De Naam Is Namu Amida Butsu (1)

Shitoku A. Peel

Er was en er is nog steeds heel wat misverstand aangaande de universaliteit en de ware kern van Jodo-Shinshu, het zg. Shin-Boeddhisme. Dat misverstand heerst niet enkel onder diegenen die het Boeddhisme bestuderen, maar zelfs bij sommige Shin-boeddhisten, in het bijzonder bij diegenen die, zoals heel wat mensen in Japan, de erfgenamen zijn van een religieuze traditie die ze evenwel nooit zelf, persoonlijk hebben geëxploreerd.

Een van de grootste en meest gangbare misverstanden is dat de Shin-boeddhisten eigenlijk een soort christenen zijn die het niet willen gezegd hebben of die het niet weten. Deze totaal verkeerde opvatting berust op de indruk dat de Jodo-Shinshu volgelingen slechts één Boeddha “aanbidden”, - dat ze één formule, ‘nembutsu’ genoemd, dienen te herhalen om zodoende een zetel in het Westelijke Paradijs, Amida’s Reine Land, te verwerven, welk Reine Land een soort van paradijs van vrede en zaligheid is, plusminus verwant aan de volksdevotionele opvattingen in Christendom en Islam.

Het is door dergelijke jammerlijke misvattingen dat de mening ontstaan is dat de Jodo-Shinshu geen echt Boeddhisme zou zijn, maar een monotheïstische misvorming ervan, met een “God” die men “Amida” noemt en wiens hoofdbezigheid erin bestaat al diegenen te verlossen die beroep op hem doen en waarbij zelfs geen minimum aan moraliteit of inspanning vereist zou zijn, kortom een ideaal heel wat “lager” dan het “verhevene” van nirvāna.

Ik moet eerlijk toegeven dat, boeddhist zijnde vanaf mijn jongere jaren, die zelfde misverstanden mij belet hebben de ware aard van de Shin-lering te vatten. Al in 1954 vernam ik “iets” over Jodo-Shinshu, maar om diverse redenen en oorzaken zou het toch nog 25 jaar duren vooraleer ik een duidelijk zicht kreeg op de uniciteit en de wezenlijke kern van het Shin-Boeddhisme. Zo lang heeft het geduurd vóór ik kon begrijpen dat juist hierin de integrale conclusie en de feitelijke culminatie van het geheel van de boeddhistische leringen vervat liggen.

Ik geloof dat die foutieve impressie van Jodo-Shinshu als monotheïsme voortkomt vanuit een vaak verdrongen christelijke achtergrond. Het is zonder meer begrijpelijk dat iemand die bewust of onbewust ingebed is in een christelijk getekend maatschappelijk milieu er maar al te vaak toe geneigd zal zijn hele series gegevens vanuit dat milieu over te hevelen in zijn vertalingen en interpreteringen van de boeddhistische literatuur. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat theïstisch gekleurde termen als ‘geloof’, ‘zonde’, ‘genade’ en zelfs ‘heil’ vlot ingang konden vinden in westerse benaderingen van Shinran Shonin, de stichter van het Shin-Boeddhisme.

Het is mijn bedoeling in deze lijnen de werkelijke zin en de universaliteit van het Shin-Boeddhisme als volwaardige vorm van Boeddhisme duidelijk te stellen aan de hand van een reeks thema’s welke m.i. gekoppeld zijn aan de praktische kant en aan de dagelijkse levensproblematiek volgens het Shin Boeddhisme. Daarom wil ik vertrekken vanuit een centraal thema, gevat in de titel zelf van dit hoofdstuk; dan trachten hiervan de vertakkingen te omschrijven en te verklaren, om te komen tot een mogelijke resultante van Shinrans visie op diverse gebieden van het spirituele leven.

Doordat ik Europeaan ben, geboren in Vlaanderen, groot geworden en ‘opgevoed’ in België en Frankrijk, kan mijn benadering niet vanuit een conventioneel japaniserend standpunt geschieden. Ik wil daarbij bovendien ook onderlijnen dat mijn benadering voorzeker niet overeenstemt met die van een westerling die tot het Boeddhisme aangetrokken is “doordat het exotisch, oosters en dus mysterieus en esoterisch is”. Neen: ik ben boeddhist omdat dit mijn diepe overtuiging is, langzaam gegroeid uit de dagdagelijkse ervaringen van lijden en vreugde. Dat moet ook een verklaring zijn voor mijn engagement in wat ik, althans voor mij persoonlijk, hou voor de ware en werkelijke universele, d.i. voor allen toegankelijke weg.

Het is natuurlijk zó dat ik, levend ver van Shinrans geboorteland en wortelend in de eeuwenoude erfenis van het westerse denken, als het ware vanzelfsprekend moet komen tot een benadering die misschien wel kan verschillen van de conventionele Jodo-Shinshu patronen. In mijn ogen is dat geen nadeel. Dat vereffent de weg naar een vatten van de universele natuur, de werkelijkheid en de uniciteit van het Shin-Boeddhisme, nu in deze moderne tijden en overal in de mensenwereld.

