Boeddhistische Opvoeding In Het Westen?

Katrien Haemers

“If the teacher is wise he does not bid you enter the house of his wisdom, but rather leads you to the treshold of your own mind. For the vision of one man lends not its wings to another man.”

(K. Gibran, The Prophet)

De vraag naar een “opvoeding tot Boeddhisme” in onze Westerse wereld kan niet afgewezen worden als nutteloos ‘getheoretiseer’.

Hoe relativerend men ook moge denken over de mogelijkheid tot opvoeden, hoe schroomvallig men ook moge staan tegenover het opdringen van een levensovertuiging of religie aan kinderen, toch kan men niet loochenen dat zelfs niet-opvoeden een vorm van opvoeding is, dat omgaan met kinderen reeds een beïnvloeding inhoudt. Ouders die zelf een Boeddhistische levenswijze nastreven stellen zich de vraag naar de mate waarin zij die al of niet aan hun kinderen kunnen overdragen, én de manier waarop.

Aangezien het religieus, cultureel en sociaal klimaat in het Westen nog altijd zeer verschillend is van dat in de “Boeddhistische landen”, komt een Westerling via een totaal verschillende weg tot het Boeddhisme. Hij richt zich naar een religie die beschouwd wordt als randverschijnsel, die in een daglicht van wantrouwen en onbegrip staat en dikwijls als exotisch en irrealistisch wordt afgewezen, dààr waar in het Oosten de hele culturele en sociale sfeer doordrongen is van het Boeddhisme, en opvoeding en onderricht van in de vroegste kinderjaren als een vanzelfsprekendheid aanwezig zijn.

Daarenboven zijn de normen en waardeschalen, de idealen en kwaliteiten die gelden in de Westerse landen wel heel contradictorisch aan die welke het Boeddhisme naar voor brengt.

Toch moet het mogelijk zijn “zichzelf voor te nemen” om tegenover deze maatschappij van materialisme en agressiviteit een houding aan te nemen van geweldloosheid, relativiteit, niet-egogerichtheid, spiritualiteit.

Ouders in het Westen zullen zich zeker eerst en vooral de vraag stellen in welke mate ze het recht hebben hun kinderen Boeddhistisch op te voeden.

Boeddhist zijn is hier een persoonlijke keuze, tegengesteld aan het geldend cultuurpatroon. Kan ik als ouder de keuze maken voor het kind?

Hoe relatief men opvoeding ook moge beschouwen, omgaan met kinderen is reeds - zij het ongewild - opvoeden. En bestaat er één religie die minder dan het Boeddhisme zijn mening wil opdringen aan anderen?

“Ik, Shinran, ik heb zelfs niet één discipel” (Tannishō).

Vanuit deze relativerende uitgangspunten willen we een poging doen om de vraag naar een Boeddhistische opvoeding in het Westen in beschouwing te nemen.

Belangrijk is het onderscheid te maken tussen opvoeding en onderricht. Dit schijnbaar kunstmatig uiteen-halen is toch reëel, gezien we opvoeding als ‘onvermijdelijk’ hebben bestempeld, terwijl onderricht een actieve handeling is.

Een ‘Boeddhistische opvoeding’ zou tot doel hebben een kind te leren zich op volwaardig ‘Boeddhistische wijze’ te gedragen in deze wereld. Daartoe zou men zijn aanvoelen richten op bepaalde hoedanigheden om vandaaruit zijn reacties en zijn handelingen te beïnvloeden, of althans te inspireren.

Deze opvoeding speelt zich af op het emotioneel (in brede zin) en esthetisch niveau en zal zich praktisch uitsluitend in de huiskring afspelen, gezien het ‘exclusieve’ van de situatie.

Een kind bootst zijn ouders na van bij de geboorte. Zo hebben ouders een quasi onbeperkte invloed op het jonge kind gedurende vele jaren, zolang de kritische zin van het kind nog niet ontwikkeld is.

Ouders en volwassenen die zelf een Boeddhistische leefwijze nastreven, zullen intuïtief, bijna ongewild hun eigen gevoeligheid, hun eigen ziens- en handelwijze op het kind overdragen.

