Nembutsu En Wereldvrede

Shitoku A. Peel

Hier volgt de tekst van een lezing op 26 juli 1987 gehouden te Hiroshima, tijdens het ‘Symposium on Peace”.

Ik ben een kind van de oorlog. Of juister gezegd: geestelijk ben ik een oorlogskind. Het was tijdens de bombardementen die tijdens de Duitse bezetting op België neerkwamen dat ik tot de bevinding kwam dat onze conventionele Westerse cultuur gefaald heeft, ondanks de liefdesboodschappen die eeuwen Christendom zo uitdrukkelijk hadden gepreekt maar die, telkens puntje bij paaltje kwam, slechts uitliepen op voortdurende haat en wrede oorlogen.

Het was ook in die tijd dat mijn gemoed zich meer en meer tot de Boeddha ging keren. In de Leer ontdekte ik de perspectieven voor een nieuwe hoop voor het mensdom.

Nu dat ik zovele jaren ouder ben geworden en dat mijn persoonlijke ervaring met het Boeddhisme zich zoveel verbreed en verdiept heeft, ben ik meer dan ooit ervan overtuigd dat de boeddhistische weg naar vrede en wereldvrede de meest efficiënte is en daarbij ook de rijkste in menselijkheid voor geheel het mensdom.

Wij, die het geluk hebben samen ons vertrouwen in de Nembutsu van de Ander-Kracht te belijden, wij kunnen in onze dagelijksheid immers het Mededogende Licht van het Oneindige Boeddhaschap beleven. Daarbij ervaren en realiseren wij hoe stevig wij ingebed zijn in de Kracht van Amida’s Gelofte. Wij voelen er de werkzaamheid van tot in de afgrondelijke diepte van ons gemoed.

Samen met de Nembutsu ontvangen wij Amida’s Mededogen en meteen ook de geruststellende verzekering van de vestiging van Geboorte in het Reine Land.

Daarmee ontvangen wij een wonderlijke, onschatbare gave. Maar zijn we echt gemachtigd dergelijke gave uitsluitend voor ons persoonlijk gebruik te houden? Indien deze werkzaamheid van de Gelofte-Kracht in ons waar en werkelijk is zal ze dat ellendige ik-zelf van ons bestaan transcenderen en overvloeien tot ver buiten onze begrensde, illusoire persoon. Dergelijke gave is te ontzaglijk voor ons; ze is te schitterend en dreigt ons te verblinden wanneer we verlangen ze enkel voor ons-zelf te houden.

De werking van Amida’s Mededogen-en-Wijsheid krijgt in ons bestaan enkel werkelijke betekenis wanneer wij ertoe gebracht worden ze met andere mensen, nee met andere wezens te delen, hoe of wat die wezens ook mogen zijn.

Het is vanzelfsprekend onmogelijk en uitgesloten Amida’s Mededogende Werkzaamheid te vergelijken met de beperkte en betrekkelijke handelingen in woorden, daden en gedachten die wij kunnen verrichten. Er is in ons, bombu, niets dat ook maar vergelijkbaar is met de werking van de Boeddha-Kracht; hierover moeten we ons geen enkele illusie maken. Van die fantastische rijkdom die ons gegeven wordt, kunnen wij slechts minieme brokken verder-uitdelen, gevangen als we zijn in onze denkwereld van begeerte, haat en dwaasheid.

Dat belet evenwel niet dat we in een bevoorrechte situatie zijn. Ontvingen we in de Naam myōgō immers niet Amida’s Gelofte-Kracht? En kunnen wij die Naam niet delen met de andere wezens, zodat de Nembutsu de binding wordt tussen elk van ons en alle anderen?

Zoals wij Amida’s ongehinderde licht delen, evenzo delen wij de Nembutsu. De Nembutsu brengt in ons gemoed het rijk van de grote vrede. Dit is het Gemoed van Vrede: Amida’s Gemoed van Vrede en Geluk.

In de Jōdo-Shinshū moeten wij dat punt zeer ernstig overwegen. Welke bepaling wij ook mogen geven aan het begrip ‘vrede’, wij kunnen onmogelijk die vrede beschouwen als iets individueels, als iets dat ingesloten ligt binnen de perken van onze eigen geest. Er bestaat geen vrede wanneer wij die niet kunnen reflecteren in andere wezens. Vrede is waarlijk en noodzakelijkerwijs een collectief, solidair bereik.

