Zen En Shin-Boeddhisme – Fundamentele Leringen

Taitetsu Unno

De fundamentele leerinhoud van het Zen-Boeddhisme als van het Shin-Boeddhisme is niets anders dan de manifestering van niet-zelf (anātman) en leegheid (sūnyatā). Wij kunnen deze vaststelling benaderen vanuit diverse kanten, maar laten we ons hier beperken tot de blijkbaar tegenstrijdige standpunten over de verwezenlijking van het absolute ‘zelf’ in Zen en het onvoorwaardelijke vertrouwen in de Voortijdelijke Gelofte van Amida Buddha. In dit verband, gaat het om een vergelijking tussen het pad van zelf-kracht en dat van de Ander-Kracht.

De begrippen ‘zelf-kracht’ en ‘Ander-Kracht’ werden, in hun technische context, uitsluitend gebruikt door de Reine-Land boeddhisten; tegenwoordig worden ze evenwel algemeen gebruikt om het contrast aan te duiden dat er bestaat tussen de traditionele Mahāyāna-scholen, Zen inbegrepen, en de Reine-Land stroming. Men neemt alleszins aan dat ze dienen ter beschrijving van enerzijds het ‘pad der discipline’ gebaseerd op eigen inspanning van de mens, en het ‘pad van het Reine Land’ dat gebaseerd is op de heilsgeloften van Amida Buddha.

Vermits de hedendaagse mens erop afgestemd is te denken in functie van de subject/onderwerp-dichotomie, veronderstellen de meeste mensen, zonder er verder over na te denken, dat het zelf-kracht contrast moet begrepen worden binnen de structuur van deze dichotomie. Niets is echter verder verwijderd van de waarheid, want dergelijke dichotomische zienswijze is uiteraard volkomen in strijd met het fundamentele Mahāyāna standpunt van sūnyatā of leegheid.

Om dit standpunt van leegheid, een niet-dichotomische wijze van denken en voelen, uit te drukken, ontwikkelde Lin-chi de Viervoudige Aspecten van de Bevrijding uit Subjectiviteit en Objectiviteit (zie “Original Teachings of Ch’an Buddhism”, Chang Chung-yuan, Random House, 1969, pp.97-101).

De Viervoudige Aspecten, die de dichotomische denkwijze oplossen en de dynamische staat van de verlichting uitdrukken, kunnen als volgt weergegeven worden:

1. Verwijder het subject en bemachtig het object
2. Verwijder het object en bemachtig het subject
3. Verwijder zowel het subject als het object
4. Bemachtig zowel het subject als het object.

Punt 1 dient om het subject van het dichotomische denken te verwijderen, zodat elk object in staat is zichzelf in leegheid te manifesteren; dat betekent dat alle dingen, het zelf inbegrepen, bestaan zoals ze zijn, hun natuurlijk licht uitstralend zonder verduisterd te worden door ‘s mensen egocentrisch bewustzijn. In Zen wordt dit meestal aangeduid als “niet-geest” (mu-shin), het niet-tussenbeide komen van het fictieve zelf in de verwerkelijking van de wereld.

Punt 2 verwijdert het object uit de subject/object-modus, waardoor alle dingen, het zelf inbegrepen, bestaan zoals ze in werkelijkheid zijn. In het traditionele Mahāyāna Boeddhisme wordt dit standpunt vertegenwoordigd door de School van Enkel-Geest (of Enkel-Bewustzijn: Vijñāna-vada, Yui-Shin). Dit mag evenwel niet worden opgevat als een soort filosofisch idealisme, zoals vaak gedaan wordt, want dat idealisme blijft immers nog binnen de begrenzingen van de subject/object-dichotomie.

Punten 3 en 4 dienen samen begrepen te worden. Dat is: de negatie van zowel object als subject is de negatie van het abstracte, geconceptualiseerde subjet/object-paar zoals dat waargenomen wordt vanuit een standpunt waarin de mens zichzelf centraal opstelt; dit is meteen ook de bevestiging van de dingen zoals ze in werkelijkheid zijn, met inbegrip van het werkelijke subject en het werkelijke object. In het Tendai Boeddhisme wordt de negatie van subject en object uitgedrukt als leegheid, de bevestiging van subject en object wordt uitgedrukt door het voorlopige bestaan, en de simultane realisering van negatie en bevestiging wordt uitgedrukt door het “midden”. In het Boeddhisme bestaat de realiteit in de dubbele belichting van zijn en niet-zijn, negatie en bevestiging, leegheid en ontstaan in afhankelijkheid.

Wat van hoofdbelang is voor onze uiteenzetting, is in te zien dat de toestand van verlichting niet kan gelijkgesteld worden noch uitsluitend met het subject noch uitsluitend met het object. Gelijk welke poging tot zulke gelijkstelling leidt onvermijdelijk naar de valkuil van het dichotomisch denken, dat aan de basis van elke illusie ligt. Maar zodra men bevrijd is uit de begrenzingen van het dichotomisch denken, kan men naar believen overgaan tot identificeren. Doordat de werkelijkheid, als ze op die manier begrepen wordt, geenzijds ligt van het conventionele denken, wordt ze vaak omschreven als onvoorstelbaar, ondenkbaar, onvatbaar en onuitdrukbaar.

