Editoriaal

Misverstanden

Wat jammer toch dat er nog al te vaak foutieve opvattingen heersen over het Reine-Land Boeddhisme en zeker over de leerinhoud van de Jōdo-Shinshū. Heel wat theologen van diversen huize, heel wat godsdienstvergelijkende academici, heel wat intellectuelen van uiteenlopend pluimage, ja zelfs heel wat boeddhisten van andere stromingen, zien (willen zien?) in de Jōdo-Shinshū leer iets volkomen verschillend van de feitelijke leer overgebracht door de zeven patriarchen en gebundeld door Shinran Shōnin.

Meestal maakt men zich ervan af door te denken, zeggen of schrijven dat de Jōdo-Shinshū slechts een late naloper is binnen de boeddhistische sfeer, een verholen hang naar het geloof in één god, en op zijn best een addendum waarin geleerd wordt dat het veelvuldig en luidop herhalen van Boeddha’s Naam volstaat om in een soort Westelijk Paradijs herboren te worden, zonder dat men zich daarbij kopzorgen hoeft te maken over moraliteit, discipline, meditatie e.d.m. Op z’n ergst is het Shin-Boeddhisme een corrupt want theďstisch afkooksel van Gautama’s originele Dharma, een afkooksel “that allows for meat eating, beer and whisky drinking, cigarette smoking behavior, even the presence of married “priests” posing as Buddhists.” (John R. Carter, Colgate University, USA, in “The Arising of Magga and Shinjin”, Berkeley 1987).

Kijkt men echter naar historische gegevens en doctrinale interpreteringen, dan weerspreekt elke feitelijkheid dergelijke ‘vlotte’ maar al te oppervlakkige beweringen. Het is dan ook een gelukkig verschijnsel dat langzaam maar zeker de objectieve belangstelling voor het Shin Boeddhisme toeneemt op diverse niveaus.

Het Reine-Land Boeddhisme is beslist geen randverschijnsel zoals men dikwijls wil laten voorkomen. Daadwerkelijk omvat het op zijn minst de helft van alle Mahayana-boeddhisten. De Chinese Ch’an (Zen) heeft sedert altijd heel wat Reine-Land praktijken geďncorporeerd, net als de boeddhistische stromingen in Korea en Vietnam. Ook in het Tibetaanse Boeddhisme treft men talrijke Reine-Land-praktijken en -leringen aan, zonder dat er evenwel een “aparte” school voor gevormd werd.

In Japan werd de uit India en China overgeleverde Reine-Land gedachte o.a. door Hōnen en Shinran tot haar extreme consequenties doorgetrokken. Maar dit geschiedde niet in tegenstelling tot, maar in overeenstemring met de hoofdlijnen eigen aan de schrifturen en commentaren van het Kleine en van het Grote Voertuig.

En de “priesters” dan? Ze zijn helemaal geen monniken en bijgevolg zijn ze niet onderworpen aan de kloosterdiscipline uitgedrukt in de Vinaya’s. Medereizigers op het pad, zijn ze gidsen, helpers, wegwijzers in de leer; eventueel “primi inter pares” zoals de protestantse dominees of de joodse rabbijnen, aanwezig in deze wereld en in de troebelen van het bestaan.

Vaak ook (en dat sedert de vroegste tijden) verwijt men aan de Jōdo-Shinshū een gebrek aan morele regels en/of sociale begaanheid. Dit doet men des te gemakkelijker doordat inderdaad dergelijke geboden en verboden niet in de religieuze code opgenomen zijn.

Op die wijze miskent men evenwel de ware aard van het Shin-Boeddhisme, dat steunt op de onophoudelijke werkzaamheid van het Oneindige Mededogen. Niet enkel in de fundamentele schrifturen, maar ook in hedendaagse uitspraken wordt een sterke nadruk gelegd op het ethisch-sociale element. Zo leest men in de Shūsei (‘Regels van Honganji’, 1946): “Op het eerste moment van shinjin, wordt men in de Naam opgenomen en door het Licht omvat; in dit bestaan verblijft men dan in de groep van de waarlijk gevestigden: achtzaam in woorden en in daden houdt men zich aan het juiste gedrag; in het volgende bestaan vervult men de vrucht van het Boeddhaschap.”

In de Oorkonde ter gelegenheid van zijn ambtsaanvaarding als 24ste Monshu van de Jōdo-Shinshū Hongwanji-ha, schrijft Koshin Ohtani: “… juist doordat (de Shin-boeddhist) tot het besef gekomen is dat het Grote Mededogen van de Tathagata alle mensen gelijkelijk en onophoudelijk omvat, is zijn leven een leven van broederlijkheid en wederzijds vertrouwen in alle mensen. Daardoor is het hem dan ook mogelijk uit de schelp van afzondering, egocentrisme en zelfzucht uit te breken en actief betrokken te worden in de maatschappij en haar ontwikkeling.”

Men kan gerust stellen dat de leer van de Jōdo-Shinshū samengesteld is uit twee krachtlijnen:

1. een “verticale”, nl, de spirituele, de religieuze: de Ander-Kracht, de Naam, Shinjin, de Geboorte in het Reine Land dat nirvāna, de verlichting is. In deze krachtlijn, die de eigenlijke heilsleer en haar vervulling is, staat het religieuze element volkomen los van het ethische. Het Oneindige Mededogen van het Boeddhaschap is een “natuurlijke” kracht die alle wezens zonder onderscheid van moreel goed of moreel kwaad uit hun lijdensbestaan bevrijdt. Lees hierover nogmaals Tannishō. Maar het is zo dat bij de ‘omkering des gemoeds’ (e-shin) de eigen berekeningen (hakarai) omgezet worden in Boeddha-berekeningen, nl. het heil van alle wezens; zo wordt dan de mens natuurlijkerwijze gebracht tot “zedelijk handelen” als acte gratuit. Voor de Shin-boeddhist is moraliteit dus een gevolg (en geen oorzaak of voorwaarde) van Amida’s heilswerkzaamheid.

2. een “horizontale”, sociaal-ethische krachtlijn die de weerkaatsing in de lijdenswereld is van Amida’s mededogen. Deze krachtlijn beheerst voor de Shin-boeddhist zijn mede-aansprakelijkheid voor alle wezens. Deze socio-moraliteit, die weliswaar haar bron heeft in het religieuze, staat evenwel los van elke heilscode; ze heeft dan ook noch religieuze verdienste noch religieuze veroordeling.

Deze dualiteit vindt, volgens Shinran, haar oplossing na de Geboorte in het Reine Land. In gensō-ekō, de ‘terugkeerfase van de verdienste-overdracht’, convergeren beide krachtlijnen tot Boeddha-kracht.

Maar zolang men geen inzicht heeft in het verloop van die twee krachtlijnen, de verticale en de horizontale, blijft het moeilijk begrip te tonen voor de ware aard van de Jōdo-Shinshū. Men blijft dan allicht de Gelofte-Kracht (hongan-riki) verwarren met een goddelijke genade, shinjin met paulijns of luthers ‘geloof’ en gensō-ekō met een of andere “rosa beatorum”.

En de hele Jōdo-Shinshū met een of andere pseudo-boeddhistische melancholie naar Vedanta of Christendom…

Wat jammer dat zoveel mensen aan zoveel misverstanden houden!

Shitoku.

Ekō 38

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home