Daardoor dienen wij een markant onderscheid te maken tussen “vrede van het gemoed”, wat een interne, psycho-comfortabele maar ik-gerichte instelling is, en het “gemoed van vrede”, dat naar buiten georiënteerd is op alle wezens.

De diepere verwerkelijking van de Nembutsu is eveneens de verwerkelijking van dit ‘gemoed van vrede’.

Laten we nu proberen het probleem vanuit een andere kant te bekijken: vanuit de kant van haat en geweld. Haat is immers het tegendeel van vrede.

Het bestaan, zoals wij dat rondom ons zien en bewust worden, wordt door haat overspoeld. Shakyamuni Tathagata, de historische Boeddha, stelde reeds vast dat onze existentiële situatie (samsāra) getekend is door drie factoren: haat, begeerte en onwetendheid.

Een oud boeddhistisch vers (Dhammapada, 5) zegt dat haat nooit door haat ten einde komt, maar enkel door niet-haat.

Zolang wij haat en oorlog opstellen tegen liefde en vrede, zullen wij noch de wereld ooit een staat van werkelijke vrede bereiken.

Deze stad Hiroshima is het merkteken van zulk een dramatische confrontatie van vrede en oorlog, van liefde en haat.

Hier in Hiroshima heeft de menselijke haat een hoogtepunt bereikt. Het gaat hem niet zozeer om de kernenergie die honderdduizenden levens met één klap vernietigde; het was veeleer een historische concentratie van haat en onwetendheid die hier als bom ontplofte.

Maar Hiroshima heeft op die catastrofe gereageerd zoals een boeddhistisch gemoed dat doet. Daardoor is Hiroshima voor de gehele wereld als een teken van vrede geworden.

Vrede is immers geen politiek of historisch evenement. Noch verdragen noch handtekeningen zullen er ooit in slagen een vredeswerkelijkheid te scheppen, want werkelijke vrede is iets dat uit het gemoed van elkeen en van allen oprijst, iets dat uit het gemoed uitstraalt en andere wezens brengt tot een leven van mede-vrede. Ware vrede is het Gemoed van Vrede. Er kan noch in de wereld noch in uw gezin noch in uzelf vrede bestaan zolang er geen gemoed is dat op vrede gericht is.

De Nembutsu, ons geschonken door de werking van de Ander-Kracht, is de diepe bron van dit Gemoed van Vrede. Om die reden moeten wij, mensen van vandaag, onszelf meer en meer instellen op de Nembutsu als inspiratie voor ons leven en voor het leven van alle andere wezens.

Ik kan ook niet geloven dat politieke betogingen - en zeker geen gewelddadige demonstraties - in staat zijn een wereld te vormen waarin de vrede een natuurlijk feit is.

Ik meen dat juist in de Nembutsu de sterkste bron en drijfveer voor vrede te vinden is.

Maar deze Ander-Kracht Nembutsu is niet zomaar een beweging van onze lippen; hij is evenmin het reciteren van een of andere religieuze formule. De ware Nembutsu is het horen van Boeddha’s stem; het is het ontvangen van de boodschap van vreugde, vertrouwen en vrede. Het is Amida’s roep die de ware oorzaak is van het gemoed waarin u en ik en alle wezens de betekenis van vrede kunnen ontdekken.

Deze betekenis, deze zin, deze gerichtheid, die kunnen we uitdrukken in de Nembutsu van dankbaarheid. De Nembutsu uitdragen, de boodschap van de Nembutsu brengen tot de wereld.

Ook voor ons, Shin-boeddhisten, is en blijft het waar dat haat nooit door haat ten einde komt of zal komen, maar het is even nodig te beseffen dat wij kunnen en ook moeten bijdragen tot wereldvrede, dit is vrede in de wereld voor alle wezens, door ons in diep vertrouwen en vreugdige overtuiging te wenden tot de Nembutsu.

Moge aldus de Nembutsu vrede brengen tot de hele wereld en mogen doorheen de Nembutsu alle wezens gelukkig zijn!

Ekō 37

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home