Devotie

Onlangs uitte een vriend van me, Anglicaans geestelijke, zijn verbazing en bedenkingen over het feit dat boeddhisten devotionele erediensten en rituelen zouden hebben. Een uitzending op de BBC was hiervan het vertrekpunt. Het probleem was in hem gerezen doordat hij wist dat de boeddhisten niet zoiets als een “God” hebben: en hoe kan je dan devotie hebben als er geen “God” is tot wie die devotie gericht is?

Deze vraag sloot (toevallig?) juist aan bij een opmerking van iemand uit Jikoji, die zich er blijkbaar over verbaasd had dat in Ekō 38 een “bijzondere devotieperiode” (Higan-E) vermeld stond. Hoe komt het Boeddhisme toch aan die “devotie”?

Eerst nakijken wat ‘devotie’ betekent. Bij Van Dale wordt devotie in de eerste plaats bepaald als ‘vroomheid, vrome toewijding, godsvrucht’, daarbij, in 0.2, wordt bijgevoegd ‘bijzondere godsdienstige verering van een bepaald object, religieuze praktijk of oefening’. Daarmee zijn we niet veel verder gekomen, want bij het lemma ‘vroomheid’ wordt de bal teruggekaatst naar ‘godsvruchtig’…

Uiteindelijk moeten we dan toch maar besluiten dat er geen boeddhistische ‘devotie’ mogelijk is.

Misschien proberen sommigen wel te verwijzen naar het hindoeïstische begrip ‘bhakti’, alom uit de Bhagavad-Gita en de diverse Vaisnava en Saiva-tradities. Maar in de boeddhistische literatuur heeft dit begrip beslist geen carrière gemaakt. En terecht: ‘bhakti’ slaat immers op een persoonlijke relatie van overgave aan een godheid (b.v. Krsna of Siva). De boeddhistische leerstellingen van zelfloosheid (anattā, anātmya, “egolessness”, “niet-ik-heid”) en leegheid (sūnyatā) maken de uiteindelijke persoonsidee en dus ‘bhakti’ onmogelijk.

Er is dan ook, in de algemene betekenis van het woord, geen eigenlijke boeddhistische ‘devotie’.

De boeddhist huldigt de Boeddha maar vraagt hem niets. In de Dharma [vindt men] niets zoals “Geef ons… Vergeef ons… Bidt voor ons…” Trouwens, Amida ‘geeft’ zonder ‘gebeden’ te worden. De boeddhist bidt dus niet: hij reciteert teksten van huldiging, lering en voornemen.

De boeddhistische devotie komt in feite neer op een soort zelf-reflectie, een vorm van meditatie en concentratie, van stilling en inkeer.

Dat die ‘devotie’ ook (soms zelfs vooral) in tempelverband plaats heeft, heeft niet enkel een psychologische grond (men voelt zich sterker en beter wanneer men niet alleen is), maar beantwoordt tevens aan een van de basisgedachten van het Boeddhisme, nl. de “Drie Juwelen” (triratna): de essentiële eenheid van Boeddha, Dharma (Leer) én Gemeenschap (Samgha), die de door de Boeddha verkondigde Leer ontvangt, beleeft en waar-maakt in deze wereld, in dit door zijn betrekkelijkheid getekende tijdruimtelijke systeem. Devotie, boeddhistisch bekeken, onderlijnt dit weten te behoren tot de Gemeenschap.

Zoals er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen Boeddha en Dharma (“Wie de Boeddha ziet, ziet de Leer; wie de Leer ziet, ziet de Boeddha”), zo is er evenmin tweeheid tussen de Boeddha en de Gemeenschap.

De nembutsu, Namu Amida Butsu, is immers de belichaming (D. T. Suzuki zegt “objectification”) in verbale vorm van de nirvanische niet-tweeheid van de onverlichte wezens (namu) zoals u en ik, en de Oneindige Verlichting (amida-butsu = Amitābha  [Oneindig Licht, d.i. Wijsheid] + Amitāyus [Oneindig Leven, d.i. Mededogen]).

In de Shin-boeddhist welt deze nembutsu op vanuit de diepte van zijn bestaan. In de nembutsu ervaart hij overduidelijk zijn eigen onvermogen, zijn zwakheden en feilen, zijn onwetendheid. Daaruit wordt de “gehoorde” nembutsu dan ook de stem van zijn dankbaarheid voor Boeddha’s Wijsheid-en-Mededogen.

Een verdere conclusie zou dan zijn dat voor de Shinboeddhist de ‘devoties’ en de ‘devotieperiodes’ een gelegenheid zijn om samen met “mede-gangers-op-de-weg” op intense wijze, uitdrukking te geven aan zijn dankbaarheid voor Amida’s Hinderloze Licht.

Namu Amida Butsu.

Shitoku.

Ekō 39

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home