Het centrale punt van mijn uiteenzetting is de nembutsu, het brandpunt, de zenuwknoop van de Jodo-Shinshu lering: Namu Amida Butsu, de Naam waarin de universele vestiging van Amida Boeddha’s Geloftevervulling berust, bron van verlichting voor alle wezens, welke en hoe die ook mogen zijn. Rondom dit centrale punt spiraliseert het Shin-boeddhistische spirituele leven en daarbij de houding die wij in het leven aannemen. Toch blijkt hoeveel misverstand en verkeerde interpretatie dit begrip ‘nembutsu’ vooralsnog alom oproept.

Om meteen de vinger op de wonde te leggen: wanneer men aan heel wat Shin-boeddhisten (en natuurlijk ook aan niet-Shin-boeddhisten!) vraagt welke de naam is van de Boeddha die ‘honzon’, hoofdobject van hulde is in de Jodo-Shinshu, dan heeft men veel kans als antwoord te krijgen: “De naam van onze Boeddha is Amida”. En weinigen zullen er misschien toe geneigd zijn eraan toe te voegen dat Amida Buddha staat voor de “Boeddha van het Oneindige Licht en het Oneindige Leven” en dat die Amida, als hoofdvoorwerp van onze hulde en gedachtenis, niets anders is dan het Oneindige, buiten tijd en ruimte gedachte maar ondenkbare Boeddhaschap is, waarvan gesproken wordt niet enkel in de leerteksten (sūtra’s) van de Reine-Landstroming, maar evengoed in het Lotus-sūtra (Sanskr. Saddharmapundarīka-sūtra), de Bloemenkrans-sūtra’s (Sanskr. Avatamsaka), het Grote Nirvāna-sūtra (Sanskr. Mahāparinirvāna-sūtra) en eigenlijk heel de Mahāyāna-literatuur in het Sanskriet, het Chinees of het Tibetaans.

Slechts zelden stellen we duidelijk (soms is het ook onszelf niet zo duidelijk…) dat in de leringen van het Shin Boeddhisme dit heelal en alles en iedereen erin dient gezien te worden als de potentialiteit van de Verlichting. In Amida Buddha komen we ertoe tijd-en-ruimte te beschouwen als het fundamentele één-zijn in de Verlichting. Hebben we deze visie ontvangen, dan ervaren we de vreugde te leven in dit licht van het Oneindige Boeddhaschap. Deze ervaring verwekt in ons niet enkel vreugde, maar ook verheldering. In onze geest scheppen we aldus een eigen “Wereldbeschouwing” die ons in staat stelt de existentiële realiteit van het lijden op te vangen en uit te balanceren.

Pech! Ondanks de schoonheid, het welbehagen, de zaligheid die onze geest uit dergelijke opvatting afleidt, toch zitten ge dan nog verkeerd. Immers: we blijven steken in weer een andere foutieve vertolking, een andere verkeerde conceptie. Waarom? Omdat we, bij het creëren van een dergelijk concept, proberen een “Oneindig Boeddhaschap” uit te denken dat conform is met onze verlangens en met onze intellectuele perspectieven van “hoe de dingen eigenlijk horen te zijn”.

Maar bekeken vanop een zekere afstand en met een zeker ‘loslaten’, is zelfs de bewering dat degelijk concept “verkeerd” is, misleidend. Het gaat hier niet zozeer om “verkeerd” dan om “niet zo!” Voor velen kan een idealiserende visie van het Oneindige Boeddhaschap passend en efficiënt, hoopvol en troostend lijken. Wat hierbij dan niet onmiddellijk gevat wordt, is dat zij op deze wijze een visie op het boeddhaschap formuleren vanuit hun individuele standpunt, vanuit hun verwachtingen, kortom vanuit alle projecties die hen aan de lijdenswereld en het ego-denken vastbinden.

Diegenen die niet langer in zich de behoefte voelen vragen te stellen, zullen niet langer geconfronteerd worden met het opkomen van vragen. Maar voor diegenen onder ons die vragen blijven stellen, die problemen hebben in en met hun leven en die een vorm van begrijpen zoeken welke compatibel is met hun intellect, hun existentiële dilemma’s en hun ontgoochelingen, zal de conventionele definitie van de Naam van Amida Buddha fundamenteel ontoereikend zijn.

Zij die zich in vertrouwen tot Shinran en zijn onderricht wenden voor een herbronning, ontdekken in zijn geschriften dat het uitspreken van Boeddha’s Naam in zes tekens Namu Amida Butsu is. De Naam (myōgō) is Namu Amida Butsu. Namu Amida Butsu is de Naam als belichaming van de Wijsheid (Sanskr. prajñā). Shinran benadrukt dat de Naam (myōgō) niet ‘Amida’ noch ‘Amida Butsu’ is. De ware en werkelijke Naam is ‘Namu Amida Butsu’ en daarbij is ook het uitspreken, d.i. de ‘uitspreker’ betrokken.