Deze wijze van begrijpen, impliceert doorslaande gevolgen op onze opvatting over het contrast tussen enerzijds de nadruk op ‘zelf’ in Zen en anderzijds op het ‘andere’ in Shin; de ware draagwijdte ervan kan niet juist geapprecieerd worden zolang men binnen het dichotomische denken blijft. Ofschoon de beginneling op het Pad zowel ‘zelf’ als ‘ander’ aanvoelt vanuit zijn conventionele, dichotomische standpunt, toch is het zo dat beide manifesteringen zijn van de ware verlichting welke verwezenlijkt wordt geenzijds van de structuur van de subject/object dichotomie.

Wanneer b.v. Dogen spreekt van “Dank geest en lichaam af” en over “afgedankte geest en lichaam”, dan drukt hij niet-zelf en leegheid, de bevrijding uit de subject/object-dichotomie die in diep egocentrisme geworteld is, uit. Het is duidelijk, dat in de gewone betekenis het zelf afgeworpen is en er dus geen werkzaamheid van zelf-kracht meer is. Op een dergelijke manier, wanneer Shinran de Ander-Kracht bepaalt als dat wat “vrij is van elke vorm van berekening”. Brieven van Shinran, Mattoshō, nr 10), dan is die ‘Ander’ niet ‘het andere’ binnen de subject/object-structuur. Het verwijst veeleer naar iets dat geenzijds elke dichotomie is, zoals duidelijk aangevoeld werd door Saiichi in een van zijn gedichten:

Er is geen zelf-kracht
Er is geen ander-kracht
Alles is de Ander-Kracht.

Wanneer Ander-Kracht in deze zin begrepen wordt, dan kunnen we gemakkelijker verstaan waarom het centrale object van het religieuze leven in het Shin-Boeddhisme niet Amida Buddha wordt genoemd, maar wèl de zes ideogrammen Namu-Amida-Butsu, een werkelijkheid op zichzelf zonder enige objectieve referentie. Namu-Amida-Butsu kan dus op geen enkele wijze worden geobjectiveerd noch geconcretiseerd; anders zou zijn verlossend vermogen verloren gaan en wordt de nembutsu gewoon een of andere vorm van gehechtheid.

Wanneer de conventionele begrippen van ‘zelf’ en ‘ander’ op deze wijze vergruisd zijn geworden, dan worden we bewust van hetgeen normaal niet benadrukt wordt in de betrokken tradities. Dit is: in Zen, de cruciale rol van een kracht buiten het zelf in het verlichtingsproces en in Shin, de uiteindelijke bevestiging van het zelf als de conclusie van de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte. Dit wordt duidelijk wanneer we beide tradities bekijken vanuit een standpunt dat ligt geenzijds van de dichotomische subject/object-structuur.

Volgens Dogen wordt de verlichting niet verwezenlijkt doordat men het zelf naar een of ander doel duwt, maar door de affirmering van de wereld zoals hij is. Met zijn woorden:

“Alle dingen beoefenen en bevestigen door zijn eigen zelf erin te prenten, dat is illusie; als alle dingen naar voren komen, en het zelf beoefenen en bevestigen, dat is dan verlichting. Zij die de illusie weids verlichten, dat zijn boeddha’s.” (Genjo-koan, EB V:2, p.133)

Een zelfs nog sterker beklemtoond appel op een kracht buiten het zelf, d.i. de werkzaamheid van de Boeddha, vinden we in volgende passage, eveneens van Dogen:

“Wanneer gij gewoonweg zowel uw lichaam als uw geest loslaat en vergeet en gij uzelf helemaal werpt in het Boeddha-huis, en wanneer er werkzaamheid komt vanuit de richting van de Boeddha en gij laat u erdoor leiden, dan, zonder dat er kracht nodig is en geen gedachte verbruikt wordt, bevrijd van geboorte en dood wordt gij boeddha.” (Shoji, EB V:1, p. 79)

In het geval van het Shin-Boeddhisme bevestigt de werkzaamheid van de Voortijdelijke Gelofte als enige oorzaak van verlichting de diepere betekenis van het conventionele zelf. Dit is Shinrans diepe realisering die verkondigd wordt in volgend citaat:

“Wanneer ik denk over de mededogende gelofte van Amida, gevestigd door vijf kalpa’s intense meditatie, dan stel ik vast dat dit voor mij, Shinran, alleen was.”(Tannishō, PS)

Deze bevestiging kan niet naar juiste waarde geschat worden zonder een scherp bewustzijn van eigen karmisch kwaad.

Om te besluiten, kunnen we zeggen dat Zen streeft naar de verwerkelijking van het absolute subject geenzijds van alle dichotomieën, wat inhoudt dat niets als tegenstelling ervaren wordt. Alle objecten zijn immers vervat in dit absolute subject. Dat is de betekenis van “verwijder het object en bevestig het subject”. Daartegenover streeft Shin naar de verwerkelijking van het absoluut Andere, Amida’s Voortijdelijke Gelofte, wat inhoudt dat geen subject als tegenstelling voorkomt. Dat is: alle wezens zijn vervat binnen de werkzaamheid van het absoluut andere dat zich manifesteert als de Voortijdelijke Gelofte die onophoudelijk in samsara ingrijpt om alle wezen te bevrijden. Dat is de betekenis van “verwijder het subject en bevestig het object”.

Ekō 38

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home