Wanneer men dan ook een jong kind ernstig neemt - en niet kinderachtig behandelt - zou men het dan niet attent kunnen maken voor de voortdurende verandering in de wereld rondom en binnenin zichzelf, een gevoel voor niet-verstarren-in-vastklampen, maar de beweeglijkheid en bevrijding van het kunnen loslaten, van het niet-berekenen laten ervaren?

Zou men een kind kunnen laten zien hoe het zijn eigen pijn veroorzaakt, hoe het ook zijn pijn aan anderen overdraagt? Kan men ook niet aan een jong kind laten aanvoelen dat elk wezen lééft, dat elk wezen evenveel eerbied waard is, dat niemand het recht heeft een ander wezen te gebruiken, te dwingen, te vernielen?

Kan men een kind laten zien hoe elk mens vol verlangens zit, hoe er nooit een einde komt aan die eindeloze keten, en dat elke vreugde ook een pijn in zich draagt? Zou men een kind kunnen laten ervaren dat angst enkel een omgekeerde vorm van verlangen is, even moeilijk maar mogelijk om los te laten?

Kan men een kind leren te handelen, zich in te spannen te genieten zonder verslaving aan het resultaat, het effect, het succes?

Al deze hoedanigheden zijn aartsmoeilijk: ze gaan regelrecht in tegen onze ‘menselijke natuur’, nog meer tegen de geldende normen van onze samenleving, waar gehechtheid, succes, competitie, macht dé grote slogans zijn.

Maar als het dan toch zó is dat ouders hun kinderen onvermijdelijk beïnvloeden, waarom dan niet in een geestesgesteldheid waar ze zelf achter staan?

Misschien ligt hier wel de pijnlijkste en moeilijkste weerstand bij ouders: hun kinderen geen harnas noch wapenuitrusting mee te geven om deze maatschappij te trotseren, maar integendeel, een aantal overtuigingen waarmee ze, uiterlijk althans, zwak zullen staan in een wereld vol agressiviteit.

De belangrijkste, zoniet de enige mogelijke vorm van een opvoeding in boeddhistische geest speelt zich af in emotionele uitwisseling tussen volwassene en kind. Al ‘het andere’ kan slechts daaruit voortvloeien. Alles wat daar eventueel uit volgt kan alleen een vrije keuze zijn van het kind, een wilsdaad om op die weg verder te gaan.

Wat betreft het onderricht, wat we de intellectuele opvoeding zouden noemen, zijn de mogelijkheden zeer beperkt gezien er in het Westen - voor Europese kinderen althans - geen dharmascholen bestaan, en de beschikbare literatuur zéér beperkt is.

Zo zal dit ook volledig in handen van de ouders liggen. Het onderricht zou - volgens onze mening althans - slechts een antwoord op vragen van het kind mogen zijn. Een antwoord dat de zin voor relativering, eigen aan het Boeddhisme, geen geweld aandoet, een antwoord dat is “als een vlot om de stroom over te steken en niet om op de rug te dragen.”

Een derde aspect van de opvoeding speelt zich af op het terrein van het wilsleven, wat zich uitdrukt in het uitoefenen van de praktijk, het deelnemen aan erediensten, feesten en sociale activiteiten.

Ook op dat terrein zijn de mogelijkheden eerder miniem: wanneer we zien dat volwassenen soms méér dan honderd kilometer afleggen om aan een eredienst te kunnen deelnemen, moeten we toegeven dat ook hier weinig ruggesteun kan geboden worden.

Ouders die wél de mogelijkheid hebben, kunnen hun kind mee naar de tempel nemen, als het dat zelf wil, of kunnen het laten deelnemen aan een “puja” voor het huisaltaar. Maar het te zeer benadrukken van het devotioneel aspect - althans zoals wij, westerlingen, dat interpreteren - lijkt ons ongunstig, omdat het misleidend kan zijn op latere leeftijd.

‘Opvoeding tot Boeddhisme’ speelt zich vooral af in hart en geest, aanvoelen en handelen, kijken en luisteren, zien en horen.

Van daaruit kan een kind, een puber, een jonge mens zich de vraag stellen naar de achtergrond van deze levenshouding, de religie.

Of zij dan al of niet de stap zetten van het toetreden tot de gemeenschap, dàt behoort al lang niet meer tot het terrein van de opvoeder.

Ekō 39

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home