Tannishō (18)

De bewering dat men afhankelijk van de grootte van zijn schenkingen voor de ondersteuning van de Leer, een grote of een kleine boeddha wordt.

Deze uitspraak is woordeloos, beslist woordeloos absurd.

Ze is totaal onredelijk.

Om te beginnen: is het niet onmogelijk de grootheid of de kleinheid van Boeddha’s afmetingen te bepalen?

Shakyamuni heeft het voorkomen van de Meester die onderricht geeft in het Reine Land van Vredea uiteengezet, maar dit heeft betrekking op het Vervullingslichaam van de Geschikte Middelenb.

a – annyō-jōdo: (lett.) ‘Reine Land van Vrede en Ondersteuning’. Synoniem voor het ‘Vervulde (volkomen) Land’ Hōdo, het ‘Reine Land’ Jōdo, het ‘Land van Vrede en Vreugde’ Anrakoku, etc. De talrijke synoniemen voor dit begrip dai-nehan (Sanskr. mahā-parinirvāna) wijzen op het feit dat dit begrip onverwoordbaar en onvoorstelbaar is.

b – hōben-hōjin: T’an-luan, de derde patriarch volgens Shinran, onderscheidt twee aspecten van dharmakāya (“Lichaam van de Leer”): hosshō hosshin (Sanskr. dharmakāya-dharmatā), de ‘zo-heid’, geenzijds van het conceptuele denken, en hōben hosshin (Sanskr. dharmakāya upāya kausalya, het boeddhaschap dat zich manifesteert in het Grote Mededogen als dynamiek van de “geschikte middelen”.

 

Bij de verwezenlijking van de verlichting van de dingen zoals ze zijna, zijn er geen vormen meer van lang of kort, vierkant of rond, en de kleuren als blauw, geel, rood, wit of zwart, zijn voorbijgestreefd. Als dit zo is, hoe is het dan nog mogelijk te spreken over groot of klein?

a – hosshō no satori: de verlichting die inzicht verleent in dharmakāya-dharmatā (zie hiervóór).

 

Er is gezegd geworden dat bij het uitspreken van de nembutsu men de manifestatie van het Boeddha-lichaama ervaart; dit betreffend, is er ook gezegd geworden dat men met een grote uitspraak een grote boeddha ziet en met een kleine uitspraak een kleine boeddha; maar ik vraag me af of zij die het bovenstaande beweren een dergelijk principe toepassen op de schenkingen?

a – ke-butsu (Sanskr. buddhakāya): staat voor “veranderingslichaam van de Boeddha”, d.i. de manifestatie van het boeddhaschap in de wereld van het veranderlijke, van het fenomenale; b.v. Gautama Shakyamuni. Bij het uitspreken van de nembutsu, manifesteert het Boeddhaschap zich als Naam in de lijdenswereld.

 

Voorts, vanuit een ander standpunt, is het mogelijk een schenking de praktijk van de Volmaakte Gavea te noemen.

a – dan-haramitsu (Sanskr. dāna-pāramitā): traditioneel, de eerste van de Zes (of Tien) Volmaaktheden. Vaak wordt, in de scholen van het Zelfkracht-Boeddhisme (Shōdō-mon: het Pad der Wijzen), deze eerste pāramitā vooropgezet als de enige praktijk toegankelijk voor leken.

 

Maar hoe kostbaar ook een schat, die men aan de Boeddha of aan zijn leermeester aanbiedt, moge zijn, - wanneer het vertrouwensgemoed ontbreekt, dan heeft dit geen zin.

En zelfs wanneer iemand voor de Leer zelfs geen blad papier of een halve centa kan schenken, - als die mens zijn hart aan de Ander-Kracht schenkt en zijn vertrouwensgemoed diep is, dat is dan reeds op zichzelf in overeenstemming met de fundamentele bedoeling van de Gelofte.

a – han-sen: de sen was een honderdste deel van de yen, maar werd uit omloop genomen na de oorlog. Op dit ogenblik zou één halve sen ± 0,003 frank waard zijn.

 

Dit probleem komt mij voor als een zaak van lieden die de Leer voorwenden en, doordat ze bezeten zijn van wereldse begeerten, zo aanmatigend tot hun mede-beoefenaars spreken.

 

Ekō 40

Tannishō

jikōji - 慈光寺

© 2004

info-at-jikoji.com

          home