna-kāya); de vormen waarin het Boeddhaschap zich in deze wereld manifesteert.

 

Dat is het wat de criteria van Verlichting verwezenlijken in dit leven kunnen genoemd worden.

In een wasana zegt Shinran:

“Op het ogenblik dat shinjin “diamanthard en vast gevestigd wordt
omvat en beschermt ons Amida ’s Licht
en breken we voor immer met “geboorte-en-dood.”

Dat betekent: zodra Amida iemand omvat, op dat ogenblik wordt shinjin gevestigd; de Boeddha laat die persoon nooit meer los en daarom zal die persoon niet meer rondzwerven over de zes smartelijke padenb.

a – Een wasan is een leergedicht in het Japans. Shinran schreef drie bundels wasans. Deze wasan komt uit Kōsō-wasan (77).

b – rokudō: de zes bestaansvormen in geboorte-en-dood (hellewezens, honger-geesten, dieren, demonen, mensen en goden).

 

Daarom staat er geschreven: “Men verlaat voor altijd geboorte-en-dood”.

Hoe kan zulk weten verward en vervormd worden met “Verlichting verwezenlijken”? a

a – Men dient immers een onderscheid te maken tussen enerzijds shinjin en Verlichting. Het ene kan tijdens dit leven geschieden, het andere is slechts verwezenlijkbaar bij de dood.

 

Wat een erbarmelijke opvatting!

De wijlen Shōnin zei: “Volgens de Ware Leer van het Reine Landa, schenkt men hier in dit bestaan zijn vertrouwen aan de Voortijdelijke Gelofte en verwezenlijkt men de Verlichting in ginds Reine Land. Dat werd mij geleerd.”

a – Jodo-Shinshū: Shinran gebruikte deze term nooit voor de Reine-Landstroming die zich op hem beroept. Hij gebruikte hem uitsluitend en in navolging van Hōnen Shōnin als aanduiding voor de interpretatie van de Ander-Kracht lering. Als benaming voor de ‘sekte’, werd Jōdo-Shinshū slechts in de 19de eeuw officieel ingevoerd.

Ekō 37

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home