Dat wordt herhaaldelijk door Shinran duidelijk gesteld, in talrijke passages uit Kyō-Gyō-Shin-Shō, zijn hoofdwerk. Doorheen Shinrans opvatting van de Naam als ‘Namu Amida Butsu’ gaan voor ons heel nieuwe perspectieven op het Boeddhaschap open, perspectieven die volkomen verschillend zijn van de conventionele, gevulgariseerde definities waaraan wij ons maar al te vaak vastklampen.

Vertrekkend van de nieuwe perspectieven die Shinran ons voorlegt, sta me toe terug te komen op een punt dat ik vermeldde bij het begin van deze uiteenzetting, namelijk de zo vaak gehoorde bewering dat Jodo-Shinshu geen “Boeddhisme van de Boeddha” zou zijn, maar een decadente inplant van monotheïsme, een soort protestants-christelijk pseudo-boeddhisme. Deze bewering wordt volkomen weggewist zodra we begrijpen op welke wijze Shinran de ware betekenis van de Naam aangevoeld heeft.

Naar mijn mening is de correct begrepen Jodo-Shinshu precies de meest omvattende en volledige actualisering van alle boeddhistische leringen en meditatieve en niet-meditatieve praktijken in Hinayana en Mahāyāna, leringen en praktijken die alle geworteld zijn in en teruggaan tot de prediking van de historische Boeddha Siddharta Gautama Shakyamuni.

Jodo-Shinshu is immers niets anders dan de vrucht en de resultante van een lange evolutie in, binnenin het boeddhistische denken van India, China en Japan. Shinrans visie op de Buddha-Dharma leidde tot de uiterste afronding en vervulling van fundamentele doctrines van talrijke boeddhistische stromingen. Verre van een aberrante vorm van Boeddhisme te zijn, is Jodo-Shinshu in feite de climax van boeddhistisch denken en van boeddhistische praktijk.

Shinrans lering is uiterst eenvoudig voor de eenvoudigen, maar van een ontstellende filosofische diepgang voor diegenen die een filosofische benadering verlangen. Ze kan, op dit vlak, niet ten volle gewaardeerd noch begrepen worden zolang ze niet gezien wordt als culminatie van de interpenetratiedoctrine uiteengezet in het Bloemenkrans-sūtra (Sanskr. Avatamsaka-sūtra, Chin. Hua-yen-ching, Jap. Kegon-kyō). Op een analoge wijze kan Shinrans lering ervaren worden als de doorgedreven visie op het anattā-concept (de leer van het niet-zelf) dat zo sterk benadrukt wordt in het Theravāda- Boeddhisme en dat zo scherp geherdefinieerd werd door Nāgārjuna in zijn Mādhyamika-filosofie. Het consequente doordrukken van het anattā-begrip weerspiegelt zich in het verwerpen van de ‘zelf-kracht’ (jiriki) dat kenmerkend is voor de Reine-Landideeën van Hōnen, Shinran en Ippen.

In de Mādhyamika-doctrine van uiteindelijk niet-onderscheid van samsāra en nirvāna kunnen we de filosofische sleutel vinden van Shinrans markante ideeën van de ‘verdienste- overdracht van het gaan’ (ōsō-ekō) en de ‘verdienste-overdracht van het komen’ (gensō-ekō), evenals van zijn definitie van ‘Geboorte in het Reine Land’ als zijnde ‘Niet- Geboorte’.

Op dezelfde wijze hebben we de fundamentele stellingen van Asanga en Vasubandhu nodig om Shinrans perceptie van de waarheidsniveaus en van de Trikāya-leer (het “Drievoudige Boeddha-lichaam”) te situeren.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik deze specifieke doctrinale punten niet zomaar willekeurig gekozen heb. Integendeel: ik wil ze naar voren brengen precies omdat hun samenvoeging leidt tot het juiste Reine-Land imago van het Boeddhaschap. Dit is een beeld dat weliswaar geen aanspraak maakt op een absolute ontologische waarheid, maar een beeld dat begrijpelijk en aansprekelijk is voor onze beperkte, relatieve intellectuele faculteiten en daarbij tevens een beeld waarvoor ook onze emotieve en esthetische functies gevoelig zijn.

Het is met behulp van deze algemeen-boeddhistische doctrines dat we kunnen komen tot inzicht van wat de Naam voor ons betekent, - en deze betekenis niet enkel omlijnen met een gevoel van intellectuele bevrediging. De grote inbreng hiervan heeft plaats in ons dagelijks bestaan, in onze verhoudingen tot onze omgeving, onze verhoudingen tot de gehele mensheid, tot alle wezens en, last but not least, in onze intiemste verhouding met de Verlichting zelf.

(Wordt vervolgd)

Ekō 39

De Naam Is Namu Amida Butsu

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home